Filosofie van het fietsslot

De discussie omtrent de omvang van het mannelijk lid is, in al haar belangwekkendheid, niet aan mij besteed. Ofschoon ik iedereen die mij de laatste weken over dit onderwerp informatie heeft toegestuurd vanaf deze plek hartelijk wil bedanken, ben ik in het algemeen te veel geneigd tot abstractie om me...

Marjolein Februari

Over mijn voorkeur voor filosofie en abstractie zou ik me nooit zorgen hebben gemaakt, als ik niet vorige week in HP/De Tijd een vernietigend verslag had gelezen over het filosofische debat. Joost Niemöller liet zien wat er precies mis is met de debatcultuur in Amsterdam: een gesprek in De Balie over de filosoof Carl Schmitt verwerd tot 'een abstract debat over de universaliteit van de mensenrechten' en tot overmaat van ramp droegen de sprekers ook nog lelijke schoenen (op één spreker na, want die droeg pikante laarsjes). Een filosofisch gesprek in Felix Meritis werd gevoerd door pover geklede studenten en een man met een grote baard, waarna de avond eindigde in zeemansliederen.

Lezing van dit achtergrondartikel maakte me erg onzeker over mijn wijsgerige interesse in de universaliteit van de mensenrechten. En die lelijke schoenen gaven de doorslag; schaamtevol besloot ik me niet langer in te laten met de filosofie.

Nu heb ik altijd gedacht dat je zonder abstracties niet kunt leven. Abstracties zijn nodig om overeenkomsten en verschillen te ontdekken in de chaos van concrete gevallen. De moeder van een rechtenstudente vertelde me ooit zorgelijk: 'Mijn dochter kan een college over diefstal bij de HEMA best begrijpen, maar die kennis helpt haar niets wanneer het tentamen vraagt naar diefstal bij de Albert Heijn.' Dit meisje, heb ik lange tijd gedacht, zou bepaald geholpen zijn met de ontwikkeling van haar abstractievermogen. Maar nu waren er dus die lelijke schoenen en die zeemansliederen, en werd ik gedwongen afstand te nemen van mijn geloof in het abstracte denken.

Toen ik dit besluit eenmaal had genomen, niet meer abstraheren, niet meer theoretiseren, liever maar helemaal niet meer denken, bleek dat anderen mij hierin al waren voorgegaan. In deze krant schreef bijvoorbeeld meneer X een stukje over de SGP en meneer Y schreef een stukje over Gerard Reve, en beiden hadden bij het schrijven zo min mogelijk nagedacht. Meneer Y schreef over de weigering van de Belgische koning een prijs uit te reiken aan Gerard Reve; die weigering, vond hij, kan worden vergeleken met de beslissing van een Belgische burger de schrijver Brusselmans voor het gerecht te dagen wegens belediging. Als ik in mijn normale abstracte doen was geweest, zou ik talloze verschillen hebben opgemerkt tussen deze twee concrete gevallen, maar nu geloofde ik meneer Y op zijn woord.

Meneer X, op zijn beurt, vond dat je geen bezwaar mag maken tegen de Staatkundig Gereformeerden die vrouwen weren uit hun partij, omdat je dan ook bezwaar zou moeten maken tegen mannen die vrouwen weren uit hun bed. En tegelijkertijd vond meneer X dat je juist wél verschil moet maken tussen de privé-sfeer en de publieke sfeer, zodat de voorzitter van de SGP best mag zeggen dat je in het openbaar geen uiting dient te geven aan je geaardheid als homofiel. Als ik in mijn normale abstracte doen was geweest, had ik van deze warboel van vergelijkingen niets begrepen, maar nu was ik het meteen helemaal eens met meneer X.

Zo zou ik in het vervolg gedachteloos en concreet door het leven zijn gegaan als er niet aan het eind van deze week iets was gebeurd waardoor ik werd teruggevoerd naar de abstractie. Wat gebeurde, was dit. Ik had een afspraak in een vreemde stad en kwam na enig zoeken terecht in een rustige straat met oude huizen. Precies naast de parkeerplaats die ik had gevonden, zaten in een portiek twee mensen, een man en een vrouw, verdiept in lepels en aanstekers en onduidelijke pakjes die tevoorschijn kwamen uit wapperende plastic tassen.

Het is natuurlijk de vraag of het verstandig is je auto, met radio en al, voor lange tijd te parkeren naast twee junkies. Maar omdat ik het nadenken had afgezworen, kon ik me met dit dilemma niet bezighouden en dus liet ik de auto staan, stapte uit en ging een parkeerbonnetje halen bij de automaat. Op het moment dat ik terugliep naar mijn auto draaide een politiewagen de straat in. De agenten hadden er waarschijnlijk meteen al spijt van dat ze in deze situatie waren beland: ze stopten weliswaar aan het eind van de straat, maar kwamen aarzelend tevoorschijn en begonnen met duidelijke tegenzin aan hun tocht.

Ze naderden in de verte steeds langzamer. In het portiek brak niettemin grote onrust uit, de man en de vrouw graaiden de plastic tassen bijeen en probeerden de lepels met toebehoren veilig op te bergen in hun jaszakken. De man was als eerste klaar om er vandoor te gaan: 'Vooruit', riep hij. 'Je fiets.' 'Ik kan niet zo snel', riep de vrouw nu in paniek. 'Ik heb hem op slot gezet.'

De man, die al van het trapje was afgesprongen en op het punt stond te verdwijnen, bevroor in de vlucht. Zijn voet zweefde een moment boven de grond en alleen zijn ogen bewogen. Je zag hoe diep in zijn innerlijk oude theorieën herleefden: theorieën over eigendom en diefstal, over botsende vrijheden en het schadeprincipe, over overheidstaken en zelfbeschikking. Hij vergat de naderende agenten op slag en draaide zich om naar de vrouw, die koortsachtig op zoek was gegaan naar haar fietssleuteltje.

'Je fiets op slot gezet?', vroeg hij, en zijn stem schoot omhoog in verbazing. 'Waarom?'

Inmiddels was ik ook tot stilstand gekomen en ik knikte de man dankbaar toe. Gelukkig, dacht ik, de eerste interessante kwestie sinds dagen. Waarom - ja, waarom? Dat wil ik eigenlijk ook altijd zo graag weten.

Meer over