GEACHTE REDACTIE: Bevrijd, maar niet van moffenhaat

We hebben zeker reden om de blijde dagen te herdenken waarop wij werden bevrijd van de nazi-terreur. De bevrijding van de vele gevangenen uit de kampen; van de toenemende druk waaraan wij tijdens de bezettingstijd werden blootgesteld; van de gruwelijkheden van de slagvelden en de strijd op zee....

Wanneer wij echter kennis nemen van de koele, soms zelfs vijandige wijze waarop onze joodse medeburgers werden ontvangen, van de openlijke antisemitische uitingen reeds vlak na de oorlog en nog steeds, van de botte opmerkingen van bijvoorbeeld voetbalsupporters jegens onze joodse en allochtone medeburgers, van de uitingen van zelfs heren van stand die op subtiele wijze in wezen pleiten voor 'eigen volk eerst', dan beseffen wij dat onze bevrijding toch eigenlijk zeer betrekkelijk is.

De nazi's zijn we dan wel kwijt, maar hun ideeën leven nog in te veel hoofden van ons - in wezen toch wel tolerante - volk voort.

ARNHEM Reinier Feis

Wachtkamer

Te kort in Dachau gezeten voor een uitkering. Tienduizenden doden gezien. Heeft zelfs mee lopen sjouwen.

Zijn tweede vrouw is ook joods, ook al haar familie. . .pfhtt (gebaar de lucht in). Gelukkig geen kinderen.

Binnenkort zullen de benen eraf moeten, te veel gerookt. Stopt niet met roken, hoeft geen tien jaar meer mee.

Een wachtkamergesprek van een paar minuten.

Bevrijd van wat eigenlijk?

GORINCHEM M.J.W. Vlot

Kanttekening

Ik ben dankbaar voor de felle reactie van M. Huibers (U-pagina, 29 april). Hij ageert tegen de stroom van uitspraken over het gedrag van Nederlanders ten opzichte van hun joodse medeburgers tijdens de Tweede Wereldoorlog, vrijwel steeds geuit door mensen die er zelf niet bij waren.

Het is treurig om te zien hoe journalisten die nooit enig noemenswaardig persoonlijk risico voor een medemens hebben gelopen, kritische kanttekeningen durven te plaatsen bij degenen die mensen herdenken die dat destijds wèl deden.

HEILOO T. de Groot

Een punt

Gisteren vierden we vijftig jaar bevrijding en de dag daarvoor hebben we even zoveel jaren de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog herdacht. Een mooi moment om hier voorgoed een punt achter te zetten.

Zolang we namelijk doorgaan met het herdenken van de gesneuvelde landgenoten, plus de viering van de bevrijding van het Duitse rijk, zullen onze kinderen blijvend worden 'volgelepeld' met een vanzelfsprekende anti-sympathie jegens onze oosterburen. Op deze manier zullen Duitsers en Nederlanders nooit in opperste harmonie kunnen samenleven.

Laten wij jaarlijks, in plaats van de huidige herdenkingsplechtigheden en bevrijdingsfeesten, een dag van de vrijheid vieren. Dat zou mooi op zo'n dag als vandaag kunnen.

GRONINGEN A. van der Meulen

De oorlog is voorbij

Herdenking hier. Herdenking daar. Kom op, vier vrijheid! Dat hoor je nu het hele jaar al. En ik ben het spuugzat.

Oké, Nederland is bevrijd, fijn! Maar moeten we dat dan het hele jaar horen? Kan dat niet beperkt worden tot 5 mei, de bevrijdingsdag? Men zou het geld van al die herdenkingen beter kunnen gebruiken om de mensen te helpen die dat geld echt nodig hebben.

Ik zeg niet dat je de oorlog moet vergeten, dat nooit. En ik zeg ook niet dat de oorlog niet erg was. Ik ga niet voor niets binnenkort naar Auschwitz. Het is goed om bij zulke gebeurtenissen stil te staan.

Maar het is nog beter om stil te staan bij wat nu gebeurt. Want de oorlog is voorbij en daar kan je niets meer aan veranderen. Het leed is geleden. Maar op dit moment lijden ook veel mensen. Daar kan wel wat aan veranderen.

Ik heb ook een hekel aan mensen die een hekel hebben aan Duitsers. Want de Duitsers van toen zijn bijna allemaal dood. En de nakomelingen kun je niet beschuldigen, want zij hebben niets gedaan. De Duitsers zijn net zo 'goed' als wij. Wij gaan zelf toch ook liever op vakantie dan geld voor een goed doel te storten!

NIEUWEGEIN Hannie Blokzijl

(16 jaar)

Buren

Het is vijftig jaar na dato en dus zitten we wat de verhouding met onze oosterburen betreft zo ongeveer in de overgang. De opvliegers van anti-Duitse gevoelens hebben volgens mij meer met opspelende hormonen te maken dan met oorlog (of voetbal). Nòg beter kun je onze verhouding met de Duitsers vergelijken met een ordinaire burenruzie.

Natuurlijk hebben we zoveel ruzie met de Duitsers: het zijn onze enige buren. Want zeg nou zelf: de Belgen tellen toch niet mee; de ene helft is familie en de andere helft is aangetrouwd. Bovendien leven ze gescheiden van tafel en bed.

Dus vechten we al onze ruzies uit met de Duitsers. Dat onze buren rijker zijn, een groter huis hebben en meer lawaai maken (ze zijn ook met meer thuis) is voor ons aanleiding tot afgunst en ergernis.

Nu kunnen we twee dingen doen: ons heil zoeken bij de overburen, de Engelsen, of ons meer met onze naaste buren bemoeien. Daarbij moeten we ons wel realiseren dat wij niet hun enige buren zijn. Bovendien is ook nog eens een teruggekeerde familie komen inwonen, dus het huis is toch al te klein.

Misschien krijgen we een betere verhouding met de buren als we een beetje bescheidener zijn. Want laten we eerlijk zijn: wij hebben hen harder nodig dan zij ons.

ARNHEM Gerard Herbers

Ambivalent

In het zichzelf tolerant noemende Nederland doet zich een merkwaardig fenomeen voor: een diepgewortelde haat tegen het Duitse volk. Deze collectieve minachting voor onze oosterburen kan niet uit de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog worden verklaard. Iedereen die vijftig jaar of jonger is heeft geen enkele ervaring met de bezetting. De oorlog is geen oorzaak, maar de stok waarmee de naoorlogse generaties bij tijd en wijle de Duitse buur slaan.

Wat ons er met name toe brengt ons zo af te zetten, is de enorme afhankelijkheid van Duitsland die zich na de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld. Economisch is Nederland niet meer dan een Duitse deelstaat. Het kan niet toevallig zijn dat de natie van koopmannen juist tegen haar grootste handelspartner ageert. Deze ambivalentie is het essentiële kenmerk van de Nederlandse houding.

Het is zeer hypocriet om aan onze stranden en andere attracties te verdienen en vervolgens dezelfde personen met onze moffenhaat te confronteren. In een natie waar het koningshuis van Duitse afkomst is en het volk de Oranjes op handen draagt, moet een verbetering mogelijk zijn. De ironie van onze ambivalentie wil dat een van nationalisme bol staande Kuip bij iedere wedstrijd van het Nederlandse elftal weer zingt. . . 'ben ik van Duitse bloed'.

We zullen moeten erkennen dat het zogenaamde Duits-Nederlandse probleem een exponent van de huidige Nederlandse identiteit is. Dit betekent ook een open en eerlijke houding ten opzicht van Duitsland, dat al vijftig jaar bewijst een goede buur te zijn.

ROTTERDAM Giel van Strien

Welwillend

Jacobus Delwaide heeft nogal wat te melden over wat hij 'het Nederlandse probleem' noemt (Forum, 2 mei). Hij neemt geen blad voor de mond, maar per saldo komt het toch allemaal neer op het napraten van overbekende onzin die in Nederland, op de politiek correcte sociëteit, al jaren door iedereen wordt nagepraat.

Met vereende krachten komen ze nu tot een 'trauma-neurose' en een 'oorlogsneurose', een mythe rond het 'oorlogsherdenken' en een 'verzetsmythe', tot 'diep ressentiment', 'ideaal-typische wrokkigheid' en 'diep beschermende oprispingen'. De overkoepelende rubriek is, naar het schijnt, 'chauvinisme'. En let wel: we hebben het over een 'breed maatschappelijk verschijnsel'.

Op twee punten ben ik het eens met Delwaide. Ik vind ook dat in Duitsland veel verdienstelijk werk is gedaan onder de noemer Vergangenheitsbewëaltigung, al is het natuurlijk belachelijk om die verdienste toe te rekenen aan de Duitse 'staat'. Het tweede punt betreft de Bewältigung van ons Indisch verleden. Het is zeer pijnlijk om mee te maken hoe iedere poging om daar iets aan te doen met lugubere zekerheid doodloopt op arrogantie en desinteresse. We hebben juist weer een ronde achter ons.

Maar vervolgens beweert Delwaide: 'Nederlanders doen vaak alsof ze een monopolie hebben op een oorlogstrauma. Maar iedereen weet natuurlijk dat Russen of Polen ontiegelijk veel meer hebben geleden.' Ja, iedereen weet dat. Waaruit blijkt dat Nederlanders het niet weten? En hoe 'doe' je eigenlijk alsof je een monopolie hebt op een trauma?

Delwaide citeert het nimmer dwalende politieke licht Paul Scheffer, die ons het voorbeeld voorhoudt van de Polen 'die zoveel meer hebben geleden onder de Duitse bezetting en het toch hebben opgebracht de Duitse president uit te nodigen bij de herdenking van de mislukte opstand in Warschau in 1944'. Hier lijkt een welwillende houding tegenover Duitsland te worden verheven tot maatstaf voor morele volwassenheid.

Ik geef toe dat ik die welwillende houding tegenover Duitsland niet kan delen. Nee, het spijt me, ik ben bang voor de Duitsers, al hebben ze ons nog zoveel te bieden. In het laatste hoofdstuk van Sebastian Haffners Von Bismarck zu Hitler (1987) overheerst de opluchting dat in 1945 niet alleen een einde kwam aan de nachtmerrie van het Derde Rijk, maar ook aan de boze droom van de 'Duitse eenheid'.

Op Clingendael zullen ze wel vinden dat de gebeurtenissen van 1989 de oude meester 'ongelijk' hebben gegeven, maar voor sommigen van ons is toen de opluchting overgegaan in onbestemde onrust. Een onrust die niet minder wordt als we Van Mierlo horen spreken over Duitsland als 'een land van nu, dat zich met grote kracht op de toekomst wil richten'. Daar waren wij namelijk al bang voor.

TILBURG D. Betlem

Meer over