Fiscaal beleggen in 2001

Op belastingvoordeel jagende beleggers zullen moeten wennen. In de belastingplannen van staatssecretaris Vermeend worden de fiscale richtingaanwijzers een andere kant uitgezet....

De fiscaal geïnspireerde belegger van de jaren tachtig en negentig had een duidelijk spoorboekje met vijf geboden: * gebruik de rente- en dividendvrijstelling * stort een fiscaal aftrekbare lijfrentepremie * sluit een levensverzekeringspolis met fiscaal onbelaste rente. * trek de hypotheek op de eigen woning zo hoog mogelijk op. * beleg voor het overige in beleggingsfondsen die geen geld uitkeren.

Binnen de fiscale vrijstellingen worden de rente-inkomsten en dividenden belastingvrij genoten: het belastingtarief binnen de vrijstellingen is 0 procent.

Door de lijfrenteaftrek wordt het belastbare inkomen verlaagd. Daar staat tegenover dat de latere uitkeringen uit de lijfrenteverzekeringen belast worden, maar dat is een belasting die pas veel later werd geheven.

Met een twintigjarige levensverzekeringspolis wordt de rente op het op de polis gespaarde bedrag belastingvrij geïnd. Deze polissen zijn daardoor fiscaal bevoorrechte spaarproducten.

Door te beleggen in beleggingsfondsen die de winst op hun beleggingen op zak houden en niet uitkeren aan de beleggers, wordt de beleggingswinst afgerekend tegen een laag belastingtarief. Die fondsen betalen vennootschapsbelasting van 35 procent in plaats van progressieve inkomstenbelasting van maximaal 60 procent. De winst van de fondsen vertaalt zich in een waardestijging van de aandelen. Die geniet de belegger belastingvrij.

Dit fiscale spoorboekje kan in 2001 de prullenbak in. Vermeend wil de vrijstellingen voor rente en dividend laten vervallen. Hetzelfde geldt voor de lijfrenteaftrek. Over het spaarsaldo op levensverzekeringspolissen moet voortaan 1,2 procent belasting over de waarde worden betaald.

Op het eerste gezicht zijn de banken in de belastingplannen de lachende derde. Alle spaar- en beleggingsproducten worden na 2001 over één kam geschoren. Decennialang zijn de verzekeraars door de fiscus voorgetrokken. Sparen via een lijfrente of een levensverzekeringspolis leverde groot fiscaal voordeel op. De spaarproducten van de banken genoten geen enkele fiscale tegemoetkoming. Vermeend wil hier een eind aan maken: over alle spaarproducten is de nieuwe belasting verschuldigd van 30 procent over het fictieve rendement van 4 procent van de vermogenswaarde. Fiscaal worden de spaarproducten van de banken met één pennenstreek weer concurrerend met die van de verzekeraars.

Toch krijgen de banken ook met een grote verandering te maken. Zij zullen er rekening mee moeten houden dat zij de structuur van hun beleggingsfondsen drastisch moeten wijzigen. Bij deze fondsen waren de laatste twintig jaar de groeifondsen het paradepaardje. Deze fondsen zijn op vier uitgangspunten gebaseerd: * het fonds keert de winst niet aan de beleggers uit. * het fonds betaalt over de winst 35 procent vennootschapsbelasting * de belegger ziet de winst terug door de koersstijging van de aandelen. * die koersstijging geniet de belegger belastingvrij.

De banken beheren diverse soorten groeifondsen. Aandelenfondsen beleggen in aandelen, obligatiefondsen in obligaties en liquditeitenfondsen in valuta. Mixfondsen hanteren een beleggingsbeleid waarbij het vermogen over deze drie categorieën wordt verdeeld. Al deze fondsen potten de winst op en willen de aandeelhouder rijk maken door de koersstijging van de aandelen van het fonds. Deze fondsen worden in 2001 fiscaal in een nadelige positie geplaatst tegenover de belegger die zelf voor eigen rekening handelt.

Vermeend wil het belastingtarief voor de groeifondsen in 2001 handhaven op 35 procent. De fondsen moeten deze belasting over de gehele winst betalen. Daardoor worden de groeifondsen fiscaal onaantrekkelijk. Een belegger die zelf gaat beleggen, betaalt dan veel minder belasting. De doehetzelfbelegger betaalt slechts 30 procent belasting over een fictief rendement van 4 procent van de waarde van de belegging. Het belastingtarief van de belegger ligt dus lager dan dat van het groeifonds: het verschil is vijf belastingpunten. Een nog groter verschil is dat het groeifonds over alle beleggingswinst belasting betaalt, terwijl de doehetzelfbelegger over een fictief rendement van 4 procent betaalt. Als een fonds 10 procent rendement maakt op het ingelegd vermogen is over de hele beleggingsopbrengst belasting verschuldigd. Als de belegger erin slaagt op eigen houtje dit rendement te evenaren strijkt de belegger 6 procent rendement belastingvrij op.

De voorstellen van Vermeend kennen een tweede belangrijke verandering ten opzichte van de huidige situatie. In 2001 moet iedereen belasting betalen over zijn vermogen. De belasting van 30 procent over het fictief rendement wordt ook geheven over beleggingen die geen geld aan de belegger uitkeren. Als de belegger zijn geld in een groeifonds heeft gestoken, krijgt hij volgens de regels van het fonds geen dividend. Maar hij moet over de waarde van de belegging wel belasting betalen.

De doehetzelfbelegger daarentegen kan over zijn eigen geld beschikken, hij beheert dat immers zelf.

Is de conclusie dat Vermeend de zelf-belegger op het paard wil zetten? Dat is natuurlijk al te naïef. De bankiers en verzekeraars zullen tegen 2001 hun beleggings- en spaarproducten ingrijpend moeten vernieuwen. Zij zullen fondsen moeten creëren waarbij de winsten rechtstreeks aan de deelnemers ten goede komen en niet in het fonds worden opgepot. Daar zijn onder de huidige fiscale regels diverse mogelijkheden voor.

Of die er na Kerstmis van dit jaar nog zijn als Vermeend zijn belastingplan door de Tweede Kamer heeft gehamerd, is nu nog niet duidelijk. Zeker is wel dat tax-driven beleggers op dit moment beter geen contracten kunnen aangaan die na 2001 voortduren.

Meer over