Interview

Gaat het ondersteuningsteam kinderen terugbrengen naar hun toeslagenouders?

Al zeven jaar leven ze zonder hun twee dochters. Gerda en Jurgen zijn twee van de toeslagenouders van wie hun kinderen uit huis zijn geplaatst. Een speciaal ondersteuningsteam moet hen nu gaan helpen. Maar Gerda en Jurgen vertrouwen het niet.

Charlotte Huisman
Jurgen en Gerda Deceuninck vechten voor de terugkeer van hun twee dochters naar huis. Beeld Harry Cock / de Volkskrant
Jurgen en Gerda Deceuninck vechten voor de terugkeer van hun twee dochters naar huis.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Hoe Jurgen en Gerda Deceuninck als gedupeerden in de toeslagenaffaire al vele jaren vruchteloos strijden om hun dochters Nora (7) en Zoe (8) terug te krijgen, dat verhaal blijven ze vertellen in de media, van RTV Drenthe tot De Hofbar op de nationale televisie. Maar bij het speciale landelijk ondersteuningsteam dat er sinds vorige week is voor ouders zoals zij, zul je ze niet zien.

‘Dat steunpunt is vast niet onafhankelijk’, zegt Jurgen (43) – zijn toon is gedecideerd. ‘Ik praat helaas uit jarenlange ervaring.’

Gerda (44), fel: ‘Waarom zouden wij met de daders van staatsontvoeringen aan tafel gaan zitten?’

Jurgen: ‘Ik ben bang dat je er alleen een aai over de bol krijgt. Van: leer er maar mee leven.’

Na de financiële compensatieregeling voor ouders die ten onrechte door de Belastingdienst als fraudeurs zijn behandeld, richt de overheid zich nu specifiek op de gezinnen waarvan kinderen uit huis zijn geplaatst in de tijd dat ze de Belastingdienst in hun nek hadden. Het probleem staat op de radar sinds de publicatie door het Centraal Bureau voor de Statistiek in oktober, dat tussen 2015 en 2020 zeker 1.115 kinderen van zogeheten toeslagenouders uit huis zijn geplaatst. Het precieze verband tussen die uithuisplaatsingen en de toeslagenaffaire is nog onderwerp van onderzoek.

Sindsdien klinkt het onder de ouders en hun sympathisanten dat die kinderen terug naar huis moeten. Maar dat is nog niet bij één kind gebeurd. Nu voor deze ouders een landelijk ‘ondersteuningsteam’ is opgetuigd en de richtlijn voor de ‘aanvaardbare termijnen’ voor terugplaatsing van uit huis geplaatste kinderen is versoepeld, is de grote vraag: hoeveel kinderen van toeslagenouders zullen met deze extra inspanningen weer naar huis gaan?

Knelpunt

Een belangrijke bottleneck: de gedupeerde ouders moeten zich wel eerst zelf kenbaar maken. Want de namen achter de CBS-cijfers mogen, vanwege privacywetgeving, niet uit de systemen worden geplukt. Tot nog toe hebben zich 55 ouders gemeld, zegt een woordvoerder van minister Franc Weerwind voor Rechtsbescherming. Onder wie ook ouders van wie de kinderen al zijn teruggeplaatst, of die helemaal niet worden gerekend tot de toeslagengedupeerden, zegt hij er bij. Onder hen zijn meer moeders dan vaders. Relatief veel komen uit de regio Rijnmond.

Een van die aangemelde ouders, een erkende toeslagengedupeerde, is inmiddels weer afgehaakt. De kinderen van deze 37-jarige moeder – ze wil niet met haar naam in de krant – zijn van 2015 tot 2017 uit huis geplaatst geweest. Ze hoopte van dit ondersteuningsteam erkenning te krijgen dat er pijnlijke fouten zijn gemaakt. Maar een eerste belletje stelde haar teleur. ‘Ik kreeg te horen dat ze alleen mijn verhaal zou optekenen, zodat de jeugdbescherming ervan zou kunnen leren.’

Hoe het ondersteuningsteam werkt, is al te zien in Rotterdam, waar net als in Almere de werkwijze vooraf is beproefd; met de kanttekening dat dit binnen de jeugdbeschermingsorganisaties zelf was, en niet met een team dat daar nadrukkelijk los van staat.

Beeldje en een Bijbel in het huis van  Jurgen en Gerda Deceuninck. Beeld Harry Cock / de Volkskrant
Beeldje en een Bijbel in het huis van Jurgen en Gerda Deceuninck.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Wat meteen opvalt: de jeugdbescherming heeft tot nog toe niet één advies aan de rechter teruggedraaid. Almere trekt daaruit de conclusie: zo’n ondersteuningsteam moet meer bevoegdheden krijgen om successen te kunnen boeken. Daarover spreekt de gemeente eind april met minister Weerwind.

De Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond ziet dit probleem niet. De organisatie had kort na de publicatie van de CBS-cijfers in oktober zelf een ondersteuningsteam binnen de eigen organisatie opgezet voor toeslagenouders onder haar cliënten; met onder meer jeugdbeschermers, een gedragswetenschapper en een jurist. Vijf van hen spreken met de Volkskrant, alleen de naam van hun coördinator mag worden vermeld. Ook jeugdbeschermers worden bedreigd, mede door de heftige emoties rond de toeslagenouders.

De Rotterdamse jeugdbeschermers vinden dat de discussie over de uit huis geplaatste kinderen is gepolariseerd. ‘Een cabaretier die spreekt van staatsontvoeringen, dat raakt ons’, zegt hun projectleider Douwe Kamer. Hij heeft er cabaretier Peter Pannekoek een mail over gestuurd. ‘Uit huis geplaatst kan bijvoorbeeld ook betekenen dat het kind bij de andere ouder woont, of bij opa en oma.’

Bovendien kloppen de genoemde aantallen niet. Van die 1.115 in die periode uit huis geplaatste kinderen, woonden er, op de laatste peildatum van het CBS, december 2020, nog zo’n 420 niet bij hun ouders. De meeste van de overige kinderen zouden inmiddels terug naar hun ouders zijn gegaan of 18 jaar zijn geworden.

Op zoek naar de kinderen

420 nog uit huis geplaatste kinderen is ook het aantal dat minister Weerwind noemt. Maar hoe vind je die?

In de regio Rotterdam betreft het zeventig kinderen. Via een rondvraag onder hun eigen jeugdbeschermers en via het gemeentelijke steunpunt voor toeslagenouders vond de jeugdbescherming uiteindelijk tien Rotterdamse toeslagenouders die vragen hebben over hun zaak, met gezamenlijk 27 kinderen, van wie een deel weer thuis woont.

Jeugdbeschermer Angeline voerde met een aantal van hen gesprekken. Vaak liepen de emoties hoog op, soms ook met stevige beschuldigingen. ‘Ze ervaren verdriet, woede en onmacht. Ze vinden dat de jeugdbescherming ze niet heeft gehoord toen wij de rechter adviseerden hun kind uit huis te plaatsen.’

Ze ligt wakker van de verhalen, zegt ze. ‘Er is deze toeslagenouders onrecht aangedaan. Buiten hun eigen schuld kwamen ze in problemen met geld en huisvesting. Soms konden ze daardoor ook de bezoekregeling niet goed nakomen.’

Een door hun dochters gemaakte tekening.  Beeld Harry Cock / de Volkskrant
Een door hun dochters gemaakte tekening.Beeld Harry Cock / de Volkskrant

Het is in deze discussie een mantra van de jeugdbescherming: ‘Schulden alleen zijn nooit een reden voor een uithuisplaatsing.’ In de dossiers tot nu toe zien de Rotterdamse jeugdbeschermers vaak ‘een opeenstapeling van problemen’. ‘Soms leiden schulden van de toeslagenaffaire bijvoorbeeld tot huiselijk geweld of psychische problemen’, zegt projectleider Kamer. ‘In andere gezinnen was voor die problemen met de Belastingdienst al wat aan de hand.’

Na die uitvoerige gesprekken en het doornemen van hun dossier heeft geen van die tien ouders middels het Rotterdamse ondersteuningsteam zijn kinderen teruggekregen. Wel werkt de jeugdbescherming nu voor een enkele ouder aan contactherstel met zijn kind.

Dat klinkt teleurstellend, maar zo ziet Kamer dat niet. Volgens hem zijn de gewekte verwachtingen irreëel, ‘namelijk dat situaties direct rechtzetten een haalbaar doel is’. Zulke verwachtingen, vreest hij, kunnen tot teleurstellingen leiden. ‘Het belang van het kind staat voor ons voorop. Het is ontzettend verdrietig maar de gevolgen van deze affaire zijn vaak niet terug te draaien. Wel kunnen we met de kennis van nu kritisch terugkijken op wat er is gebeurd. Kijken wat we op dit moment kunnen betekenen en lessen trekken.’

Om te zeggen dat ze steken hebben laten vallen of dat het anders had gekund, voor die conclusie vinden de Rotterdamse jeugdbeschermers het nog te vroeg: ze hebben daarvoor nog te weinig dossiers gezien. Kamer: ‘We hopen dat zich meer ouders melden voor een completer beeld.’

Het vertrouwen van ouders

Ook andere jeugdbeschermingsorganisaties hebben veel moeite om de ouders te vinden die het betreft. ‘Ik heb er grote twijfels over of we op deze manier de gezinnen gaan vinden’, zegt bestuurder Rinda den Besten van Jeugdbescherming Brabant. ‘Deze mensen zijn de vernieling in geholpen en dan verwacht je dat die zich gaan melden bij de instanties. Als we echt willen weten wat er is gebeurd, om te kunnen reflecteren, ook op onze eigen rol, moeten we er actiever op af. Anders gaan we maar een fractie van de ouders zien, vrees ik.’

Gerda Deceuninck  Beeld Harry Cock / de Volkskrant
Gerda DeceuninckBeeld Harry Cock / de Volkskrant

Want de afkeer van die instanties zit diep bij veel ouders zoals Jurgen en Gerda Deceuninck uit het Drentse Pesse. Hun lijdensweg begon, vertellen ze, in 2014: toen de Belastingdienst 25 duizend euro kinderopvangtoeslag terugvorderde die Gerda had ontvangen voor een zoon uit een eerdere relatie. Vervolgens stapelden de problemen zich op. Ze verloren hun huis en Gerda was door een stevige burn-out zo apathisch, dat ze even niet voor hun kinderen kon zorgen. Haar man kon het gat niet opvangen en zo besloten ze toen zelf dat het beter was dat hun dochters tijdelijk elders gingen wonen.

De afspraak was dat dit voor zes weken zou zijn. Maar de terugplaatsing kwam niet op gang. Voor ze het wisten, was volgens de rechter de zogeheten ‘aanvaardbare termijn’ verstreken waarbinnen de kinderen naar hun ouders terug konden.

De Deceunincks zijn zeker niet de enige toeslagenouders die volgens Kristie Rongen, voorvrouw van de gedupeerden, weinig vertrouwen hebben in het nieuwe ondersteuningsteam. ‘Ouders zien er tegenop voor de zoveelste keer hun verhaal te doen bij een steunpunt dat vervolgens, denken ze, niet veel voor elkaar krijgt.’ Daarbij weten veel ouders die het betreffen niet dat het bestaat. ‘Die zitten met hun problemen op hun eigen eilandje.’

De focus van jeugdbescherming

Jeugdzorgdeskundige Peter Dijkshoorn, adviseur van het landelijke ondersteuningsteam, weet daarentegen zeker: er gáán kinderen terug naar hun ouders. ‘Dat is nadrukkelijk de bedoeling, al zal het niet in alle gevallen mogelijk zijn. Als ik had gedacht dat dit team volkomen kansloos zou zijn, had ik er niet aan meegewerkt.’

De dertig zogenoemde procesbegeleiders van dit onafhankelijke ondersteuningsteam hebben de eerste gesprekken met de aangemelde ouders achter de rug. Er is budget om onafhankelijke psychologen en gedragswetenschappers nieuw onderzoek te laten doen. ‘Dan kan zo’n begeleider bij de jeugdbescherming aandringen op aanpassing van het advies.’

Maar daar wringt het: het ondersteuningsteam heeft geen juridische doorzettingsmacht. Veel ouders hopen dat eerder genomen genomen beslissingen over hun kinderen worden teruggedraaid. Maar in deze constructie kan dat niet zomaar.

De kinderen kunnen alleen terugkomen via de geijkte juridische weg: met een advies daartoe van de jeugdbescherming aan de rechter. De bal ligt dus bij jeugdbeschermingsorganisaties die – de naam zegt het al – vooral zijn gefocust op het belang van het kind. Dat kan nogal wringen met wat ouders willen.

Hoe langer een kind bijvoorbeeld in een pleeggezin zit, hoe kleiner de kans dat het weer terug kan naar huis. Ook een karige bezoekregeling maakt terugkeer lastiger, als kinderen niet meer gewend zijn aan hun ouders.

Daarom waarschuwt Nathalie Kramers, bestuurder van Jeugdbescherming Noord, voor te hooggespannen verwachtingen. Als die niet kunnen worden waargemaakt, zou dat tot frustraties kunnen leiden. ‘Het is niet zo dat wat eerst gezien werd als een onveilige situatie voor een kind, nu opeens het stempel veilig krijgt omdat het over de toeslagenaffaire gaat. De toetsing wordt niet anders, er gaat nu niet opeens van alles worden teruggedraaid. Het belang van de kinderen staat voorop.’

Tijd voor hun dochters

Toch zullen veel ouders altijd blijven hopen. Zo ook Gerda en Jurgen Deceuninck, die al zeven jaar lijden onder het gemis van hun twee dochters. Hun kinderen wonen vanaf zo’n prille leeftijd in een pleeggezin dat ze nauwelijks nog herinneringen hebben aan hun oorspronkelijke ouderlijk huis. Eens in de vier weken zien ze hun twee dochters twee uur, onder begeleiding. Het doet ze pijn dat de twee meisjes ze geen papa en mama meer noemen, maar, gewoon, Gerda en Jurgen.

Dat ze nu al weer sinds 2018 op dezelfde plek wonen, in een bungalowpark, ze krijgen er hun kinderen niet mee terug. ‘Onze gezondheid is er door kapotgegaan’, zegt Jurgen.

 Jurgen Deceuninck  Beeld Harry Cock / de Volkskrant
Jurgen DeceuninckBeeld Harry Cock / de Volkskrant

De Raad voor de Kinderbescherming merkt op dat de jeugdbescherming ‘de ouders meer ziet als een bron van onrust in plaats van ouders van de kinderen, die over en weer een band met elkaar hebben en willen houden’. In een onderzoek van vorig jaar naar hun zaak, voor een mogelijke uitbreiding van die bezoekregeling van ouders en kinderen, beschrijft de Raad hoe het zo heeft kunnen lopen nadat de Deceunincks hun kinderen in oktober voor enkele weken vrijwillig uit huis hadden laten plaatsen. Dat in augustus 2015 bleek dat de ouders ‘aan alle opdrachten gericht op terugplaatsing hadden gewerkt’, maar dat onder anderen door vakanties, de hulpverlening het traject voor terugplaatsing op de lange baan had geschoven.

In 2016 beëindigde de rechter het gezag van de ouders, vanwege het verstrijken van de aanvaardbare termijn. Een termijn waarvan de opstellers nu zeggen dat die te strikt is geïnterpreteerd.

De Raad voor de Kinderbescherming tekent op dat de kinderen aanvankelijk wat onrustig werden van de ontmoetingen met hun ouders. De laatste jaren gaat het veel beter. Daarom vindt de Kinderbescherming dat de omgangsregeling kan worden uitgebreid. Te beginnen met vier uur per maand, een verdubbeling.

De Deceunincks hebben net hun eerste langere ontmoeting achter de rug met hun twee dochters. ‘Ze glunderden’, zegt Jurgen. Hij hoopt dat zij snel hun kinderen vaker gaan zien. En dat hun dochters ze weer papa en mama gaan noemen. ‘Lariekoek’, noemt hij de theorie dat kinderen zich niet meer zouden kunnen hechten aan hun biologische ouders vanwege de verstreken tijd.

Hun einddoel blijft hun kinderen terug te krijgen. Ook willen ze andere ouders ondersteunen, die in een vergelijkbare situatie verkeren. ‘Desnoods procederen we door tot het Europese Hof.’

Ondertussen denken ze toch dat ze contact zullen opnemen met het speciale landelijk ondersteuningsteam, voor henzelf maar vooral ook voor de toekomst van hun kinderen.

Meer over