Gaza, nog niet veel meer dan een 'getto met zeezicht'

De Palestijnen hebben hun nationale elftal, vlag, volkslied en zelfs een internationaal vliegveld. Maar de onafhankelijke staat Palestina laat nog op zich wachten....

Voor veel Palestijnen zijn de voetballers van hun nationale team net zo bekend als Yasser Arafat. De Palestijnse Voetbalbond werd in 1998 door de FIFA erkend. Het is slechts een van de symbolen van de staat-in-wording. Een eigen voetbalteam, een vlag, een volkslied, een internationaal vliegveld, een aandelenbeurs en een telefoonmaatschappij kunnen echter niet verhelen dat de onafhankelijke staat Palestina op zich laat wachten, ontelbare aankondigingen van Yasser Arafat ten spijt.

De lotgevallen van de voetballers zijn illustratief voor de problemen waarmee de Palestijnen te kampen hebben sinds de befaamde Oslo-akkoorden uit de jaren negentig, die hen beperkt zelfbestuur opleverden. Teamgenoten uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever konden niet met elkaar oefenen, omdat ze van de Israeli's geen toestemming kregen van het ene naar het andere gebied te gaan.

De reismogelijkheden voor hen en andere Palestijnen zijn ietwat verbeterd sinds eind vorig jaar een zogeheten veilige route tussen Gaza en de Westelijke Jordaanoever in gebruik werd genomen. Maar het zijn nog steeds de Israëlische autoriteiten die bepalen wie wel en niet mogen reizen tussen de 'reservaten en thuislanden', zoals de bekende Arabische auteur Edward Said niet lang na de Oslo-akkoorden de lappendeken van (semi)autonome Palestijnse steden en dorpen in bezet gebied noemde. De inwoners van het door Israël streng bewaakte Gaza noemen hun gebied, dat net zo dicht bevolkt is als Manhattan, 'een grote gevangenis'. Anderen spreken over een 'getto met zeezicht'.

De Oslo-akkoorden hebben het leven van de Palestijnen er niet eenvoudiger op gemaakt. Integendeel. De meesten van de circa drie miljoen Palestijnen werden er in economisch opzicht alleen maar slechter van.

Volgens het Internationaal Monetair Fonds is het inkomen per hoofd van de bevolking met ruim 20 procent gedaald. De armoede is volgens een recent rapport van de Wereldbank vergelijkbaar met die in landen als Ghana, Vietnam en Nicaragua. Weliswaar ligt het gemiddeld inkomen hoger dan in die landen, maar de Palestijnse consument is grotendeels aangewezen op dure Israëlische producten. Ze betalen dezelfde prijzen als Israëli's, die tienmaal zoveel verdienen.

De Israëlische export naar de Palestijnse gebieden (Israëls belangrijkste afzetgebied, behalve voor diamanten) bedraagt een kleine vier miljard gulden per jaar. De Israëli's importeren voor een schamele 250 miljoen gulden.

Slechts zo'n honderdduizend Palestijnen mogen in Israël werken. Na de Oslo-akkoorden haalde Israël op grote schaal werknemers binnen uit landen als Thailand, de Filipijnen en Roemenië. Herhaaldelijk werden de Palestijnse gebieden hermetisch afgesloten, 'om veiligheidsredenen'. De economische malaise in de Palestijnse gebieden, vooral in Gazastrook, leidde tot uitwassen zoals kinderarbeid.

De Palestijnen koesteren momenteel hoge verwachtingen van een zeehaven in de Gazastrook. Het project stond al vermeld in de Oslo-akkoorden, en met name Nederland was er als de kippen bij om geld ter beschikking te stellen. Pas een paar weken geleden werd een daadwerkelijk begin gemaakt met de bouw van de haven, door de Palestijnse autoriteiten bejubeld als een motor voor de economie en een teken van soevereiniteit.

Wat dat laatste betreft zijn ze bedrogen uitgekomen met de fraaie nieuwe luchthaven, vlak bij de Egyptische grens. Daar houdt Israëlisch veiligheidspersoneel in de gaten wie en wat de Gazastrook binnenkomt. Zelfs de Palestijnse leider Arafat heeft toestemming nodig om er te landen.

Het is niet alleen aan de Israëli's te wijten dat zoveel Palestijnen (ruim 30 procent in de Gazastrook, bijna 15 procent op de Westelijke Jordaanoever) in armoede leven. De Palestijnse Autoriteit onder leiding van Arafat stak veel geld in prestigieuze projecten, zoals een casino in Jericho. Weliswaar levert de goklust van de overwegend Israëlische bezoekers de Palestijnen een lieve duit op, maar het is volstrekt onduidelijk in hoeverre de bevolking daarvan profiteert.

De Palestijnse Autoriteit staat niet bekend om openheid. Parlementariërs hebben de grootste moeite om te achterhalen wat er gebeurt met het overheidsbudget, dat overigens goeddeels door buitenlandse donoren bijeengebracht wordt.

Het Palestijnse parlement, ofschoon gekozen door het volk, heeft vooral een symbolische functie. Arafat bepaalt of en wanneer wetgeving van kracht wordt. Volgens een parlementslid is hier sprake van een 'kinderziekte', van gebrek aan ervaring onder de 88 parlementsleden. 'Toen we nog strijders waren in Libanon, maakten we ons niet druk om belastingen, werkgelegenheid en infrastructuur.'

Niet iedereen is zo mild. Hanan Ashrawi, sinds jaar en dag de welbespraakte woordvoerster van 'de Palestijnse zaak' stapte uit het kabinet, uit onvrede over de dwingelandij van Arafat. Ook andere prominente Palestijnen gaven er de brui aan, omdat Arafat zich gedraagt als de zoveelste despoot in de Arabische wereld. Openbaar aanklager Fayez Abu Rahmed voelde zich zozeer gedwarsboomd door Arafat en de zijnen dat hij het al snel voor gezien hield.

Een steen des aanstoots voor Palestijnse mensenrechtenorganisaties is het Staatsveiligheidshof, in feite een militair tribunaal dat op geen enkele wet steunt. Alleen de Israëli's zijn er blij mee. Ruim een week geleden veroordeelde het een beruchte aanhanger van de fundamentalistische Hamas-beweging tot twaalf jaar cel. De man wist kort tevoren te ontkomen aan arrestatie door een Israëlische militaire eenheid, die bij die actie drie mensen verloor toen ze door hun eigen kameraden onder vuur werden genomen.

Israëlische en Palestijnse inlichtingen- en veiligheidsdiensten werken niet zelden samen om terreurdaden door tegenstanders van het vredesproces te voorkomen. Zachtzinnig gaan de Palestijnen niet te werk, of het nu gaat om 'politieke' criminelen of om 'gewone' misdadigers. Een paar keer liet Arafat de doodstraf voltrekken. Het brute regime in Palestijnse gevangenissen kostte al meer dan twintig mensen het leven.

Ook dat valt in de categorie kinderziektes, volgens een officier van de machtige veiligheidsdienst in Gaza. 'Dit is Zweden niet.' Arafat heeft niet minder dan veertien politie-en veiligheidsdiensten in het leven geroepen, die tesamen 40 procent van het overheidsapparaat vormen.

De meeste ministeries zijn gevestigd in Ramallah, de 'provisorische hoofdstad' nabij de gedroomde hoofdstad, Jeruzalem. In Abu Dis, een dorp dat aan Jeruzalem grenst, is een parlementsgebouw zo goed als klaar. Officieel heet het een centrum voor culturele en commerciële doeleinden. Maar opzichters op de bouwplaats grijnzen veelbetekend naar degene die het woord parlement laat vallen.

Het meest voortvarende ministerie is dat van Telecommunicatie. In 1995 richtte het met een groep privébedrijven de Palestijnse maatschappij voor telecommunicatie op. De jaarverslagen worden uitgedrukt in Jordaanse dinar, maar de Palestijnen kopen een telefoonkaart met een afbeelding van Jeruzalem gewoon met Israëlische shekel. Hetzelfde geldt voor postzegels met het portret van Arafat. Sinds kort weigert de post wel brieven met Hebreewse letters op de envelop te bezorgen.

Actief is ook het ministerie van Informatie. Helaas niet zelden om de media aan banden te leggen, bijvoorbeeld door het (tijdelijk) sluiten van kranten of het weigeren dan wel intrekken van een vergunning voor een radiostation. Arafat heeft daartoe een speciaal decreet uitgevaardigd, dat ernstig afbreuk doet aan de wet op de vrijheid van meningsuiting.

Een ministerie van Buitenlandse Zaken is er nog niet, maar minister Nabil Sha'ath van Planning en Internationale Samenwerking staat te trappelen om leiding te geven aan zo'n departement. In augustus begon in Gaza een intensieve training van twee dozijn Palestijnse consuls-generaal in den vreemde. 'Het tijdstip is niet toevallig gekozen. We maken ons op voor de spoedige soevereiniteit van de Palestijnse staat', zei een van de diplomatieke leerkrachten.

Een kleine twintig landen, waaronder Nederland, hebben een officiële vertegenwoordiging in Palestijns gebied. Ambassades mogen die niet heten. Maar op menige diplomatieke post wordt de mankracht al versterkt met het oog op een onafhankelijke Palestijnse staat. Een ministaat, als die op dit moment zou worden uitgeroepen. Circa 40 procent van Gaza en de Westelijke Jordaanoever staat onder het gezag van Arafat, geheel of gedeeltelijk .

Keer op keer heeft Arafat zijn volk verzekerd dat in het jaar 2000 de langverbeide zelfstandige staat Palestina er komt. Voor ten minste elf Palestijnen is een ander jaar veel belangrijker. Het nationale voetbalteam heeft het oog vooral gericht op 2002, wanneer de wereldkampioenschappen plaatsvinden.

De Palestijnen zijn voor de kwalificatiewedstrijden ingedeeld in een groep met Qatar, Maleisië en Hong Kong. Bij de opening van een gloednieuw stadium in Gaza verloren ze dit voorjaar met 2-1 van een Egyptische ploeg. De Palestijnen hebben de suggestie van enkele internationale voetbalbonzen voor een oefenwedstrijd tegen Israël resoluut van de hand gewezen. De trainer van het Palestijnse team is overigens een Israëli van Arabische afkomst.

Meer over