Geen noodplan kan Joost helpen

Joost is een knulletje van 14. Hij is autistisch en daardoor onhandelbaar. Maar als je dat niet weet, kunnen er bizarre dingen gebeuren....

Het is vrijdagnacht. Er wordt een jongen aangehouden en meegenomen naar het bureau. Het is Joost, een knulletje van 14. Hij wordt verdacht van vernielingen bij een treinstation. Hij gaat die nacht de cel in.

De volgende ochtend wordt Joost ondervraagd door een agent. Joost gedraagt zich vreemd. Eigenlijk gedraagt hij zich niet. Er is geen contact met hem te krijgen. Laat staan dat hij praat. De agent belt met de officier van justitie die het weekend dienst heeft en beschrijft het gedrag van Joost als ‘zeer zorgelijk’.

Joost is nu zeker twaalf uur weg van huis. Hij heeft niet thuis geslapen. Agenten zoeken sinds vrijdagnacht contact met moeder.

Uit diverse computersystemen druppelt summier informatie binnen. Zo bestaat het vermoeden dat Joost wordt misbruikt door zijn moeder. Zijn oudere broer zou de rol van vader op zich hebben genomen, maar vooral door met een stuk hout te slaan.

De officier besluit Joost ‘in verzekering’ te stellen. Normaliter gebeurt dit bij verdachten van middelzware of zware misdrijven, in het belang van het onderzoek. De verdachte kan dan maximaal zes dagen worden vastgehouden. Maar van een middelzwaar, laat staan zwaar misdrijf is bij Joost geen sprake. Joost zit psychisch in de knoop. Hij moet zo snel mogelijk naar de crisisopvang.

De officier van justitie gebruikt de inverzekeringstelling echter als noodplan. Wanneer een minderjarige in verzekering wordt gesteld, moet het zogeheten vroeghulpteam van de Raad voor de Kinderbescherming in actie komen. Een van de taken van dit team is informatie verzamelen over de thuissituatie van de jongere.

Maar het is weekend, en de ‘vroeghelpster’ die Joost komt onderzoeken is van de afdeling straf. Crisisopvang wordt verzorgd door de afdeling civiel – en die zijn vrij. Bovendien heeft de vroeghelpster van haar chef de opdracht meegekregen ‘zo veel mogelijk zaken over het weekend heen te tillen’.

Dit betekent dat Joost of terug de straat op moet, of nog zeker twee dagen in de cel moet blijven zitten. De officier van justitie vindt beide onacceptabel.

Noodplan 2 wordt uit de kast gehaald: de acute dienst van de Riagg wordt ingeschakeld. Zij kan een geneeskundige verklaring opstellen, waarna de burgemeester kan besluiten Joost meteen in een psychiatrisch ziekenhuis te laten opnemen. Een rechter komt dan enkele dagen later kijken of er reden is deze zogeheten inbewaringstelling (IBS) te verlengen.

De GGZ-verpleegkundige die Joost onderzoekt, constateert een duidelijke ‘psychiatrische problematiek’, maar volgens hem onvoldoende om Joost gedwongen op te laten nemen. Joost heeft inmiddels ook nacht 2 doorgebracht in de cel. Nog altijd is niemand naar hem op zoek.

Dag 3 (zondag) begint met noodplan 3: de officier van justitie vraagt de rechter om een zogeheten voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder houdt dan weliswaar het ouderlijk gezag over haar zoon, maar de rechter kan beslissen dat Joost uit huis moet worden geplaatst. Hij kan dan worden opgenomen in de crisisopvang.

Er gaat weer een nacht in de cel voorbij.

Maandag. De crisisdienst, een afdeling van het ministerie van Justitie die de plaatsing van kinderen regelt in instellingen, meldt ‘dat ze nog bezig zijn opvang te regelen voor de spoedgevallen van januari’. Joost moet maar wachten.

Bureau Jeugdzorg gaat nu aan de slag. Stad en land wordt afgebeld op zoek naar een plek in een andere crisisopvang. Nergens is ruimte. Advies: stuur Joost naar huis.

Maandag slaapt Joost weer op het politiebureau. Dinsdagmiddag is er contact met moeder. Een agent brengt Joost thuis.

Twee dagen later bezoekt de rechter moeder. Joost blijkt een jonger broertje te hebben. Beide jongens zijn autistisch en heel opstandig. Het broertje woont al in een instelling. Moeder kan de zorg voor Joost niet aan. De rechter besluit dat Joost voorlopig moet worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Peter de Greef

Meer over