Fotografe Jutka Rona

Fotografe Jutka Rona immigreerde in 1936 als tweejarig kind uit Boedapest naar Amsterdam. Onlangs ging ze terug. Ze wilde weten hoe haar leven had kunnen verlopen als ze er was gebleven....

tekst Greta Riemersma fotografie Peter Hamelink

Jutka Rona's moeder werd 95 en gaf twee dagen voor haar dood nog zwangerschapsgymnastiek. 'Ik denk wel dat ze steeds in slaap viel tijdens die gymnastiek', grinnikt Rona. 'En de leerlingen kwamen waarschijnlijk uit liefde en trouw, en niet echt voor de lessen.'

Ze stierf op 20 december 1997, in Zwitserland, eaar ze vakantie zou hou den met de familie. Rona was er niet bij. Zij kwam later aan op vliegveld Kloten, en werd daar omgeroepen. 'Toen wist ik het natuurlijk.' Het lichaam mee terug naar Nederland nemen, was vanuit bureaucratisch oogpunt een 'vreselijk gedoe', dus werd moeder in Davos gecremeerd en vloog Rona terug met de as. Het was eerste kerstdag.

'Ik gedroeg me als een krankzinnige', vertelt ze in Amsterdam in haar lichte appartement van drie verdiepingen vlak bij het Museumplein. Bij de bagagecontrole op het vliegveld werd ze staande gehouden met die doos met een touwtje erom en de urn erin. 'Zeker een fantastisch kerstcadeau', was te lezen op het gezicht van de beambte. Rona hielp haar uit de droom: 'Die Asche meiner Muter. Sie ist soeben gestorben.'

'Soeben, alsof ze tien minuten dood was!', gilt ze bij de herinnering. 'En in het vliegtuig kregen we precies hetzelfde. Ik mocht de doos niet op de grond zetten, en toen zei ik, ook weer als een verdwaasd kind: "Maar dat is de as van mijn moeder." Alsof ze een aparte stoel moest hebben! Toen zei ik: "Ach, wat maakt het uit, ze is toch dood." En ik propte de doos in het bagagevak.'

Een paar dager later is de urn bijgezet in het graf van Jutka's oudere zus Panny, die vier maanden eerder aan kanker was gestorven. Jutka Rona zou nog lang met hen bezig zijn, ook professioneel. Haar familie immigreerde in 1936 vanuit Boedapest naar Amsterdam, op de vlucht voor het anti-semitisme onder het Horthy-bewind. Rona, destijds een meisje van tweeënhalf jaar, keerde nu terug als fotografe, op zoek naar sporen van dat verleden.

Dinsdag wordt het resultaat ervan gepresenteerd in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Een denkbeeldig leven, Hongaars fotoalbum, is een verzameling portretten geworden van Hongaren die haar vrienden hadden kunnen zijn, hun omgeving en hun bezigheden. Elke persoon wordt geïntroduceerd met het verhaal van zijn leven, en daar doorheen is de geschiedenis van de familie Rona geweven. 'Hoe zou mijn leven zijn als ik in Hongarije gebleven was?', vraagt Rona zich af in de inleiding.

Jammer vond ze het wel, dat ze het boek niet af had voor haar zusje en moeder stierven. Ze was er een jaar voor hun dood mee begonnen. 'Maar ik had het nooit kunnen schrijven als mijn moeder er nog was geweest. Neeeee, ze zou me doodgeslagen hebben met haar oude handjes. "Het is allemaal niet waar", zou ze hebben gezegd. Elk zinnetje zou ze hebben bestreden.'

In haar boek merkt ze over haar moeder op: 'Ongeveer een jaar voor haar dood keek ze me een beetje treurig aan en zei: "Daarvoor zijn we toch niet weggegaan, dat jij nu teruggaat." Ik hoop dat ze iets van mijn uitleg begreep: dat ik niet terugga, alleen teruggraaf.'

Als de telefoon gaat bij haar thuis, en er iemand uit Hongarije aan de lijn blijkt te zijn, verandert Jutka Rona van aanzien. Ze spreekt Hongaars, en ineens kun je je voorstellen hoe ze evengoed dagelijks in een volgepakte tram in Boedapest had kunnen staan, als dame met een bontjas en een hond aan de riem. Ze krijgt het exotische van die vreemde taal over zich.

'Om eerlijk te zijn', zegt ze als ze de hoorn heeft neergelegd, 'voel ik me daar ook wel eens een beetje anders dan hier. Ik weet niet hoe, ik loop er wel eens over na te denken. Ik tors geen verleden mee, het is lichter, dat is het eigenlijk. Ik ben er onbesprokener, anoniemer. Maar ik ben er geen vreemde, wat je normaal gesproken in het buitenland wel bent. Ik ben er thuis, maar niet helemaal. Dat is een prettig gevoel.'

En ze moet er vaak denken aan het gezin waar ze uit komt. Ze is nog als enige over, want haar vader, de oprichter van fotoagentschap abc Press, overleed in 1974. 'In Boedapest heb ik dan associaties, vooral aan mijn ouders: hier liggen voor een deel hun levens.'

Ze is intussen weer de fotografe uit Amsterdam geworden, in strakke broek en stijlvol colbert, met levendige ogen en een opvallend glad gezicht voor iemand die in 1936 tweeënhalf was. 'Reken zelf maar uit hoe oud ik ben', heeft ze lachend gezegd.

Op de tafel in haar woonkamer ligt haar andere werk, Op je tenen lopen, leven met de ziekte van Duchenne, waarin ze een beeld geeft van de dagelijkse werkelijkheid van mensen met spierdystrofie. Het fotoboek verscheen begin dit jaar, maar het gesprek zal er nauwelijks over gaan. 'Natuurlijk leef je ook met die mensen mee, maar je kijkt toch rationeler naar ze.'

Een denkbeeldig leven gaat over haar zelf, al is dat dan aan de hand van anderen. De foto's die ze maakte van de mensen die haar vrienden hadden kunnen zijn, hadden de foto's kunnen zijn in haar eigen fotoalbum ls ze in Hongarije was blijven wonen. De verhalen die die mensen vertellen, hadden haar verhalen kunnen zijn ls ze nooit naar Nederland was verhuisd.

Natuurlijk weet ze dat 'als' in het leven niet bestaat. Het was de constructie die ze bedacht nadat ze tijdenlang tevergeefs door Boedapest had gedwaald op zoek naar restanten van haar vooroorlogse leven. Het was niet vreemd dat ze haar speurtocht in het begin zo letterlijk opvatte. In 1963, toen ze voor het eerst terug was in Boedapest, had ze meteen het gevoel dat ze iets herkende. Vage dingen als geuren, stoffen van mantelpakjes die ze zich herinnerde uit haar moeders fotoalbum, de klanken van het Hongaars dat ze toen nog nauwelijks sprak.

Toen ze zich bukte op de Margit-brug over de Donau, dook een beeld op dat ze als volwassene af en toe voor zich zag, maar dat ze nooit thuis had kunnen brengen. Het waren de uitsparingen in de relingen, gezien vanuit het perspectief van een kind. Als peuter was ze vaak in een wandelwagen over die brug geduwd, bevestigde haar moeder later. 'Iedereen die ik het vertelde, wilde het niet geloven. Ze dachten dat ik het me verbeeld had. Maar dat van die spijlen weet ik zeker.'

Midden jaren negentig zou Jessica Voeten, de dochter van Marga Minco en Bert Voeten, haar zeggen dat ze iets met die vage herinneringen moest doen. 'Niet iedereen heeft dat', zei Jessica. 'Het komt natuurlijk door het plotselinge weggaan dat ik die beelden heb vastgehouden', zegt Rona nu. Zij en Jessica waren buren geweest in Oosterleek, waar beiden vroeger een vakantiehuisje hadden. Op een dag gingen ze terug naar het dorp om te zien hoe het er nu bij lag. Ze zaten op de dijk en keken naar de plek waar eens een strandje was. Toen begon Jutka over Hongarije, dat ze voor het eerst weer had bezocht. Dit in opdracht van uitgeverij Kosmos om er reisgidsen te maken van Boedapest en later van heel Hongarije.

'En toen vertelde ik dat ik een soort herkenningsgevoel had, dat in die tijd sterker is geworden. Onbeschrijfbare lagen die heel diep liggen. En het ligt, of lag waarschijnlijk zo diep omdat mijn ouders nooit over Hongarije spraken en bijna geen foto's hadden uit die tijd. Hongarije speelde bij ons thuis geen rol.'

Ze waren in Nederland anders. Ze aten op andere tijden, wat ze aten was anders. 'Het kon me wel schelen dat ik anders was, maar het kon me niet zoveel schelen of ik Hongaars of Chinees was, bij wijze van spreken', was wat Jutka Rona jarenlang over haar verleden dacht. Pas toen ze terugging naar Hongarije, begon ze steeds meer te beseffen: 'Raar dat ik niet weet waar ik vandaan kom.'

Voor zover ze weet, is haar vader nooit teruggeweest. Haar moeder ging pas na 1989, nadat de grenzen open waren. 'Ik denk dat ze het eng vond, ik weet het niet, ik heb het er nooit met haar over gehad.' Toen ze in '36 naar Nederland kwamen, kapten ze met hun verleden. 'Ze gingen in Nederland wonen, en ze gingen Nederlands zijn. Ze waren helemaal ingesteld op assimileren.'

Waarom dat zo was, werd niet besproken. Het moet hierom zijn geweest: 'Ze wilden absoluut niks meer te maken hebben met Hongarije. In de tijd dat ze weggingen, was het behoorlijk fascistisch. Daarom zijn ze weggegaan. Als je als jood geboren was, stond in je geboortebewijs izr., van izraelita. Je was gebrandmerkt.' Maar hoeveel haar ouders daarvan hebben gemerkt? Dat weet ze niet.

In elk geval werd het hele gezin nog in Boedapest luthers-evangelisch gedoopt, om andere dooppapieren te krijgen. 'Het joods-zijn werd genegeerd, en toen we in Nederland kwamen, werd het helemaal genegeerd. Daarvoor waren we tenslotte weggegaan.'

Toen Jutka's zoon veel later eens aan zijn vriendin uitlegde dat hij joods was omdat zijn moeder joods was, kwam net op dat ogenblik haar oude moeder de kamer binnen, die riep: 'Wie is hier joods? Niemand is hier joods.' Rona: 'Ontzettend grappig, het schoot eruit. Na haar tachtigste zei ze ook: "Wie is hier oud? Niemand is hier oud." Ze leefde heel erg in het nu. Dat was leuk en bijzonder. Daarom was de schok voor haar zo groot dat ik terug ging graven in vroeger. Ze kon me er absoluut niet bij helpen, ik merkte al gauw dat het haar irriteerde.

'Ze wist ook niet meer precies hoe het zat. Ze was een vrij egocentrische vrouw, dus ze herinnerde zich vooral haar eigen dingen. Wat er met mij gebeurde na mijn geboorte, was ondergeschikt aan haar leven op dat moment. Dat kan ik me wel voorstellen, dat was interessanter, zeker als je gaat emigreren.'

Onderling spraken haar ouders Hongaars, maar tegen de kinderen was het al snel Nederlands. Rona dacht altijd dat ze ook wat Hongaars kon praten, omdat ze begreep waar haar ouders het over hadden. In Hongarije bleek dat niet zo te zijn. 'Tijdens gesprekken ben je binnen de kortste keren de tel kwijt. Tussen "ik ben gek" en "ik ben blij" zit het verschil van een lange en een korte o.'

Zo was de toestand tot de oorlog: twee joods-Hongaarse ouders die hun achtergrond wilden vergeten, twee kinderen die geen vragen stelden. Toen de nazi's kwamen, hielp het allemaal niet meer. In 1942 moesten ze onderduiken, de zusjes Panny en Jutka op verschillende adressen buiten Amsterdam. Waar haar ouders zaten, weet Rona niet. Haar ouders verborgen die perikelen zoveel mogelijk voor hen. Wat ze zich van die tijd herinnert: 'Niemand had tijd voor je, niemand had aandacht voor je.'

In de winter van 1943 kon het hele gezin weer naar huis. Dankzij de luthers-evangelische dooppapieren en andere, vervalste, documenten was moeder voor 92 procent arisch verklaard, vader voor 87 procent. En toen begon de hongerwinter. Ze ziet haar moeder nog voor zich, zoals die zwabberend op de fiets met houten banden de Schubertstraat uitreed op zoek naar iemand die iets eetbaars verkocht. Wollen mannenbroek aan, een klem om de pijpen, over haar schouder roepend: 'Een dame blijft altijd een dame!'

Ze kwamen de oorlog door. Haar grootvader niet. Die werd in Boedapest doodgeslagen op straat. In haar boek schrijft ze: 'Als mijn ouders niet weggegaan waren, als ze ons niet op tijd van de joodse school in Amsterdam hadden gehaald, als ze ons niet op allerlei adressen hadden ondergebracht, en als ze ons niet in sommige gevallen op tijd daarvandaan hadden gehaald, als... als... dan had mijn geschiedenis kunnen eindigen als die van mijn grootvader en de zes miljoen andere joden. Het is niet zo gelopen, dankzij hen.'

Het leven als 'Nederlander met een rare ondertoon' ging door. 'Maar ja', zegt Rona, 'er waren wel meer mensen die rare dingen meemaakten. We waren een beetje buitenstaanders, maar zoals ik zeg: je kunt ook buitenstaander zijn om andere redenen.' Toen ze veel later net als haar vader de fotografie was ingegaan, kwam die houding goed van pas. 'Je wilt er dan ook nooit helemaal bij horen.'

Eén zinnetje hielp haar verder met haar Hongarije-project: 'Waarom begin je niet met de mensen?' Socioloog Bram de Swaan zei het tegen haar toen ze hem tegenkwam in Boedapest. Ze had hem net verteld dat het zo moeilijk was om plekken uit haar jeugd te vinden, of onmogelijk om op de foto te krijgen wat ze bedoelde. Herkende ze de huizen met Jugendstil-ramen in haar vroegere straat, klopte de foto niet met wat ze als kind had gezien. Toen dacht ze: 'Hij heeft gelijk. Waarom zou ik eerst de plekken zoeken? Laat ik mensen zoeken die mijn vrienden hadden kunnen zijn.'

Vanaf toen liep het 'gesmeerd'. Eén persoon die in het boek terecht gekomen is, kende ze al, met de rest kwam ze via via in contact. Edit, Zsuzsa, Laci, Erika, Vera, András en anderen fotografeerde ze in hun dagelijkse bezigheden. Een aantal viel ook weer af. 'De foto's die ik van hen had gemaakt, waren niet goed. Hun wezen bood te weinig aanknopingspunten. De mensen die ik gezocht heb, raken toch een gevoelige snaar in mezelf.'

Nu het af is, valt op dat veel foto's zo in de jaren vijftig hadden kunnen worden gemaakt. 'Kennelijk zocht ik het oude, de herinnering, de sfeer van de foto's van mijn ouders.' Ze vertelt dat ze meteen merkte wanneer ze 'klaar' was met iemand: 'Dan ging ik vervelende foto's maken, het onderwerp uitmelken. Je zag onmiddellijk het verschil.' Vormgever Jan van Halm en redacteur Otto Haan hielpen haar bij de selectie, want zelf kon ze niet goed afstand doen van haar 'darlings'. Toen het fotograferen zo goed als af was, concentreerde Rona zich op het schrijven van de verhalen: 'Ik ben geen schrijver.' Al die tijd dat ze met haar 'vrienden' opgetrokken was, had ze in haar dagboek hun gesprekken bijgehouden.

Rona had al heel wat kamers versleten in Boedapest, en intussen had ze er van de erfenis van haar moeder en zus een eigen appartement aangeschaft. Zodra ze zich daar terugtrok en haar dagboek opensloeg om de aantekeningen te verwerken, in die lichte, lege kamers, met een boom voor het raam en het lawaai van de straat in de verte, kwamen de associaties met haar eigen leven vanzelf.

'De grootste ontdekking was dat herinneringen niet zo helder hoeven te zijn, maar dat je er toch dingen van terugvindt. Dat je je niet alles verbeeldt. Dat ik dingen beter kan plaatsen, het gedrag van mijn ouders, van mijn zusje. Ik voel me meer in mijn huid, beter in mijn eigen plaats. Het anders-zijn heeft geen bijbetekenis meer.' Hongarije is 'klaar'. Ze zegt: 'Als ik er rondloop, merk ik dat mijn opwinding over sommige dingen en mijn behoefte om die te fotograferen, weg is. Het is klaar, het is af, het is gebeurd.' Ze heeft er nog wel haar appartement, maar zodra ze het niet meer nodig heeft, gaat ze het verhuren.

Haar dochter vroeg haar laatst wat ze nu beter vindt voor een emigrant: integreren in de nieuwe cultuur, wat haar ouders voorstonden en ook nu het parool is ten aanzien van buitenlanders, of toch nog een beetje vasthouden aan het oude land. Rona zei dat ze het niet kan beoordelen. 'Maar het geeft wel een bepaalde rijkdom dat je iets herontdekt dat je had kunnen weten maar niet wist.'

Wat ze wel wist, was dat haar vader een 'vreselijk vlotte flierefluiter, een enthousiaste vrouwenjager' was. 'Mijn vader was een érg leuke man, hoor, hij hield van vrouwen maar ze vielen ook erg op hem.' Wat ze niet wist was dat ook haar moeder zich op het gebied van buitenechtelijke affaires niet onbetuigd had gelaten. Dat hoorde ze van een oude vriendin van haar moeder die ze opzocht in Australië. 'In haar verhalen aan ons was zij natuurlijk de geboren onschuld.'

Het was een turbulent huwelijk. 'Er was veel geschreeuw, veel ruzie. De kerstboom is wel eens door de kamer gevlogen, met brandende kaarsjes en al. Het is niet voor niks dat ik bij de minste strubbelingen wil scheiden en ga scheiden. Het zal wel zijn sporen hebben nagelaten.'

Drie keer was ze lang met iemand samen. Een van de drie keer was dat met de inmiddels overleden Dimitri Frenkel Frank, die overigens ook in 1936 naar Nederland was gekomen, vanuit Duitsland. 'Hij is de vader van mijn twee kindertjes', zegt ze. Met een lachje: 'Maar laten we het daar niet over hebben, ik wil het niet over huwelijken hebben.'

Ze kan haar ouders' houding tegenover hun kinderen beter begrijpen. 'Ik voelde me altijd erg verwaarloosd. Ik heb niet zoveel last van zelfmedelijden, het was gewoon zo. Maar ik kan het nu beter plaatsen als horend bij hun achtergrond.' In Hongarije zag ze dat kinderen veel langer dan in Nederland kinderen zijn, klein zijn, apart van de volwassenen door het leven gaan. 'En we emigreerden, toen kwam de oorlog, het was niet zo eenvoudig allemaal.'

Ook het verloop van haar zusjes leven kreeg een plek. 'Ze had veel meer moeite met het leven dan ik. Ik denk dat de scheiding van haar omgeving heel hard is aangekomen. Ze was zes toen we in Nederland kwamen. Ze was wereldvreemder dan ik, Hongaarser, wat dat ook mag zijn. In Hongarije zag ik mensen van wie ik dacht: daar zou ze zo tussen kunnen lopen.'

Wat ze 'grappig' vond, was dat de 'vrienden' in haar boek op één na allemaal joods bleken te zijn. 'Ik heb geen joodse mensen gezocht, maar het valt wel op. Het is natuurlijk geen toeval.' Joods-zijn was voor haar altijd iets 'ambivalents', omdat 'het iets was dat je niet moest zijn'. Toen haar zoon Dimitri geboren werd, vroeg haar moeder bezorgd of hij zou worden besneden. 'Want', zei ze, 'de volgende keer in een oorlog dat hij zijn broek moet laten zakken, is hij er ook bij.' Rona: 'Dáár was het op gebaseerd. Het was geen ontkenning of gêne. Maar op een kind komt dat anders over.'

Ze vond het lang lastig om te reageren op anti-semitische opmerkingen: 'Je hoort iemand iets zeggen dat hij niet hoort te zeggen, maar ik werd er niet persoonlijk door geraakt. Omdat het joods-zijn mij niks zei. Ik ben nu niet joodser geworden, maar ik sta wat normaler tegenover zeggen dat ik joods ben.'

Ze voelt zich 'meer samengevoegd'. Ze zegt: 'Ik ben joods en Hongaars en Nederlands en van alles. Ik ben gewoon die ik ben.'

Meer over