Gaten boren in een pudding van angst

A.L. Snijders publiceerde vorig jaar een bundel met 337 superieure, zeer korte verhalen, waarin geen woord te veel stond. De bundel oudere stukjes die hij nu laat volgen, is aanzienlijk wijdlopiger....

Kees Fens

Een bindend advies is onmogelijk. In welke volgorde lees je de boeken van een schrijver? Chronologie schept alleen maar onzekerheden: sommige auteurs groeien vanaf hun debuut, anderen worden kleiner. Geluk om de groei is mooi, teleurstelling om de neergang moeilijk te verdragen.

Toen ik Vestdijk begon te lezen, schreef hij al zo’n vijftien jaar. Later ontdekte ik dat de beste jaren waren. Mijn bewondering voor veel van het latere werk kreeg adem van mijn zeer grote bewondering voor het vroegere. Kouwenaar schreef zijn allerbeste gedichten de laatste vijfentwintig jaar, Achterbergs grootheid zijn zijn laatste bundels. Sommige schrijvers lijken hun vroege werk in het latere weg te schrijven, anderen houden het beste door het latere slechtere in stand. Het is me wat of altijd wat. Alleen de themaverklaarders in de literatuurgeschiedenis hebben er weinig last van.

Van A.L. Snijders verscheen vorig jaar de omvangrijke bundel Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er stonden 337 zeer korte verhalen in, voor tweederde meesterstukjes, waar geen woord uit gemist kon worden. (Een ervaring die iedere lezer bij het werk van Elsschot kent, bij Nescio evenzeer. Dan heb je het wel gehad.)

Het ging om verhalen, essays, beschouwingen, herinneringen. Ik gebruik geen verkleinwoorden, want het superieure kleine is groot. Gesloten werelden waren de prozastukken. Geen benadering van buitenaf, ter inleiding, geen uitleiding als een vorm van terugkeer, geen explicietheid, die zeurkant van de literatuur. Het begon direct en eindigde precies met de juiste zin. In de rubriek Vrijplaats op de pagina Voorkant van deze krant heeft Snijders enkele weken dagelijks een zeer kort verhaal gepubliceerd. De verhalen deden niet onder voor die uit het boek (de titel daarvan is overigens opvallend lang).

In het begin van de jaren negentig publiceerde Snijders (een pseudoniem, zijn ware naam is Peter Müller, geboren in 1937, tot zijn pensioen leraar Nederlands) wekelijks in het Deventer Dagblad en gelijktijdig in enkele andere provinciale kranten een column van circa achthonderd woorden met veel ervaringen van de dag – hij was leraar aan een politieschool – herinneringen, speels verwoorde theorieën en blijken van zijn belezenheid (en literaire voorkeuren). Aangename lectuur.

In 1992 werden de columns in twee delen gebundeld door Thomas Rap, onder de titels: Ik leef aan de rand van de wereld en Het kalme glijden van de boot naar de waterval. Het ongewone was dat Snijders bij elke column de brief aan de hoofdredacteur voegde die zijn stukje begeleidde. Eén halen, twee verhalen dus. (De hoofdredacteur heeft overigens op bijna geen enkele brief gereageerd; we naderen bij Snijders dus de grens van de heldhaftigheid.)

De twee delen zijn nu in één band bijeengebracht onder de titel Heimelijke vreugde. Snijders is iemand vol binnenpret, dat maken de stukken wel duidelijk, met stil plezier in een dorp in de Achterhoek levend, op de rand van de wereld, zoals hij ook een rand-karakter heeft (en met Thomas Rap indertijd een rand-uitgever). Hij hoort nergens bij, tot zijn vreugde. Misschien bij de varkens die hij houdt en waarover hij heel mooi schrijft.

Heimelijke vreugde is best een aardig boek, met veel geouwehoer waar Gods zegen op zal rusten, maar, nu komt het: de auteur heeft het met zijn Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk vernietigd of op zijn minst toch gedegradeerd. De stukken zijn te wijdlopig, de auteur schrijft zich te veel in, de taal is helder als in het latere werk, maar gebruikt te veel woorden. Wie de zeer korte verhalen kent, leest hier journalistiek, geen literatuur.

Er zitten – achteraf natuurlijk, en dat is als altijd makkelijk praten – stukken in die de latere schrijver Snijders half en half zichtbaar maken. Ze staan meestal midden in een column, tussen in- en uitleiding. Een prachtig voorbeeld is Vlees, dat eigenlijk pas goed begint op de tweede pagina, waar de spuitbustekst ‘Vlees is leed’ zichtbaar wordt (natuurlijk is er vanuit die tekst een verband te leggen met een gegeven uit het eerste deel van het stuk, maar alleen via een wat omslachtige gedachte).

Wie wil, kan zeggen dat Snijders zich in het boek met columns, juist door zijn explicietheid, niet houdt aan wat de titel van zijn boek met zeer korte verhalen zal worden. Ook elders in het boek aanzetten tot later te over. Had Snijders vorig jaar maar niet zo’n goed boek geschreven, dat als elk zeer goed boek een tweede debuut is.

Ergens in een column schrijft Snijders dat hij graag brieven schrijft (vandaar ook de eenzijdige correspondentie met de hoofdredacteur). Zijn stijl in Heimelijk vreugde is er naar en hij denkt voortdurend aan de lezers. Ik geloof dat die wijdlopige briefstijl van de columns scherper zichtbaar wordt door de bijgevoegde brieven aan de hoofdredacteur. Die brieven zijn veel minder interessant, brokkeliger ook, dan de columns. Ik geloof dat de dubbelopvoering geen gelukkige gedachte was.

Wat zou ik graag de column Klassieke talen tot een zeer kort verhaal herschapen hebben gezien. Met behoud van dit stukje, een der mooiste in het boek (Snijders zit op het Spinozalyceum in Amsterdam, in een verstikkende buurt, in de troosteloze jaren vijftig, met veel angst voor repetities, zijn leraar Latijn heet Willems):

‘Maar Willems boorde gaten in die pudding van angst. Hij vertelde ons dat we ons bij de mens moesten houden (hij was humanist), dat het christendom een verderfelijke ideologie was en dat we naar Schubert moesten luisteren. Aan zo’n leraar heb je wat, meer is er eigenlijk niet te vertellen.’

Zo hoort het.

Meer over