FRANS KELLENDONK

De schrijver Frans Kellendonk was een groot stilist en nietsontziend denker. Zijn in romanvorm vervatte gedachten over religie, afkomst en geaardheid zaaiden verwarring onder zijn lezers....

'GIRAFFEN. DIE mogen van mij mooi heten.'

Zo begint De giraf, dat in 1986 verscheen in De kortste verhalen, tweede bundel. In dat verhaal vermengt Frans Kellendonk historische en biologische feiten met fictie tot een ode aan deze 'wandelende tondeuse'.

'Als ik een tuin bezat zou ik daarin een giraf willen hebben, twee acacia's en een giraf', schrijft hij. En even verder: 'Ik woon één hoog en wanneer er een giraf door mijn straat komt kuieren blijft hij meestal een staan om bij mij naar binnen te kijken. Nooit ontwikkelt zich dan een leuk gesprek, ten eerste natuurlijk omdat hij zo stil is, maar bovendien is hij , met al zijn nieuwsgierigheid, intens verlegen.'

Frans Kellendonk (1951-1990) wordt vooral herinnerd als de schrijver van Mystiek lichaam, zijn laatste en meest doorwrochte roman. Maar het oeuvre dat hij naliet is als een hologram. Ook in de kleinste scherf – zoals De giraf – kan het geheel zichtbaar worden.

Lees die eerste zin nog maar eens. 'Giraffen, die mogen van mij mooi heten.' Wat een gekunstelde constructie is dat. Door het gebruik van het tussenvoegsel die, dat een komma nodig maakt. En door het woord heten, hier op een onalledaagse manier ingezet. 'De ware religie van Kellendonk, dat was zijn stijl.' Zo eindigt collega-schrijver Oek de Jong zijn bijdrage aan het deze week verschenen Schrijversprentenboek.

Of we die zin zelf mooi mogen heten, daarover gaat het volgende stukje van De giraf. Tussen haakjes schrijft Kellendonk daar: ('toegepast op kunst is mooi een kwalijk woord. Wie schoonheid wil scheppen schept kitsch [...] aar buiten de kunst kan het woord duiden op authentieke verbijstering.')

Kellendonk had kennelijk liever niet dat hij uitsluitend om zijn stijl werd gewaardeerd. Zijn uitspraak getuigt van argwaan jegens kunst louter omwille van de schoonheid. Tegelijk verkondigt hij die gedachte in een uiterst zorgvuldig gestileerd verhaal.

'De kunst buigt voor het leven. Zegt de kunstenaar.' Zo verwoordt Tijn Boon de paradox tussen leven en kunst waaraan het werk van kellendonk zijn spanning ontleent. Boon is de auteur van het 'toepasselijk van een Fransiscaans-bruine kaft voorziene' boek Het koppige hoofd dat niet wilde scheuren, een bundel essays over Kellendonk. Boon noemt zich 'gewoon een lezer'. Hij las Mystiek lichaam tijdens zijn studie Neerlands, en besloot dat Kellendonk het onderwerp van zijn scriptie moest worden. 'Ik weet niet of je van liefde voor hem mag spreken', zegt hij. 'Die benaming is in dit verband te soft. Kellendonk was kopschuw voor het woord. Liefde was het grote geheim waar hij steeds omheen schreef. Maar zijn werk heeft mij zeer diep geraakt.'

Het is mogelijk dat Kellendonk in de giraf iets van zichzelf herkende. Oek de Jong speculeerde daar al eens op:”'Hij zal wel geweten hebben dat de statigheid, de ietwat stramme statigheid van de giraf zichtbaar was in zijn eigen gestalte wanneer hij hardliep.'

De naar groene blaadjes reikende giraf moet voor Kellendonk ook een metaforisch wezen zijn geweest. Zijn leven en oeuvre zijn doortrokken van de hang naar het hogere. Een vriendenclub noemde hij Engelengenootschap, en met De Jong was hij oprichter van het tijdschrift De Jacobsladder (naar Genesis 28:12), dat overigens nooit daadwerkelijk van de grond is gekomen.

Nieuwsgierig en tegelijk intens verlegen noemt Kellendonk de giraf. Wellicht dat hij daarmee iets van zichzelf verraade. Nicolaas Matsier vroeg hem in 1978 om bij de redactie van het literaire tijdschrift De Revisor te komen. In het Schrijversprentenboek vertelt hij van een avondlijke ontmoeting voor de etalage van boekhandel Allert de Lange aan het Damrak in Amsterdam. 'Het was in de tijd dat Kellendonk op zin nek werd gezeten door 's lands oppervlakkigste criticus, de latere staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in het eerste Paarse Kabinet', schrijft Matsier. Toch, ondanks dat voor de hand liggende gespreksonderwerp en ondanks hun gedeelte ervaringen bij De Revisor, was die ontmoeting ongemakkelijk. 'Misschien hebben we alleen onze kelen geschraapt en onze hoeden gelicht.'

'Ik hoor niet tot de mensen die hem het best hebben gekend', zegt Matsier nu. 'Voor mij had hij iets ondoorgrondelijks. Hij kwam moeilijk uit de plooi. Maar dan kan heel wel door de chemie van onze karakters veroorzaakt zijn.'

Tijn Boon veroorlooft zich al helemaal geen uitspraken over Kellendonks karakter. Hij heeft hem pas na diens dood, via zijn werk, leren kennen. Wel verwijst hij naar Broer, een van de hoofdpersonen uit Mystiek lichaam, 'zo verlegen dat hij al bloost als je naar hem kijkt'. Maar, haast Boon zich toe te voegen, wees voorzichtig in de psychologie van personages afsplitsingen van de auteur te zien.

Zoals Kellendonk in zijn ode aan de giraf en passant het schoonheidsideaal in de kunst behandelt, zo stelt hij in al zin fictie grote thema;s aan de orde. Het indringends gebeurt dat in Mystiek lichaam, een boek over godsbesef, seksuele geaardheid, materialisme en de economie van de liefde.

'Kellendonk heeft de moed gehad de moraal opnieuw tot onderwerp van de literatuur te maken', zegt Boon, die Willem Jan Otten, Oek de Jong en Marcel Möring noemt als schrijvers die door hem zijn beïnvloed. 'Hij deed dat als een ironisch moralist, zonder antwoorden te geven, maar op een onderzoekende manier.'

Die voortrekkersrol wordt door Otten beaamd. 'Ik beschouw hem als een geestverwant. Over religieuze kwesties heeft hij buitengewoon indringend geschreven. Als enige van zijn generatie heeft hij daarbij steeds respect bewaard voor het geloof dat hij met zijn opvoeding meekreeg. Hij heeft mij de ogen geopend voor de mythologie van de eigen jeugd.'

Otten is Kellendonk pas na diens dood gaan lezen. Zijn bewondering geldt vooral de essays. 'Ik ben gesteld op de ernst die daaruit spreekt. Bij hem vond ik steun voor de gedachte dat je niet altijd iets achter de hand moet houden.' Hij roemt Kellendonk om zijn 'strijd tegen de ironie', tegen de vrijblijvendheid van de kleinkunst en het voorbehoud van de voorzichtigen.

Ironie is in de omgeving van Kellendonk een lastig woord. Hij muntte het begrip door het opnieuw te definiëren: 'oprecht veinzen'. Kellendonk was als de dood voor ondubbelzinnigheid, kunst moest met nadruk onecht zijn, opdat nooit vergeten zou worden dat we maar doen alsof. Ironie was het scherpste wapen waarover hij daarbij beschikte. Een wapen dat hij hanteerde om dezelfde ironie te bestrijden.

Geen wonder dat dat wapen zich ook tegen hem kon keren. Met name Mystiek lichaam is door velen anders begrepen dan de auteur had gewild. 'Flikkerij en jodendom, dat was van hetzelfde overbodige laken een pak', legde Kellendonk, zelf homoseksueel, de anonieme verteller van dat boek in de mond. En ook: 'De Geschiedenis had haar buik vol van joden. Ze kon geen jood meer zien.'

'Onmiskenbaar antisemitisme in sluiers van ironie'. Dat was de kop boven de recensie die op 16 mei 1986 in de Volkskrant verscheen. Auteur ervan was Aad Nuis, de latere staatssecretaris van Cultuur. In zijn kielzog meenden ook andere recensenten, zoals Robert Anker in Het Parool, 'moreel en intellectueel verwerpelijke' ideeën in de roman aan te treffen. Anker zag zelfs verbanden met het 'proto fascistisch denken' van Anton Coolen.

De beschuldigingen groeiden uit tot een literaire rel. Kellendonk verdedigde zich tegen het 'kolenbrandersgeloof van de publieke opinie', die kennelijk niet in staat was een onderscheid te maken tussen de auteur en de 'ideeën-muziek' die deze in zijn roman tot klinken brengt.

Nuis neemt meer dan tien jaar na dato niets van zijn uitspraken terug. 'Als je vindt dat de auteur niet aansprakelijk is voor wat een personage of de verteller zegt, dan maak je de literatuur onschadelijk. Wat Kellendonk in Mystiek lichaam beweert, is de moeite waard. Maar tegelijk verdient het tegengas. Neem Céline, een groot schrijver, maar van lotje getikt als het over antisemitisme gaat. Ik wil Kellendonk niet met Céline vergelijken, maar ook hij had opvattingen over de samenleving die om tegenspraak vroegen.'

'Zijn boeken waren voor mij geen groot nieuws', zegt Nuis, die Kellendonk beschouwt als schrijver voor een andere, jongere generatie. 'Over het belang dat hij heeft gehad kunnen zijn leeftijdsgenoten het best oordelen. Maar dat gezegd hebbende, wil ik beamen dat hij een van de meest interessante auteurs van zijn generatie was.'

Nuis zegt zijn oordeel wellicht anders geformuleerd te hebben als hij weet had gehad van de ziekte waaraan Kellendonk leed. De 'Antillenroman' die Kellendonk als opvolger van Mystiek lichaam in gedachten had, was hem niet meer gegund. Inspiratie voor dat boek vond hij in de zaak Kerwin Duinmeijer, 'de jongen die op de Damstraat door een gek vermoord is en toevallig zwart was', zoals Kellendonk het in een brief aan uitgever Laurens van Krevelen samenvat. 'Links en weldenkend Nederland heeft het racisme broodnodig', luidt de provocerende laatste zin van die brief.

Die steen in de vijver heeft hij niet meer kunnen gooien. Op 15 februari 1990 overlijdt Frans Kellendonk aan de gevolgen van aids.

Het verhaal De giraf eindigt met een beschrijving van de lotgevallen van het exemplaar dat de pasja van Egypte in 1826 ten geschenke geeft aan de koning van Frankrijk. ”Ben ik nu hiervoor helemaal uit Nubië gekomen?” moet de giraf gedacht hebben maar ze heeft niets laten merken, schilderachtig zwijgend heeft ze toen de blaadjes uit de oude koningshand gegeten.'

Kellendonk was niet altijd tevreden over zijn eindes. Maar over 'het hoogliedje op de dood' waarmee Mystiek lichaam afsluit, was hij zeer content. 'Tot mijn vlees bruidswit is zal ik je werk doen, in de zekerheid dat ik door jou zal worden opgeheven en over de drempel gedragen, onsterfelijke dood.'

'Je hebt de neiging zijn oeuvre vanuit het laatste boek te interpreteren, maar dat heeft iets lukraaks', zegt Matsier.

En Otten: 'Hij is als prins gestorven, zonder tijd om koning te worden.'

Meer over