Fuck Nijntje

OF WE HET NU leuk vinden of niet, sinds de mensen met elkaar hebben afgesproken dat bepaalde klanken een betekenis hebben, refereert poëzie aan de werkelijkheid....

Piet Gerbrandy

Doordat de wereld verandert, verandert de poëzie, maar dat wil gelukkig niet zeggen dat gedichten uit een andere tijd onleesbaar worden. Poëzie kan klassiek worden als ze verwijst naar universele waarden en begrippen, die minder aan erosie onderhevig zijn dan geld en vervoermiddelen. Een nadeel van klassieke poëzie kan echter zijn dat ze te afstandelijk, intellectueel en verheven is, waardoor ze jongeren, die immers gewend zijn aan een flitsend en vluchtig najagen van in duizelingwekkende vaart veranderende trends, niet meer aanspreekt. En dat zou jammer zijn, want ook de meest verstokte TMF-kijker kan gevoelig zijn voor beeldende taal.

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de laatste jaren veel wordt opgetreden door dichters die de jeugdcultuur in hun poëzie hebben geïncorporeerd. De Dichters uit Epibreren, Serge van Duijnhoven, Ruben van Gogh, Ingmar Heytze, allemaal maken ze, zij het op verschillende wijze, gebruik van beelden en woorden die aan het moderne leven zijn ontleend. En met succes, want velen komen naar hen luisteren. Daar kun je moeilijk bezwaar tegen hebben. Helaas blijft hun poëzie op papier, zonder bruisende performance, niet altijd overeind.

Een nieuwe loot aan deze tak van de poëzie is Ramona Maramis, internetredacteur te Groningen. De titel van haar debuut is Duckstad aan de Amstel, een naam die verwijst naar het Amstelveen van de jaren zeventig, toen de wereld nog eerlijk en overzichtelijk was: 'Niks geen gelounge in gekleurde theehuizen/ die hippig doen met broodjes rechtsdraaiend filet americain', en evenmin 'kinderen die vals worden omdat moeders Yoki passievrucht in/ plaats van Yoki druif hebben ingeslagen'. Al die nieuwlichterij is onzin, vindt Maramis:

Vroeger was het beter

Was het walhalla

Was ik gelukkig

Om niets

Wat Maramis hier over de geest van onze tijd schrijft, is zonder meer grappig, maar er kleeft een groot nadeel aan: over vijf jaar weet niemand meer waar dit over gaat. Uit de geciteerde regels blijkt ook dat Maramis weinig moeite heeft gedaan haar taal te stileren of spannend te maken. Leuke beelden zijn het, maar met poëzie heeft het weinig te maken.

Een potentieel aardige reeks over het kleuteridool van Dick Bruna eindigt met het gedicht 'Fuck Nijntje', waarin deze vermoeiende regels staan: 'laat dat konijn toch stoeien met Lara Croft-klonen/ wij baren immers millenniumkids met cybersite-ideologieën'. 'Allemaal gelul', om Maramis zelf te citeren.

Maramis is ook maatschappelijk geëngageerd, en wel op dezelfde vrijblijvende wijze als tal van beroemdheden die zich zogenaamd belangeloos inzetten voor zeehondjes, slachtoffers van natuurrampen en het opsporen van landmijnen. Dit is nogal gemakkelijk:

Ver over bergen

lopen vrouwen hun kousen aan blaren

naar hulpposten

om verkracht te worden

om aids te krijgen

de branding van vreemd zaad in een versleten slipje

Daar staat tegenover dat Maramis zich terdege realiseert dat het inzamelen van geld voor edele doelen door de manier waarop het gebeurt een dubieuze aangelegenheid is. In een gedicht dat kennelijk over een actie voor Warchild gaat, 'hobbelt Katja Schuurman/ op een circuspaard haar borstimplantaten kapot/ voor de somma van twintigduizend gulden'. Het zal wel aan mij liggen dat ik niet weet wie Katja Schuurman is, maar dit gedicht geeft me niet de indruk dat ik iets belangrijks gemist heb.

Dat Maramis een slecht boek heeft geschreven, betekent niet dat ze geen talent heeft. In enkele gedichten licht de taal ineens op en wordt de lezer verrast door een gewiekste of zelfs intrigerende wending.

Een gedicht over de intocht van Sinterklaas bevat de onheilspellende regels 'oma weent om haar vleesboom/ vader ramt de hefboom door de autoruit', en inderdaad loopt het feestje volledig uit de hand:

niets wordt geschuwd

de speculaas groeit in mijn mond en ik proef geen zoet

enkel

vlees

glas

en donkere krullen

Sterk is ook het slot van een gedicht over sleur, waar de dichter na de vaststelling 'ik word er godverdomme niet eens voor betaald' verbaasd opmerkt: 'wat een mooi woord toch/ godverdomme'. Die regels bevatten meer poëzie dan al dat modieuze gekakel over nikkei-index, karaoke en de Plaza Friet & Campina. Maar waarschijnlijk krijg je er geen zaal mee plat.

Meer over