Freedom van Jonathan Franzen

Dit gaat niet over een plaat maar over een boek.

In drie nachtelijke sessies heb ik Freedom van Jonathan Franzen uitgelezen en ik vind het jammer dat het bij de kleine 600 pagina’s gebleven is. Een gevoel dat ik eigenlijk alleen nog maar ken van heel lang geleden. Jeugdboeken konden me niet dik genoeg zijn, maar als ik kijk wat ik de laatste tijd aan literatuur gelezen heb: Ian McEwans Solar, Invisible van Paul Auster en van Imperial Bedrooms van Bret Easton Ellis dan denk ik: dunne boekjes die ik knap snel weer vergeten was. In het geval van Auster is dat mijn eigen schuld, al sinds Oracle Night (2003) zeg ik tegen mezelf: met die man ben ik wel klaar, en toch bezwijk ik iedere keer weer. Hij heeft dan volgens de recensies alweer zijn beste boek sinds jaren geschreven.

Maar goed, ik lees relatief veel Angelsaksische literatatuur en los van The Imperfectionists van Tom Rachman en het vorig jaar verschenen Chronic City van Jonathan Lethem, word ik steeds vaker teleurgesteld.

Ik lees de laatste tijd ook steeds meer over de roman die als kunstvorm zijn langste tijd gehad zou hebben en betrap me erop dat ik zelf ook steeds meer non-fictie ben gaan lezen.

Maar dan verschijnt Freedom. Natuurlijk, ik las The Corrections in 2002 en vond die familieperikelen schitterend. Maar ik las van dezelfde auteur een paar jaar geleden ook het opstel The Discomfort Zone en daar vond ik weer geen pest aan.

Maar om Freedom kon ik moeilijk heen. Eerst was er die coverstory in Time waarin de auteur tot beste van zijn generatie benoemd werd. Daarna volgden de New York Times en The Guardian die het boek ook de hemel in prezen.

Zoiets was ook in de literatuur ongebruikelijk. Ik kan me niet heugen dat een rockplaat de laatste decennia zo jubelend ontvangen is, maar eerlijk gezegd weet ik ook niet zo snel een boektitel te noemen.

Ik vind dat alleen maar leuk. Maar denk er gelijk bij: wat zou het aardig zijn als eens een plaat zou verschijnen die zo breed zo enthousiast onthaald wordt. Ik zie Deerhunter of Arcade Fire echter niet zo snel de cover van Time halen. Hoe goed 3Voor12 Pitchfork en ik hun platen ook vinden.

Freedom kon ook in Nederland trouwens rekenen op vijfsterren recensies. De teneur van alle verhalen was steeds hetzelfde: eindelijk iemand die alle problemen (milieu, kredietcrisis, Irak, Obama) weet te vatten in een mooi leesbaar boek.

Veel las ik ook over de literatuur waarnaar in Freedom verwezen wordt, maar nog nauwelijks iets over popmuziek, die in het boek toch belangrijk is.

Zo is een van de hoofdfiguren een rockmuzikant die in de hoogtijdagen van de punk begon met muziekmaken. In de meeste recensie wordt deze Richard Katz in een bijzinnetje afgedaan als ‘rockster’ alsof het ook een koekenbakker of kunstfluiter had kunnen zijn. Maar volgens mij heeft Franzen Katz popmuzikant laten zijn omdat hij wel degelijk iets hierover te melden heeft. Vooral de indie-cultuur van de laatste decennia wordt door hem goed onder handen genomen.

Niet alleen refereert hij heel subtiel aan uiteenlopende indie-bands als Yo La Tengo en Belle And Sebastian, een enkele keer besteedt hij zelfs enkele pagina’s aan bijvoorbeeld Bright Eyes. Precies de juiste band op het juiste moment. Want in 2004 speelde Conor Oberst een belangrijke rol in het politieke bewustwording proces van de jongeren.

Franzen weet waar hij het over heeft, hij besteedt net zoveel aandacht aan Tolstoys Oorlog en Vrede als aan het album Lifted van Bright Eyes uit 2002.

Toch ben ik deze aandacht nog in geen enkele recensie tegengekomen.

Tijdens het lezen bedacht ik me dat Franzen als een van de eersten het gegeven behandelt dat de perceptie van popmuziek voor de huidige jongeren-generatie anders is dan voor hen die opgegroeid zijn tijdens de punkjaren, zoals die weer anders was dan de beleving van de babyboomers die Woodstock nog hadden meegemaakt.

Zelf ben ik een jaar of vijf jonger dan Walter en Richard, twee hoofdpersonen in Freedom. Natuurlijk ken ik boeken waarin hun generatiegenoten naar popmuziek luisteren, al was het maar dankzij Nick Hornby. Maar ik heb dit altijd als een soort eindpunt gezien. Hoera, eindelijk beschrijft iemand hoe mensen als ik, en van mijn leeftijd, de popcultuur beleven. Tijdens lezing van Freedom kwam ik erachter dat er al weer minstens één generatie na ‘ons’ gekomen is voor wie popmuziek wel belangrijk is, maar op een andere manier.

Dat besef dringt ook tot Katz door als hij met Walter een concert van Bright Eyes bijwoont. Franzen beschrijft heel goed dat Katze wel degelijk doorheeft wat het publiek in Bright Eyes en vooral de voorman Conor Oberst aanspreekt, maar dat het hem toch niet lukt zich aan de muziek over te geven.

Het publiek is anders geworden dan in ‘zijn’ tijd. Iedereen gaat vooral naar concerten om het naar hun zin te hebben, om er te horen wat ze al kennen. Ze komen vooral voor elkaar, niet om deel uit te maken van iets groters, iets bijzonders. Er was geen woede tegen het gezag, geen onvrede met de buitenwereld. Geen samenkomen van gelijkgestemden om met hulp van muziek het gevoel van saamhorigheid te vergroten:

‘Katz could see it in their clothingm which bespoke bespoke none of the rage and dissatisfaction if the crowds he’d been part of as a youngster. They gathered not in anger but in celebration

of their having found, as a generation, a gentler and more respectful way of being. A way, not incidentele, more in harmony with consument. And so said to him: die.’

Er is echt iets anders aan de sfeer en ambiance bij popconcerten nu, vergeleken met dertig jaar geleden. Het was bij wijze van spreken een statement om naar The Undertones of Talking Heads te gaan. Die behoorde ‘ons’ toe, niet Van Agt en Den Uyl maar ook niet die generatie die maar bleef zaniken over Bob Dylan, Woodstock en de jeugd die niet meer wist wat goede muziek was.

Nu gaat iedereen naar concerten om een leuke tijd te hebben, ik ook. Alles is volledig geaccepteerd. Je weet precies wat er gaat gebeuren en toch geniet je.

Zo ervaart Katz Conor Oberst in Freedom:

‘He was the real deal, a boy genius, and thus all the more insufferable to Katz. His Tortured Soulful Artist shtick, his self-indulgence in pushing his songs past their natural limits of endurance, his artful crimes against pop convention: he was performing sincerity, and when the performance threatened to give sincerity the lie, he performer his sincere anguish over the difficulty of sincerity.’

‘Performing sincerity’, waarachtigheid veinzen, zo ervaart Katz het, als ik hem goed kan volgen. Katz trapt er niet in, maar de vraag is natuurlijk of hij zelf ooit anders heeft gedaan, en waar zijn houding hem gebracht heeft. Even werd hij wereldberoemd met liedjes over oude liefde, in wie zijn fans de verkeerde persoon zagen. Is dat beter dan ‘performing sincerity’?

Het aardige van Freedom is dat er nergens iets doorsijpelt van de vroeger-was-alles-beter stelling. Wel dat zonder dat we er misschien erg in hadden, veel veranderd is. Ook in de perceptie van popmuziek.

Dat vind ik iets om over na te denken.

Het is een detail slechts. Freedom gaat over heel, heel, veel meer. Ik vond het een prachtboek. En een prachtroman waarin popmuziek echt serieus genomen wordt is me zeer dierbaar.

Meer over