Foo ko fekk

LEIDT de digitale revolutie tot een nieuw soort literatuur? Gaan de ontelbare mensen die gedichten schrijven, anders schrijven zodra ze zien wat voor mogelijkheden de computer biedt?...

Vragen die allemaal ter sprake komen in het heldere essay dat de cultuurwetenschapper Jan Baetens schreef voor het Nijmeegse tijdschrift Parmentier. Baetens beschrijft de opkomst van de elektronische poëzie en vergelijkt deze met die van de performance-poëzie. 'In beide gevallen gaat het om poëzie die, althans naar traditionele, dat wil zeggen gedrukte maatstaven, zwak is, of toch minstens als zwak doorgaat.'

Zwak of niet, een opvallend gevolg is volgens Baetens wel dat de opkomst van deze twee soorten poëzie heeft geleid tot een 'paradoxale terugkeer naar de directheid, veranderlijkheid en tijdelijkheid van orale culturen.' Een interessante stelling, en des te meer is het jammer dat het voorbeeld dat Baetens geeft - het Raphel-netwerk van de Fransman Bernardo Schiavetta - niet erg overtuigend is.

Volgens Baetens is deze almaar uitdijende verzameling van citaten een 'weloverwogen gestructureerde tegenwereld' waarin een 'stem, die van elders komt en waarvan men zich afvraagt wat die kan betekenen, spreekt.' Maar geldt deze definitie niet in feite voor bijna alle poëzie? Wat zegt zij over het specifieke karakter van elektronische literatuur? In ieder geval zijn regels als 'Foo ko fekk, mu ngay waxtu' niet veel meer dan onbegrijpelijke klankpoëzie, of ze nou op papier staan of op een beeldscherm.

Vijf jaar geleden maakte Parmentier ook een poëzienummer waarin toenmalig uitgever Hans Vandevoorde schreef dat het 'gedicht van de toekomst' niet veel meer kon zijn dan het 'tegenzanggedicht van de marge.' Redacteur Frank Tazelaar schrijft nu dat het gedicht juist uit de marge moet en 'in de piste'. Een plaats die natuurlijk sterk doet denken aan een podium en Tazelaar komt er dan ook niet onderuit om toch nog even te reageren op het inmiddels veelbesproken artikel van Ilja Leonard Pfeijffer dat een half jaar gelden in Bzzlletin verscheen. Hierin maakte Pfeijffer een kwalitatief onderscheid tussen de moeilijke papierdichters en de makkelijke podiumdichters.

Tazelaar zegt terecht dat het 'juist interessant is dat die tegenstelling de laatste paar jaren op verschillende manieren achterhaald raakt', maar bovenal toont hij zich geïrriteerd door het feit dat Pfeijffer zijn eigen poëzie naast die van Lucebert ten voorbeeld stelde: 'Wat me doet denken aan Dan Quale die zich graag vergeleek met John Kennedy'. Anders gezegd: Tazelaar vindt dat Pfeijffer kapsones heeft.

Maar wat dan te denken van een nieuw manifest als 'De vegt-lijnen'? Hierin kondigen de dichters Han van der Vegt en Peter Holvoet-Hanssen een andere, lees: hun eigen, poëzie aan: 'We zijn al enige tijd bezig die poëzie te schrijven en te publiceren, maar dat blijkt niet altijd voor iedereen duidelijk.' En ook hier: 'Onze poëzie heeft de bescheidenheid afgelegd. Niet de marge maar de piste is haar speelterrein.'

Het is een even luidruchtige poëtica als die van Pfeijffer, met dit verschil dat deze twee dichters zich van tevoren indekken tegen lezers die de gedichten aan de poëtica (en andersom) willen spiegelen: 'Net zo min als onze gedichten ons kunnen binden of inperken, kunnen onze meningen dat. Morgen zijn we vergeten wat we vandaag hebben gemaakt, om nieuwe dingen te maken.' Veel meer dan een impuls mag poëzie dus niet zijn. En of poëzie nog iets met continuïteit van doen heeft blijft ook de vraag.

Meer over