Frans van Gool, architect van zelfbenoemde 'tweede garnituur'

Als wonderen van schoonheid – zo werden de gebouwen van architect Frans van Gool (1922) gefotografeerd. Maar rond 1980 raakte hij omstreden....

door Hilde de Haan

Nieuwe gebouwen roepen vaak felle discussies op, maar een groots debat in Paradiso waaraan zo'n twaalfhonderd mensen meedoen, dat is maar één keer voorgekomen. Het is 1979, en het gaat over twee hoekige kantoorvilla's die tegenover het Rijksmuseum zijn neergezet. Twee romantische herenhuizen zijn hiervoor gesloopt – volgens de meeste architecten wangedrochten, maar volgens het gros van de Amsterdammers mooi, veel beter dan wat er nu voor in de plaats was gekomen. Dat is het begin van het debat, door columnisten aangewakkerd, en wekenlang in dag-en weekbladpers volgehouden. Vandaar die happening in Paradiso dus, waar de architect van de kantoren, Frans van Gool (1922) niet op komt dagen.

Hij ligt dan in het ziekenhuis, maar zou 'ook Kantoorvilla's van Frans van Gool. als hij fitter was geweest, geen zin hebben gehad zijn werk ten overstaan van een schuimbekkend volksoproer te verdedigen.' Dat vertelt hij in de monografie die nu, ruim een kwart eeuw later, over hem verschenen is. Dit boek is een initiatief van de Architekten Cie, de directe voortzetting van Van Gools vroegere bureau, maar auteur Bernard Colenbrander waakte ervoor het tot een hagiografie te maken. Integendeel, hij koos de meest persoonlijke vorm die er is: interviews, soms verwerkt tot essays, maar meestal uitgeschreven in de ik-vorm. Daardoor is Van Gool in dit boek voornamelijk zelf aan het woord, om met de distantie van een 80-jarige terug te blikken op wat hem toen bezielde.

Rond 1980 overkwam hem dit: hij werd een zondebok tijdens een crisis, waarbij de kloof tussen architecten en gewone mensen ongekend aan het licht werd gebracht. Van Gool kreeg nauwelijks steun van zijn vakgenoten. Hoewel hij het nu bagatelliseert, greep het hem toentertijd wel aan. Al vlug erna trok hij zich uit zijn bureau terug en is nog een paar jaar Rijksbouwmeester geweest, een ambt dat hem niet lag en waaruit hij voortijdig is vertrokken. In 1989 verhuisde hij naar Frankrijk als 'aangeschoten wild' om pas in 2003, niet werkzaam meer, in Nederland terug te keren.

Tussen alle kleurrijke, opzichtige boeken waarmee architectenbureaus tegenwoordig hun eigen werk presenteren, ziet dit boek er opvallend bescheiden uit. Alle foto's zijn in zwart-wit, veelal historisch materiaal. Daardoor begrijp je ook hoe rauw de afkeuring van zijn Amsterdamse kantoorvilla's deze architect op de maag moet zijn gevallen. Zijn werk werk – uitgestrekte galerijflats, en monotone rijen rijtjeswoningen in Amsterdam Nieuw-West en Noord – werd nog gefotografeerd in hun prille glorietijd, toen de bewoners er nog trots op en gelukkig mee waren. En zo zijn ook zijn kantoorkolossen vastgelegd: de Nationale Nederlanden in Den Haag, het BH-gebouw aan de Amsterdamse Overschiestraat en het reusachtige postgirokantoor in Leeuwarden – alsof het wonderen van schoonheid waren.

Voor die tijd waren Van Gools gebouwen eerlijk gezegd de slechtste niet. Ook niet de beste, maar de architect erkent dat zelf. Hij noemt zich 'tweede garnituur'; geen avant-garde, geen idealist – niet omdat hij geen talent had, maar omdat hij dat zo eenzijdig heeft ingezet. Hij werkte voornamelijk in de particuliere vastgoedsector. 'Een bruikbare pion in het spel van projectontwikkelaars, die vaak het spoor tussen alle transacties bijster was', schrijft Colenbrander. Al hield hij er als ontwerper wel degelijk eigen, strenge normen op na, want hij zag zijn vak als een vorm van kunst, waarbij compositie en detaillering moeten deugen; architectuur omwille van de architectuur.

Aan wat het publiek ervan vond, had hij geen boodschap, maar dat tekent velen van zijn generatie. Soms leverde dat niettemin iets prettigs op, iets baanbrekends, iets dat jaren later nog steeds voldoet. Zoals het plan-Van Gool in Amsterdam-Noord, een woonbuurt die nog altijd door velen met de architectennaam wordt aangeduid en die decennialang een succes bleef, geliefd omdat de woningen zo lieflijk in het groen staan, de indeling ervan zo slim is, en omdat de woonblokken zo mooi zijn vormgegeven met hun glazen gevels en hun sierlijke ronde kolommetjes ervoor.

Meer over