Fors ingrijpen is weer terug

‘Verwaarloosde’ kinderen werden vroeger zonder dralen uit huis geplaatst. In de jaren zestig kwam hier weerstand tegen. Nu lijkt hard ingrijpen weer te mogen.Door Peter Giesen..

Peter Giesen

In Nederland werden in 2005 107 duizend kinderen mishandeld, stelden onderzoekers van de Universiteit Leiden. Niet waar, vonden hun collega’s van de Vrije Universiteit, er werden maar liefst 160 duizend kinderen mishandeld. Hoe dan ook, het waren er heel wat meer dan de 50 tot 80 duizend waar de beleidsmakers tot dusverre van uitgingen.

De eerste reacties van politici en beleidsmakers werden, zoals zo vaak tegenwoordig, gedomineerd door de woorden ‘plicht’ en ‘dwang’. Het moest afgelopen zijn met die vrijblijvende aanpak. De staat moest mishandelde kinderen ‘achter de voordeur’ opsporen en aan de macht van hun niet deugende ouders onttrekken.

De hoge cijfers over kindermishandeling passen ook in een cultuurpessimistisch vertoog, waarin kinderen steeds onhandelbaarder worden en ouders steeds slechter opvoeden. ‘Maar de meeste deskundigen gaan ervan uit dat fysieke kindermishandeling minder vaak voorkomt dan vroeger, omdat de normen verscherpt zijn. Veel meer dan vroeger vinden we het ongepast om kinderen te slaan. Zeker weten doen we het niet. Er zijn geen betrouwbare gegevens over een langere periode’, zegt dr. Jeroen Dekker, hoogleraar historische pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Voor een historicus is kindermishandeling moeilijk te onderzoeken. Het begrip raakte pas ingeburgerd in de jaren zestig. Vóór die tijd werd doorgaans gesproken over ‘verwaarlozing’. Een breed begrip: kinderen werden verwaarloosd als ze slaag kregen, maar ook als ze slecht te eten kregen of niet regelmatig in bad gingen.

Gaandeweg is ook het begrip kindermishandeling enorm verbreed. ‘Onder kindermishandeling valt alles waardoor de veiligheid van het kind in gevaar komt’, zegt Dekker. ‘Volgens deze definitie valt ook het ontduiken van de leerplicht eronder. Zelfs onveilig gedrag in het verkeer, zoals toestaan dat je kind in de auto geen gordel draagt, wordt als kindermishandeling gedefinieerd.’

Deze verbreding jaagt de cijfers omhoog, maar komt de helderheid niet ten goede, vindt Dekker. Volgens hem moet het begrip kindermishandeling gereserveerd worden voor ernstige mishandeling en verwaarlozing. ‘Zowel het Amsterdamse als het Leidse onderzoek komen uit op een harde kern van 30 tot 40 duizend kinderen die hier het slachtoffer van worden.’

In het huidige maatschappelijke klimaat praten politici zo gemakkelijk over dwang, dat zij plichten formuleren die al lang bestaan. De Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher pleitte onlangs voor een ‘opvoedplicht’ voor alle ouders. ‘Maar die plicht is al vastgelegd in de Kinderwetten van 1905. Sindsdien is het wettelijk kader, ondanks allerlei wijzigingen, niet wezenlijk veranderd. De staat heeft het recht om in te grijpen, als ouders hun plicht verzaken.’

De bereidheid van de staat om in te grijpen, is wel aan sterke sociaal-culturele conjunctuurbewegingen onderhevig, aldus Dekker. De pedagogische interventie bereikte een hoogtepunt in 1950, toen 16,7 per 10 duizend kinderen aan de ouderlijke macht werden onttrokken en onder toezicht werden gesteld, de zogeheten OTS. Dat aantal liep snel terug naar 9 in 1960 en 5,5 in 1970. Maar vanaf het einde van de jaren tachtig begon het aantal onder toezicht gestelde kinderen weer flink te groeien. De vrijblijvendheid is al enige tijd voorbij. In 1995 was het niveau van de jaren vijftig alweer flink genaderd met 13,6 onder toezicht gestelde kinderen per 10 duizend.

Wantoestanden

Wantoestanden
Gedurende het grootste deel van de geschiedenis was het opvoeden van kinderen een onvervreemdbaar recht van de ouders. Dat veranderde pas met de Kinderwetten van 1905. Deze wetten kwamen tot stand onder druk van een coalitie van confessionele kindertehuizen en progressieve liberalen, die vonden dat de staat maatschappelijke wantoestanden moest bestrijden.

Wantoestanden
In de tweede helft van de 19de eeuw werden veel tehuizen voor verwaarloosde kinderen gesticht, zoals Nederlandsch Mettray in Gorssel en de Heldringstichting in Zetten. Ze werden opgezet door filantropen, veelal van protestantsen of katholieken huize.

Wantoestanden
Rond 1900 bestond al een omvangrijk netwerk van tehuizen, waar in totaal 12 duizend kinderen woonden. Dekker: ‘De tehuizen wilden kinderen een complete heropvoeding geven. Ze leerden een vak en als ze 18 of 19 waren, werden ze bij een bedrijfje geplaatst. Maar de tehuizen werden steeds geconfronteerd met ouders die hun kinderen terughaalden, vaak omdat ze thuis goed gebruikt konden worden. De instellingen hadden geen juridisch middel om de kinderen vast te houden.’

Wantoestanden
Confessionelen en liberalen kwamen een typisch Nederlands model overeen. De staat mocht ingrijpen en ouders uit de ouderlijke macht ontzetten. Maar vervolgens moesten de kinderen worden ‘teruggegeven’ aan de zuil waaruit zij voortkwamen.

Wantoestanden
Rond 1950 bereikte de ‘bemoeizorg’ een hoogtepunt. ‘Nederland werkte aan de wederopbouw, aan een samenleving binnen gedisciplineerde kaders. Men wilde toezicht houden op de bevolking’, zegt Dekker. Wie buiten die kaders trad, door zijn kinderen te mishandelen of ‘asociaal’ te leven, werd streng aangepakt.

Wantoestanden
In de jaren zestig en zeventig raakte deze ‘bevoogdende’ aanpak snel in diskrediet. Vooral de kindertehuizen stonden voor alles wat de ideologie van de jaren zestig verafschuwde: dwang, hiërarchie, in het gareel lopen. Als voorbeeld laat Dekker een boekje zien dat destijds verscheen, onder de titel: Als je nog een keer wegloopt, breek ik je beentjes.

Wantoestanden
Heropvoeding werd gezien als het ‘dresseren’ tot brave burgers die zich zouden conformeren aan een onrechtvaardige maatschappij. De verwaarloosde of anderszins problematische kinderen moesten niet worden heropgevoed, maar geëmancipeerd en mondig gemaakt. De Bond van Minderjarigen wierp zich op als ‘vakbond’ voor kinderen die onder toezicht waren gesteld.

Wantoestanden
De positie van de tehuizen werd verder verzwakt door het feit dat zij voor een groot deel onder confessioneel bestuur stonden. De dwang werd ook nog eens toegepast in naam van een kerk die zienderogen aan draagvlak verloor.

Wantoestanden
Hoe diep de nieuwe ideologie was doorgedrongen, bleek in 1980 toen CDA-minister Job de Ruiter 75 jaar Kinderwetten herdacht. De Ruiter sprak ‘ongaarne’ van ‘kind, zeker als het de wat oudere jeugd betreft’. En ‘ook het woord ‘bescherming’ komt ons wat minder gemakkelijk over de lippen’, vervolgde hij. Alleen al het woord ‘kinderbescherming’ werd bevoogdend gevonden.

Slinger

Slinger
Sinds het einde van de jaren tachtig slaat de slinger weer de andere kant op. De idealen van de jaren zestig bleken te hoog gegrepen. Niet iedereen bleek een mondige burger die zijn eigen boontjes kan doppen. Sommige kinderen moeten toch echt beschermd worden, tegen hun ouders of tegen dreigende ontsporing. ‘Er is weer meer ambitie, meer geloof in het kunnen van professionals’, zegt Dekker. ‘Het idee dat de staat en de professionals het beter weten dan de ouders is weer terug.’

Slinger
Daarmee is dwang weer gelegitimeerd. Over de effectiviteit is echter weinig bekend, ook in historisch opzicht. ‘In de 19de eeuw claimde een inrichting als Nederlandsch Mettray al dat 80 procent van de pupillen succesvol was heropgevoed. Maar meer dan de helft van de kinderen brak de heropvoeding voortijdig af. Die werden niet meegeteld’, zegt Dekker.

Slinger
In elke periode werden successen gemeld, die later weer in twijfel werden getrokken. In 1930 roemde mr. D. Koolen, lid van de Raad van State, de heilzame werking van 25 jaar Kinderwetten: ‘Duizenden en duizenden kinderen zijn in den loop dezer 25 jaar op grond van de kinderwetten onttrokken aan het milieu, waarin zij tot dan verkeerden; meestal leerden zij daar niet veel goeds; had de Overheid niet ingegrepen, dan zou er zoo goed als niets van hen zijn terecht gekomen.’

Slinger
Maar in 1955 hekelde mr. J. Overwater, voorzitter van de Nederlandse bond tot kinderbescherming, de vooroorlogse werkwijze. Kinderen en ouders werden veel te snel en te radicaal van elkaar gescheiden, de kinderbescherming had geen aandacht voor de persoonlijkheid van het kind. Gelukkig weten we nu beter wat we moeten doen, sprak Overwater, dankzij de inzet van psychologen, pedagogen en psychiaters die de laatste wetenschappelijke inzichten op het bedreigde kind loslieten.

Slinger
Nu maken politici en professionals zich op voor een nieuw ‘beschavingsoffensief’, waarvoor hulpverleners diep doordringen in de persoonlijke levenssfeer van hun cliënten. In de jaren vijftig konden zij zich echter beroepen op normen en waarden die door vrijwel iedereen – althans, binnen de eigen zuil – werden gedeeld. Dat lijkt nu veel moeilijker.

Slinger
Maar volgens Dekker is er wel degelijk een groot draagvlak voor ingrijpen. ‘Zeker als de overheid zich beperkt tot de harde kern van 30 tot 40 duizend kinderen die ernstig worden mishandeld of verwaarloosd. Daarvan zegt iedereen: ingrijpen in het belang van het kind.

Slinger
‘De overheid zal wel op weerstand stuiten als zij dwang wil toepassen op die veel bredere groep die in de Leidse en Amsterdamse onderzoeken worden genoemd. Het lijkt verstandiger en efficiënter om de inspanning te concentreren op de zwaarste gevallen.’

Meer over