Formule-vermaak

Nee, miskend voelt de Amerikaanse producent Jerry Bruckheimer zich niet. Ook al wordt hij door critici vaak bespot om zijn formule-films die steevast 'over the top' zijn....

Een moeizame verhouding met de pers?

Welnee. Jerry Bruckheimer (1945), vorige week door het Amerikaanse vakblad Entertainment Weekly verkozen tot 'the most powerful man in the entertainment industry', vindt journalistiek juist belangrijk. Een beschaafde maatschappij kan niet zonder een controlerende macht, zegt hij plechtig. 'De vrijheid van het woord is een te groot goed om te minachten.'

Bruckheimer grijnst. Hij wil graag een wedervraag stellen: 'Waarop is het idee gebaseerd dat ik op de journalistiek neerkijk?'

Nou ja, de manier waarop hij formuleert - in afgemeten, vlakke zinnen - wekt niet de indruk dat hij geniet van een interview.

Bruckheimer, na een korte denkpauze: 'Ik moet zeggen: het gevaar is groot dat dit soort gesprekken routine wordt. Ik zal erop letten. Aan de andere kant: enkele maanden geleden gaf ik ook interviews aan filmjournalisten. Ik herinner me hun blikken, hun verbaasde vragen. Hoe ik het in mijn hoofd haalde een piratenfilm te produceren? Piraten! Dat was passé. Nee, serieuze, objectieve journalistiek en filmjournalistiek liggen voor mij niet vanzelfsprekend in elkaars verlengde.'

Die piratenfilm - dat is Pirates of the Caribbean, een blockbuster gebaseerd op een attractie in Disneyland waarmee Bruckheimer de afgelopen zomer alleen al aan de Amerikaanse bioscoopkassa's 350 miljoen dollar verdiende. Bad Boys 2, ook door hem geproduceerd, bracht in de Verenigde Staten 150 miljoen op, en Kangaroo Jack was goed voor 72 miljoen; bedragen die door de inkomsten uit Azië en Europa en uit de dvd-en videohandel de komende maanden nog zullen uitdijen.

Dan is er ook nog de televisietak van zijn bedrijf. Voor het net begonnen seizoen hebben de Amerikaanse tv-zenders zes Bruckheimerseries op prime time geprogrammeerd. Dat levert hem dit jaar een extra honorarium van 150 miljoen op. Netto. Bij hoge kijkcijfers treedteen bonussysteem in werking.

'Dit is een vreemde business', zegt hij.'Je weet nooit zeker of iets gaat werken of niet. Dit jaar lukt veel. Dat zegt niets over volgend jaar.'

Bruckheimers naam staat niet alleen voor astronomische bedragen. Met een beetje goede wil zou hij een Hollywood-auteur genoemd kunnen worden, om het simpele feit dat zijn formule-films op afstand te herkennen zijn. Een Bruckheimer-productie is per definitie over the top. Ze zijn luidruchtig (Armageddon), ranzig (Coyote Ugly), grootschalig (Pearl Harbor), plat, sentimenteel, of ongegeneerd patriottistisch. De rat die in de politieserie CSI: Crime Scene Investigation (RTL 4) uit een lijk kroop, was een echte Bruckheimer. Net zoals de brullende Ferrari's in Gone in 60 Seconds dat zijn, en de exploderende gokkasten in Con Air. Als in Armageddon de spanning inzakt, vallen er in het Verre Oosten gewoon even enkele tienduizenden doden.

Ja, ook Bruckheimer weet dat op internet satirische stukken circuleren waarin de aanslagen van 11 september 2001 worden gerecenseerd als een 'very bad Jerry Bruckheimer action and disaster movie'. Smakeloos, vindt hij. Kortzichtig ook. Hij is per slot van rekening ook de producent van Remember the Titans, die gaat over verbroedering door sport. 'Ik maak ook films zonder grote knallen.' Veronica Guerin wilde hij per se maken, omdat het verhaal over de vermoorde Ierse journaliste volgens hem wereldwijd verspreid diende te worden. 'Soms hebben filmmakers de gelegenheid het publiek iets mee te geven. Dit was zo'n kans. Ik ben al tevreden wanneer er over de hele wereld vijftig kinderen na het zien van Veronica Guerin besluiten journalist te worden.' Hij ontkent dat hij met de productie van deze biopic naar de gunsten van de serieuze media hengelt. 'Mijn films zijn er voor het publiek. Ik maak ze niet voor de incrowd, of voor mijn eigen therapeutische behoeften. Het gaat altijd om een sterk verhaal. Ik zeg altijd: als je de mensen zo graag een boodschap wilt meegeven, kun je ze beter een e-mail sturen. Dat is goedkoper dan een film maken, en effectiever.'

Dat is niet cynisch, vindt hij. En natuurlijk hoopt hij dat zijn amusement ook een 'sociale betekenis' heeft. 'Ik ben een man van helden en schurken. Mijn grote producties volgen de schema's van de Griekse mythologie. Bij mij ziet bestemming of noodlot eruit als een allesverzengende meteoriet.'

Voor Bruckheimer is dit het moment in het gesprek om duidelijk te maken dat hij zijn werk serieus neemt. Hij vertelt over zijn nieuwe film, King Arthur, en verliest zich al snel in een verhandeling over de diverse visies die historici hebben ontwikkeld op Koning Arthur en zijn ridders van de ronde tafel. De boodschap van zijn ingelaste college, dat heen en weer schiet tussen vroeg-middeleeuwse gebruiken en de films van David Lean, is duidelijk: de productie van een blockbuster vraagt óók om intellectuele inspanningen.

Nee, miskend voelt hij zich niet. De cijfers spreken de waarheid, en bovendien prijst hij zich gelukkig dat hij iets kan doen waarin hij goed is. Als kind was hij al een organisatietalent, dat zijn eigen honkbalteams opzette en altijd in de weer was met schema's, roosters en sponsors. 'Ik was niet zo'n goede speler. Dus verlegde ik mijn activiteiten naar iets waarin ik wel beter was dan de rest. Zo kon ik overal aan meedoen.'

Bruckheimer is berucht om zijn hoge tempo. Hij werkt vrijwel permanent, alleen op zaterdagmiddag bindt hij zijn schaatsen onder voor een potje ijshockey ('ik kom te kort, omdat ik niet achteruit kan schaatsen'). Zijn productiviteit doet denken aan het arbeidsethos van klassieke Hollywood-producenten als David O. Selznick en Samuel Goldwyn, die altijd in touw waren met alweer een volgende mammoetproductie. Er zijn meer overeenkomsten met de grote mannen van weleer: zo zette Selznick vijftien schrijvers op Gone With the Wind (1939), een praktijk die Bruckheimer vanzelfsprekend vindt. Met Samuel Goldwyn deelt hij de neiging in grote films opkomende acteurs te casten; Tom Cruise, Eddie Murphy en Ben Affleck maakten in een Bruckheimer-productie hun definitieve stap naar de top.

Wat hem onderscheidt van de producenten uit de gouden Hollywood-jaren is zijn stijl. Bruckheimer is geen man van grote woorden of stemverheffingen. Ook op het politieke vlak houdt hij zich koest. Hij is een fervent Republikein, maar dat is niet iets waarover hij graag spreekt. 'Het is me te makkelijk overal een mening over te formuleren.'

Zijn ingetogen presentatie staat in schril contrast met de wijze waarop Bruckheimer de filmindustrie binnenkwam, in het kielzog van kompaan Don Simpson, die tot zijn dood in 1996, na een overdosis drugs, aan alle luidruchtige clichés van een filmproducent voldeed. Met Simpson - ze produceerden samen onder meer Flashdance, Top Gun en Beverly Hills Cop - maakte hij er een sport van Ferrari's, race-auto's en zwarte Mustangs te verzamelen. Op het hoogtepunt van hun samenwerking - het duo liet contractueel vastleggen welke lens een fotograaf diende te gebruiken - poseerden Simpson en Bruckheimer als Formule 1-coureurs.

'The fast days', zegt Bruckheimer minzaam. Hij is niet het type dat graag achteruit kijkt. 'Met films heb ik dat ook. Ik ga naar testscreenings, en ook na de première zie ik een film meestal nog een aantal keer. Om te voelen op welke momenten een zaal op wat voor een wijze reageert. Daarna is het over. Als ik op langere termijn iets terugzie, dan vallen mij alleen de fouten en de zwakke plekken op.'

Toen hij in 1999 The Matrix zag, sloeg de schrik hem om het hart. De special effects in die film waren grensverleggend, en Bruckheimer had even het gevoel dat hij te ver verwijderd was geraakt van de jongste generaties. 'Deze productie was bedacht en uitgevoerd door filmmakers die vanaf hun geboorte met videocamera's en videogames hebben gespeeld. Computerkids. Ik dacht: oké, nu moet ik laten zien wie de beste is.'

Sindsdien maakte hij drie films die meer dan 400 miljoen dollar opbrachten, waaronder Pearl Harbor, waarin Bruckheimer de Japanse aanval op Amerika tot achtergrond van een liefdesverhaal reduceert - die keuze moest de impact van een oorlog 'ook voor normale mensen voelbaar maken'. De film beleefde zijn wereldpremière op Hawaii, waar Bruckheimer een miljoenen kostende premièreparty organiseerde, die deels werd gesponsord door het Amerikaanse leger.

De samenwerking met het Pentagon is nog zo'n onderwerp waarover hij liever zwijgt. Al geeft hij zonder problemen toe dat het waar is dat hij voor Black Hawk Down (2002) gebruik maakte van de kennis en het materieel van het leger, dat in ruil daarvoor het scenario op sommige punten bijstuurde. 'Zij bemoeien zich niet met mijn werk. Maar ze willen wel weten waar ze instappen. Dat vind ik volkomen normaal.' Black Hawk Down, een 'reconstructie' van een slag die Amerikaanse soldaten in 1993 in Somalië leverden, staat bol van goede Amerikaanse bedoelingen, en laat zich lezen als een pleidooi voor een machtig Amerikaans leger. Dat Amerikaanse soldaten vrouwen en kinderen in gijzeling namen, is niet te zien.

'Ik zal nooit zeggen dat mijn werk 100 procent accuraat is. Het is en blijft vermaak. Voor mij telt dat de medewerking van het leger mij in staat stelt de werkelijkheid te benaderen. Hun expertise is van onschatbare waarde.'

Op dit moment is Bruckheimer met Buena Vista International, het Disney-bedrijf dat zijn films uitbrengt, in de slag om een nieuw contract. Hij wil vijf jaar de vrije hand hebben. 'Ik kan niet zeggen hoe het voelt als na een première de eerste weekend-cijfers binnenkomen. De spanning, de getallen die duidelijk maken dat de kosten eruit komen. En als ze dan blijven stijgen, dan weet je dat je iets bijzonders in de hand hebt. Dat gevoel is verslavend. Niet om het geld. Maar om de bevestiging. De bevestiging dat je instinct nog altijd prima in orde is.'

Meer over