Ga kijken, het is een prachtige wijk

Hoe vergaat het de buurt nu de staat zich heeft teruggetrokken? Er vallen gaten in de gemeenschap. Een serie reportages over de maatschappelijke werkelijkheid na de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat....

TREURIG, treurig, denkt de bezoeker die in de Utrechtse Schaakwijk rondloopt en de kale rijen arbeidershuizen ziet. Treurig, denkt hij als het oog op een achterbalkon valt. Mijn God, wat klein! Als ik hier maar nooit hoef te wonen, denkt de bezoeker, rijdend langs de verticale radialen van flatwijken als Overvecht en Kanaleneiland.

Het zijn observaties en gevoelens die het goed doen onder degenen die een fraai grachtenpand bewonen, een leuk huisje in de binnenstad hebben of erbuiten, in het rivierenland, aan de dijk.

'Zo moet en zo mag je niet denken hoor', zegt stedenbouwkundige De Weerd van de Utrechtse dienst stadsontwikkeling. 'Je mag Kanaleneiland niet zo wegzetten. Ga kijken, het is een prachtige wijk'

Na een paar weken kijken, praten en luisteren in weinig populaire delen van Utrecht kunnen we hem alleen maar gelijk geven. Want wat is er mis met de eengezinswoning van het echtpaar Verbeek op Kanaleneiland? En geeft het pas om met verholen dédain te kijken naar de wijze waarop zij proberen hun leefomgeving netjes, aardig en veilig te houden?

Ja, er hangen Marokkaanse jongeren rond in Zuilen en Schaakwijk, maar mevrouw Prins gaat gewoon eens in de zoveel weken met een vuilniszak naar buiten en roept: 'Jongens, wie gaat er mee vuil ophalen?' En dan komen de Marokkaanse kinderen aangerend en pakken ze hun eigen chipszakjes op, waarna ze als beloning van mevrouw Prins een ijsje krijgen.

En op de thee bij de familie Abdelli, muntthee, dringt een heel ander gevoel zich op: goh, wat een ruime flat eigenlijk. En goh, wat moeilijk zal het zijn om je opgroeiende zoons bij die drugsdealers weg te houden. De familie Abdelli doet er alles aan om lawaai en ergerlijk gedrag van de buurtkinderen in toom te houden.

Pijnlijk is het om te horen als zoon Braham vertelt dat hij zijn kinderen graag wil laten integreren, maar dat er bij hem geen Nederlandse kinderen meer op school zitten. 'Wij kunnen van Nederlandse ouders leren dat je kind om acht uur op bed moet liggen en niet op straat moet spelen.'

Er zit meer leven, meer wilskracht en samenleving in zulke wijken dan oppervlakkige observatie doet vermoeden. Het zijn gemakzuchtige, semi-intellectuele conclusies om te spreken over getto's in opkomst. Niet dat er geen problemen zijn, integendeel, maar telkens weer duiken er mensen en initiatieven op om een oplossing te zoeken. Geen wijk zo grauw, of er staat wel een buurtcomité op, de gemeente besluit tot renovatie, bewoners tot een leefregelproject.

Wel moet het eerst goed misgaan, wil er actie worden ondernomen. Begin jaren tachtig werd onder druk van een stagnerende economie het mes gezet in de verzorgingsstaat. Die geitenwollensokkenwerkers, wat hadden die eigenlijk voor nut? Het werd een vraag die je zonder blozen kon stellen. De emancipatoren van het volk werden de risees van het no-nonsense-tijdperk.

Achteraf zijn jongerenwerkers, onderzoekers, politie en politiek het erover eens dat het hakwerk van die tijd niet alleen nadelige, maar ook gunstige effecten heeft gehad voor de verzorgingsstaat. Maar pas nadat de verloedering omstreeks 1990 in veel wijken zeer bedenkelijke vormen had aangenomen.

Individuele welzijnswerkers en politieagenten zagen al vóór 1990 dat er wat moest gebeuren. Ze braken uit hun afgebakende structuren. Hoon was zijn deel toen wijkagent B. de Vries midden jaren tachtig op Hoog-Catharijne jonge zwervers onder de douche zette en hun haren ging knippen. Dat was toch geen politiewerk!

Dergelijke initiatieven bleken de opmaat naar het oplossingsgerichte en onorthodoxe denken dat vanaf 1990 geleidelijk tot de verschillende instanties is doorgedrongen. Het langs elkaar heen werken moest afgelopen zijn. Coördinatie en projectmatig denken zijn codewoorden in het hedendaags welzijnswerk in Utrecht, en op al die plaatsen waar sociale vernieuwing van de grond is gekomen. In 'wijkregiegroepen' gebruiken politie, opbouwwerk, scholen en bewoners elkaars kennis en instrumenten om de problemen aan te pakken.

Tegelijkertijd dreigt de zweep van de markt. Er moeten resultaten worden geboekt, anders wordt het project gestopt. De gemeente inventariseert problemen. De welzijnsstichtingen in de wijk moeten offertes maken, waarin ze aangeven hoeveel uur en welke middelen nodig zijn om het probleem aan te pakken. En de jongeren- en opbouwwerkers op hun beurt turven zich suf om al hun uren in codes te verantwoorden.

Op zichzelf is vrijwel iedereen positief over het resultaatgerichte denken, maar nu al blijkt dat het nieuwe systeem onbedoelde gaten kan creëren. Er ontstaat een neiging om de moeilijkste probleemjongeren links te laten liggen, want met hen kan niet worden gescoord.

Welzijnsmanager G. Jongetjes: 'Met bestaand geld kan veel worden gedaan, maar voor de moeilijkste gevallen is meer nodig. We zijn niet alleen een verzorgingsstaat, maar ook een beheersingsstaat. Komt dat extra geld er niet, dan moeten we ook de illusie laten varen dat we de zaak kunnen beheersen.'

Het streven naar kosteneffectiviteit roept ongewenst strategisch gedrag op. Een opbouwwerker: 'De lol van het vak was je vrijheid, je was er in de tijd dat de jongeren er waren. Dus niet 's ochtends vroeg, maar wel de hele avond. Nu moet je er op kantooruren zijn, dus ga je 's avonds denken: bekijk het maar.'

Misschien wel het voornaamste kenmerk van de hedendaagse samenleving is volgens prof. dr. K. Schuyt het verschijnsel van tegenstrijdigheid. In Utrecht bleek ons hoe vaak burgers tegengestelde verzoeken bij de overheid indienen. Niet zelden heeft een burger zelf al tegenstrijdige verlangens. Hij wil zijn auto kwijt, hij wil uitzicht, hij wil dat zijn kinderen op de stoep kunnen spelen, en er moet een plek voor de drollen van zijn hond zijn. Zelfs met al het intellect van de wereld kan een verzorgingsstaat geen adequaat antwoord bieden op zoveel tegenstrijdige verzoeken.

Het maatschappelijk middenveld blijkt voldoende morele rek, spirit en capaciteiten te hebben om zich uit het zelf gesponnen web van tegenstrijdige wensen te redden. Maar er blijft een grote groep over die het appèl op de zelfredzaamheid niet aankan. De zorg voor die groep kan niet worden afgewenteld op het middenveld.

Een steeds grotere groep mensen blijkt niet te kunnen meekomen in de op communicatie gerichte samenleving. Jongerenwerker Neeskens: 'Ik heb hier jongeren die niet in staat zijn een eenvoudig telefoongesprek te voeren. Als ze met de sociale dienst bellen, valt in zin twee het woord lul, daarna wordt het kankerlijer en vervolgens klinkt van de andere kant van de lijn het tuut-tuut-tuut. . .'

Meer over