GEACHTE REDACTIE

Het beschouwen van de langdurige zorg en dienstverlening in Nederland heeft het effect van kijken in bolle en holle spiegels: niets lijkt meer te deugen....

Grote zak met geld

De propaganda van enkelen (onder wie staatssecretaris Terpstra) is kennelijk voldoende om 'zorgend Nederland' in een roes te krijgen: alle zegen komt van het budget. De bedoelingen zullen ongetwijfeld goed zijn, bij de inzichten kan men toch twijfels hebben.

Het is kenmerkend voor de Nederlandse zorg, dat 'vernieuwende' maatregelen niet worden gezien als middel ter verbetering van de zorg, maar als doel op zich. Het tekortschieten van het budget wordt verklaard door de beperktheid van de maatregel zelf: het gaat om een beperkte keuze voor de klant, maar wie kent diens optie? Bovendien is er dan nog de alles overlevende bureaucratie, zowel van overheidszijde als van de kant van het particulier initiatief.

In theorie lijkt het systeem een redelijk alternatief, maar hoe is de praktijk? Voor de overheid heeft het enige voordelen, want zij zal minder last krijgen van plaaggeesten als algemene zorgfilosofieën en samenwerkingsstrategieën. Maar het persoonsgebonden budget heeft niet als uitgangspunt om de taak van de overheid te vergemakkelijken.

Hoe zit het dan met de cliënt? Geweldig, die krijgt een grote zak met geld ter bevordering van het eigen welzijn. Maar dat is toch schone schijn. Naast het ongemak van zorgafhankelijkheid krijgt de cliënt ook nog eens de problemen van het werkgeverschap. In deze ingewikkelde samenleving met haar omvangrijke bureaucratie voorwaar niet iets om reikhalzend naar uit te zien.

De cliënt wordt nog indringender geconfronteerd met de onvolkomenheden van de zorg. Gescheiden circuits, wachtlijsten en dergelijke verdwijnen met de komst van het budget niet als sneeuw voor de zon. Ten slotte wordt de cliënt marktpartij: in zijn/haar pogingen zorg te realiseren, krijgt men van doen met zorgleveranciers en zorgverzekeraars. Deze beschikken over kennis, geld, menskracht en zorgaanbod. Dat maakt hun onderhandelingspositie een stuk eenvoudiger dan die van de cliënt.

Cliëntenorganisaties ondervangen dergelijke problemen niet. Zodra zij geïnstitutionaliseerd zijn, worden zij onderdeel van de bureaucratie. Als op basis van onderkende behoeften bij de cliënten de invoering van een persoonsgebonden budget inzet van beleid is, dan ontkomt men er niet aan de organisatie van de zorg ingrijpend te veranderen: de structuur volgt de cultuur. Zo niet, dan kan het persoonsgebonden budget bijgezet worden in de kast met politiek interessante, maar niet realiseerbare ideeën.

BREDA Henk Kuijpers

Procesmonopolie

Wat mij in de discussie omtrent het opheffen van het procesmonopolie (De Volkskrant, 17 juli) steeds weer verbaast, is het argument dat de jurist in dienst van de rechtsbijstandverzekeraar niet objectief zou zijn en met het oog op de economische belangen van de werkgever al te snel zou schikken. Als gevolg zouden de belangen van de verzekerde geschaad kunnen worden. Even goed kan worden gesteld dat een advocaat met het oog op zijn financiële belangen een zaak niet schikt, teneinde zijn declaratie te kunnen opschroeven.

Of het opheffen van het procesmonopolie daadwerkelijk leidt tot de gewenste daling van het advocatentarief is natuurlijk de vraag, maar voor de rechtsbijstandbranche is het een zegen. Terwijl thans slechts 10 procent van de zaken moet worden uitbesteed aan de advocatuur, bedragen de daaraan verbonden kosten zo'n 50 procent van de totale uitgaven. Beheersing van deze kosten kan weer leiden tot het aanbieden van een nog aantrekkelijker rechtsbijstandprodukt. De verzekerde krijgt nog meer waar voor zijn geld en de maatschappij kan eindelijk die winst genereren die haar toekomt, in plaats van deze af te dragen aan advocatenkantoren.

Een rechtsbijstandjurist is niet minder dan een advocaat, maar mag slechts minder. Het wordt tijd dat een leger uitstekend opgeleide rechtsbijstandjuristen zich op het thans verboden gebied mag begeven.

DEN HAAG Jeannet K. Bekhof

Meer over