Gedoemd in het verborgene, dat vertikte hij

Drie exposities – in onder meer het Amsterdamse Stadsarchief – belichten de verdiensten van Benno Premsela als vernieuwend vormgever. Zijn biograaf Bert Boelaars benadrukt vooral Premsela’s rol als homo-emancipator....

Eind 1945 gingen de deuren van De Nieuwe Kunstschool, een experimentele kunstopleiding in Amsterdam, weer open na jaren van gedwongen sluiting door de bezetter. Op een dag komt een groepje studenten bijeen om te tekenen, bij een van hen thuis, Riek de Raat. De gastvrouw schuift de meubels opzij om ruimte te maken. Ze heeft haast, want straks komen ‘de mensen’. Dan stapt de 25-jarige Benno Premsela binnen. Het vierjarig stiefzoontje van Riek de Raat vraagt: ‘Is dat ook een mens?’

Het gezelschap moet er hartelijk om lachen, maar het kind heeft in zijn argeloosheid een pijnlijke vraag gesteld. In de vijf jaar ervoor golden Premsela en zijn familie voor de nazi’s niet als mens. Benno en zijn broer Boet wisten te ontsnappen aan de massamoord door onder te duiken, maar hun ouders en hun zusje Elly werden in de kampen vermoord. Had de bezetter er lucht van gekregen dat de jonge Premsela homoseksueel was, dan was dat nog een reden geweest om hem niet als ‘mens’ te beschouwen.

Bert Boelaars, de biograaf van de in 1997 overleden binnenhuisarchitect, ontwerper en voorvechter van de homo-emancipatie Benno Premsela – deze en volgende maand zijn er in Amsterdam en Utrecht drie tentoonstellingen gewijd aan zijn werk – , maakt van de vraag van het kind de leidende metafoor van zijn boek.

Premsela was een ‘mens’, en wat voor een. Een man die het wonder van zijn overleving en de moord op zijn dierbaren eer bewees door met tomeloze energie en zonder compromissen te leven, in extra tijd.

Die metafoor is mooi, vooral omdat Premsela er vaak op zou wijzen dat hij stevig in het leven stond doordat zijn ouders hem, jongste lievelingszoon, altijd het gevoel hadden gegeven dat hij er ‘mocht zijn’. Hij kwam uit een vrijzinnig, socialistisch milieu. Zijn vader had, bijgestaan door zijn geëmancipeerde moeder, een bloeiende huisartsenpraktijk in de Amsterdamse binnenstad, die als toevluchtsoord diende voor jonge mensen met problemen. Als seksuoloog hield Bernard Premsela ongekend vrijmoedige praatjes voor de VARA-radio.

De kinderen Premsela werden ondergedompeld in kunst en cultuur. Ze gingen vaak naar concerten en het theater, en maakten uitstapjes om bijzondere architectuur te bekijken. Benno, die graag met zijn moeder lampenwinkels en meubelzaken bezocht, wist al jong dat het inrichten van huizen en kamers zijn vak moest zijn. Zijn ouders vonden het goed dat hij, na enkele jaren hbs, naar de De Nieuwe Kunstschool ging, een vrije opleiding, naar het voorbeeld van de Bauhaus-ateliers.

Dat de bezetter een einde zou kunnen maken aan dit zorgeloze, liefdevolle bestaan, was voor de ouders Premsela ondenkbaar. Toen ze zagen dat de beestachtigheid echt aan de macht kwam, was het te laat. Alleen Benno en Boet Premsela zagen kans om op tijd onder te duiken. Tijdens de onderduik ontkwam hij aan groot gevaar. In het Haarlemse huis, waar veel te veel mensen opeengepakt zaten, voelde hij zich onveilig. Hij vertrok. Enkele dagen laten werden de andere onderduikers, na verraad, opgepakt; zijn intuïtie had hem gered. Hij vond een veiliger schuilplaats bij een vriendin.

Tijdens de onderduikperiode zag Premsela kans om zijn brood te verdienen met het maken van tassen en ceintuurs – typerend voor zijn praktische instelling. Hij dacht ook na over wie hij was. Hij realiseerde zich dat hij homoseksueel was, gedoemd in het verborgene te leven. Dat vertikte hij.

Zijn tragische familiegeschiedenis, de dubbele ‘afwijkende’ status van Jood en homoseksueel in een tijd dat je beide niet mocht zijn, maken dat de vraag ‘Is dit een mens?’ een bruikbare leidraad is. Maar tegelijkertijd past de wat pathetische metafoor slecht bij het karakter van de hoofdpersoon: een krachtige, onverschrokken man, overtuigd van zijn keuzes, een dwingeland soms, een ijdeltuit, maar ook aimabel en gastvrij. Iemand die leefde in het heden, met weinig belangstelling voor het verleden, een geboren manager en bestuurder. Die hoofdpersoon blijft voor de biograaf, hoewel hij hem familiair met ‘Benno’ aanduidt, een beetje op afstand. Eerbiedwaardige afstand.

Boelaars, programmamaker voor de Humanistische Omroep en medewerker van het Humanistisch Verbond, legt de nadruk op de publieke kant van Premsela, op zijn ‘humanistische’ waarde. We zien vooral Premsela’s buitenkant. In de vele interviews die Premsela gaf, deed hij dat zelf ook, waarbij hij zijn waarde als kunstenaar relativeerde. Premsela was actief in talloze raden en besturen op cultureel gebied. Maar bij het publiek werd hij beroemd door twee eversellers: de witte Loteklamp op pootjes en het katoenen ‘lusjestapijt’ dat hij voor Van Besouw ontwierp. De etalages die hij in de jaren vijftig voor De Bijenkorf maakte, veranderden het begrip etalage: kleine, tijdelijke kunstwerken, heldere statements. Zijn latere ontwerpbureau PremselaVonk drukte een groot stempel op het uiterlijk van Nederland.

Boelaars legt de nadruk op Premsela’s verdiensten als homo-emancipator. Hij was tientallen jaren actief in de homo-organisatie COC, van 1962 tot 1971 als voorzitter. Onder zijn leiding evolueerde die vereniging van een braaf ontmoetingscentrum voor ‘gevoelsgenoten’ – die vaak een schuilnaam droegen – tot een krachtige pressiegroep die pleitte voor volkomen gelijkwaardigheid van homo’s en hetero’s en die krachtig protesteerde tegen elke vorm van homodiscriminatie. Het was een hard gevecht in het verzuilde en door christelijke normen gedomineerde Nederland. Premsela strijdde met open vizier. En hij moedigde de radicalere jongere generatie aan om het roer over te nemen.

Boelaars beschrijft uitgebreid Premsela’s vroege contacten met de COC, het in 1949 uit de zogeheten Shakespeare Club voortgekomen ‘Cultuur- en Ontspannings- Centrum’, dat in de statuten voorzichtigheidshalve nog met geen woord over homoseksualiteit repte. Premsela schreef zich in onder eigen naam, een uitzondering in die tijd. ‘Ik wist wel dat je een schuilnaam kon aannemen, maar ik zag er de noodzaak niet van in. Dat was dus geen kwestie van moed.’ Zijn openheid leidde als vanzelf tot zijn coming out: ‘Ik moest praktisch aan iedereen vertellen dat ik homo was. Bijvoorbeeld aan mijn broer. Ik vertelde het liever zelf dan dat hij het van anderen hoorde en het vervolgens ontkend zou hebben. Mijn broer reageerde positief. De rest van mijn overgebleven familie ook.’

Benno’s broer Boet herinnerde zich later hoe hij op het bewuste gesprek, ergens in 1947, reageerde: ‘Ik zat bij hem op zijn slaapkamer want hij moest zich verkleden voor een feest [. . .] Toen zei hij: Ik wou je zeggen dat ik tot de ontdekking ben gekomen, of eigenlijk weet ik het al heel lang, dat ik homoseksueel ben. Nou, daar schrok ik toch wel even van. Want ondanks het feit dat mijn vader seksuoloog was, werd er bij ons thuis over homoseksualiteit niet veel gesproken. Mijn eerste reactie was dan ook dat hij zich daarvoor maar moest laten behandelen, heel naïef eigenlijk.’

Ook de reactie van Wiesje van Santen, een jeugdvriendin met wie Premsela ‘als broer en zus’ was, liep aanvankelijk niet over van begrip. ‘Of ik langs wilde komen om te eten. Hij wilde me iets persoonlijks vertellen. Toen kwam het hoge woord er uit: ik ben homoseksueel. Waarop ik hem vroeg: wat is dat? Hij heeft het me uitgelegd. Ik was diep onder de indruk en heb hem een brief geschreven. Daarin vergeleek ik het met licht, zonlicht en kunstlicht en zo. Het was een heel nieuw probleem voor me.’ Als Wiesje later Premsela’s eerste liefde Sjok Ferwerda leert kennen, flapt ze er de vraag uit: ‘Maar hoe dóen jullie dat dan?’ Premsela leek er nauwelijks van op te kijken: ‘Hij was heel makkelijk, zo vrij. Hij vertelde het gewoon [. . . ]. Dat doen we van achteren, zei hij. Zo benaderen we elkaar.’

Passages als deze werpen een helder licht op Premsela’s houding in die eerste naoorlogse jaren. Maar Boelaars’ invalshoek leidt er wel toe dat zijn biografie een kind met een waterhoofd is. Vele pagina’s worden besteed aan de geschiedenis van de homoseksualiteit in Nederland en tijdens het naziregime, en aan ontwikkelingen binnen het COC. Dat is belangwekkend, maar ook elders al beschreven. Boelaars’ biografie is integer, maar overcompleet.

Het bijzondere aan Premsela was dat hij, zowel artistiek, bestuurlijk als persoonlijk, uitdroeg dat hij, homo of niet, een achtenswaardig mens was. Hij deed dat door openlijk te leven met zijn minnaars en ‘vastere’ geliefden en door in de media vrijuit te spreken over seksualiteit – zoals ook blijkt uit het mooie tv-portret dat Carrie de Swaan van hem maakte, dat bij het boek is gevoegd als dvd. Hij vond een eigen manier van leven uit met zijn vrienden – voorbeelden waren er niet – en was daar terecht trots op.

Het is jammer dat die Benno Premsela in deze waardevolle biografie soms ondergesneeuwd raakt onder ladingen feiten: de ‘mens’ die schoonheid, liefde en plezier zocht, op de puinhopen van de geschiedenis.Aleid Truijens

Meer over