Geen bladeren want winter

IN Het vrije vers, een prikkelend essay uit 1982, onderzoekt Gerrit Krol het grensgebied tussen proza en poëzie. Poëzie is die literatuur waarbij de plaats van de woorden op het papier niet door de zetter, maar door de auteur wordt bepaald....

Voor poëzie geldt dat niet, vindt Krol: 'In een gedicht hoeft de wereld niet te kloppen, als hij maar samenhangt.' En naarmate de complexiteit van het kunstwerk toeneemt, stijgt ook de esthetische waarde, mits de lezer in staat is in het hem aangereikte materiaal orde te ontwaren. De sterrenhemel lijkt op het eerste gezicht chaotisch, maar wie wat langer kijkt, vormt sterrenbeelden en zal deze, juist doordat het moeite heeft gekost ze te ontdekken, als iets moois ervaren.

Wat Krol in proza tegenstaat, is het feit dat de lezer geacht wordt op de eerste bladzijde te beginnen en door te lezen tot hij bij het slot is. Bij poëzie hoeft dat niet, en daarom zul je gedichten vaker herlezen: je kunt een bundel op een willekeurige plaats openslaan en van een gedicht genieten, zonder dat het nodig is dat je je de rest van de bundel herinnert. Krol heeft dan ook een voorkeur voor proza dat bestaat uit korte fragmenten die stuk voor stuk sterk genoeg zijn om op zichzelf te kunnen staan. De schrijver dient bij het ordenen van die brokstukken tot op zekere hoogte het toeval een rol te laten spelen.

Dat juist Krol zich met deze problematiek heeft beziggehouden, is niet verbazingwekkend. Vooral zijn vroege romans kennen een fragmentarische opbouw met korte alinea's en veel witregels, en een groot deel van die stukjes behoudt bij herlezing zijn sprankelende kracht, ook al ben je allang vergeten waarover het verhaal ging. Omgekeerd hebben de weinige gedichten die Krol schreef, een uitgesproken prozaïsche toon. Dat Krol een keer een boek zou publiceren dat het midden houdt tussen een verhalenbundel en dichtbundel, lag dus voor de hand.

De kleur van Groningen en andere verhalen heeft de omvang van een gemiddelde dichtbundel. De hierboven genoemde analfabeet zou grote moeite hebben het genre te bepalen, want de vorm heeft zowel prozaïsche als poëtische kenmerken. De negen verhalen zijn opgebouwd uit alinea's die in omvang variëren van één woord tot maximaal twaalf regels, met een voorkeur voor stukjes van twee à vier regels. Binnen die alinea's lopen de regels niet altijd door tot aan de rechterkantlijn, maar als een zin langer dan een regel is, vult hij altijd wel de gehele breedte van de bladspiegel alvorens af te breken. Enjambement komt dus niet voor. Niettemin kan de tekst volgens Krols eigen definitie in zoverre poëzie genoemd worden dat de auteur zelf in de meeste gevallen de plaats van de woorden op het papier heeft bepaald.

Inhoudelijk kennen de verhalen geen door de logica voorgeschreven verloop. De gedachtegang is steeds zoekend en associatief. De verteller formuleert als iemand die per regel bedenkt wat hij zou kunnen gaan zeggen. Hij stelt een hypothese op, roept een beeld tot leven, en besluit pas daarna of hij ermee wil doorgaan. Zo niet, dan ontkent hij de vorige bewering en komt hij met iets nieuws. Over een vrouw die net uit het bad is gestapt, wordt eerst gezegd dat ze een tafzijden japon aantrekt. Maar enkele regels lager blijkt dat toch niet de juiste keuze geweest te zijn: 'Geen verleidelijke japon, maar een eenvoudige trui. Olijfgroen, terwijl haar vrouwelijke vorm in het oog springt.// Maar ook die trui draagt ze niet, want pas uit het bad gestapt. Een boog opgespannen, die ze vasthaakt op haar rug. Dat ze niet hangen.// Geen boog, geen namen.// Geen trui, want die hangt over de stoel. Hangt niet over de stoel, maar ligt op de grond.'

De teksten zijn gedachte-experimenten, zoals we die ook kennen uit het late proza van Samuel Beckett of uit de gedichten van Hans Faverey. De schrijver roept iets op, oordeelt, terwijl hij hardop denkt, of hij er iets mee kan, vervormt het, en ten slotte vernietigt hij het. In een aantal verhalen worden, om het kunstmatige karakter van de beschrijvingen te benadrukken, schilderijen en foto's genoemd. Zelfs het feit dat de verteller bestaat, is iets wat net zo goed niet het geval had kunnen zijn. De wereld is een voorlopige constructie op papier.

Zo begint het tweede verhaal:

Eenzaam op de vlakte staat een boom.

In de verte staan, dicht op elkaar, de andere bomen.

Dat schuilt bij elkaar.

Ziet toe vanuit de verte, of die boom het in z'n eentje redt.

Tegen de grijze lucht. Een grote boom.

Geen bladeren want winter.

Geen winter want voorjaar.

Even later discussiëren Ludwig Wittgenstein en Bertrand Russell over de vraag of die boom er wel echt staat. De auteur citeert uit een flora om te bepalen wat voor soort boom het is. Eerst opteert hij voor een esdoorn of olijf, dan wordt het een eik, daarna een beuk, en als die niet voldoet wordt het hulst. Maar ook die mogelijkheid wordt verworpen. Aan het eind van het verhaal vraagt de verteller zich af waarom de boom daar zo alleen staat:

Waarom de andere bomen zijn wegge bleven. De? Welke?

Waarom hij zelf niet weggebleven is.

Waarom hij bestaat.

Wat wij in hem zien.

Geen boom, maar die vlakte.

Alle verhalen zijn in Groningen en Friesland gesitueerd. Krol beschrijft het landschap met zoveel liefde, dat je tijdens het lezen de aandrang voelt opkomen spoorslags naar het noorden te reizen, een fiets te huren en tegen de wind in naar de strakke horizon te rijden. In het laatste verhaal komen elementen uit de gehele bundel terug, wanneer de verteller door een fotoalbum van zijn ouders bladert. Daarin treft hij dezelfde tijdloze wereld aan die hij in de rest van het boek heeft beschreven. Dat hij daartoe in de gelegenheid werd gesteld, dankt hij aan het toeval dat zijn ouders elkaar in dat kale noordelijke landschap hebben ontmoet:

Zomer 1933. Hun fietstocht naar Den Haag.

Dat ik nog niet was geboren.

Dat alles telt mee.

Piet Gerbrandy

Gerrit Krol: De kleur van Groningen en andere verhalen.

Querido; 48 pagina's; ¿ 35,-.

ISBN 90 214 7161 2.

Meer over