FILM Schreeuwlelijkerds

In de Nederlandse film wordt de toon bepaald door figuren met een grote bek. Een patjepeeër is toch veel leuker dan een agent?...

Door Ronald Ockhuysen

Sander houdt niet van zijn collega's.

De keukenhulp, uitgerust met vlassnor en een drassige woordenschat, is zo'n type dat collega's angst inboezemt met bedreigingen en vuige grappen. Nordip, de nieuwe, Marokkaanse afwasser, dient helemaal op te passen. Hij moet niet denken dat hij het in restaurant De Blauwe Gier ooit verder schopt. De gootsteen is zijn plek. Punt uit.

In Het Schnitzelparadijs, gebaseerd op de gelijknamige roman van Khalid Boudou, komen de Nederlanders er slecht vanaf. Ze zijn arrogant, inhalig, en egocentrisch. Scenarioschrijver Marco van Geffen laat geen ruimte voor twijfel: in dit land wordt de toon bepaald door figuren met een grote bek.

Natuurlijk. Het Schnitzelparadijs is een romantische komedie, en Van Geffen heeft het contrast tussen de autochtonen en de allochtonen bewust aangezet. Maar het is typerend dat in deze film, die haakt naar een groot publiek, de Nederlander als patjepeeër wordt neergezet. Zo zien Nederlanders zichzelf blijkbaar graag. Als personen die anderen de les lezen, of belachelijk maken.

De Nederlander is verslaafd geraakt aan zijn persoonlijke vrijheid. Onze helden zijn mensen die zeggen waar het op staat. Mensen die luidruchtig voor zichzelf opkomen en voortdurend in de weer zijn het leven naar eigen believen in te richten. Types als Simon, de hoofdpersoon uit de gelijknamige film van Eddy Terstall, vorig jaar bekroond met vier Gouden Kalveren. De zakken gevuld met zwart geld, altijd jagend op nieuwe meiden die even snel genomen kunnen worden, en binnen twee tellen in de explosieve stand wanneer iemand zich een weerwoord permitteert.

Toffe gozer, toch? Liever een handige dealer dan een eerlijke agent.

Filmhelden vormen de spiegel van een natie. Op het grote doek komen de karaktertrekken van een land tot volle bloei. In de jaren zeventig stond Nederland massaal in de rij voor Wat zien ik (Paul Verhoeven, 1971), Naakt over de schutting (Frans Weisz, 1973) en Turks Fruit (Ve r h o e -ven, 1973). Dertien jaar later werd in Flodder (Dick Maas, 1986) het ik-tijdperk uitbundig gevierd. In de jaren negentig drong voorzichtig de vraag zich op wie de Nederlanders eigenlijk waren, en hoe we ons verhielden tot de nieuwkomers in dit land (De Poolse Bruid, 1998).

En nu? Nu schopt Abdullah zijn zus Leila vol in de buik (Shouf Shouf Habibi), terwijl de gemiddelde Nederlander zich onledig houdt met het bewonderen en nadoen van beroemdheden en geslaagde zakenmensen. In Ellis in Glamourland (Pieter Kramer, 2004) vindt de volkse Ellis haar ideale man pas nadat zij zich voordoet als een rijke dame. Haar prins op het witte paard, bij nader inzien ook van eenvoudige komaf, komt vanzelfsprekend voorrijden in een glanzende cabrio.

Een goede film bestaat bij de gratie van de associatie.

De beelden van de regisseur krijgen pas hun ware betekenis in de hoofden van het publiek. De Nederlandse bioscoopbezoeker ziet bij het aanschouwen van een fanfare meteen een wereld voor zich opengaan van braderieën, pannenkoeken, en jeugdlokalen, waar polderjongens dronken over hun Kreidler pochen en meiden quasi-verveeld een patatje oorlog wegwerken.

Films van Bert Haanstra hebben dat effect, en bijvoorbeeld ook die van Pieter Verhoeff. Wie Jeroen Willems in Ny n k e (2001) als Pieter-Jelles Troelstra over de Friese keien ziet lopen, herkent in zijn boertige en tegelijk statige motoriek de politicus van de Lage Landen, permanent in gevecht met zijn status.

Ook Zeeuwse mossels (Erik de Bruijn, 1999) had die vertrouwelijkheid: zodra Leen (Fedja van Huêt), de jongen die droomt van een groots leven in een stad, zich op de Zeeuwse wegen begaf, drong de geur van vis, zee en suikerbieten zich op.

Nederlandse films moeten, als het goed is, voor het Nederlandse publiek meer betekenen dan films die zich afspelen in de heuvels in Californië, op de Chinese rijstvelden, of in een hotel in Hongkong. In een Nederlandse film zouden kleinigheden zich in betekenis moeten vermenigvuldigen.

Dat gebeurt vrijwel nooit. Omdat de Nederlandse film steeds meer over mensen en hun probleempjes gaat en niet over breed uitwaaiende thema's. Zeurderige, verongelijkte mensen, die bevolken de Nederlandse film, mensen behept met het gevoel dat hen iets tekort wordt gedaan. Schreeuwlelijkerds, ook. Aan de symboliek en de suggestie wordt verder niets overgelaten, en van de ambitie om met archetypes een groter verhaal te vertellen, of een filosofische vraagstelling te lanceren, is al helemaal geen sprake # uitzonderingen als Erik van Zuylen Nanouk Leopold daargelaten.

De opmars van de alledaagsheid is een gevolg van het doelgroepdenken. Voor afwijkende personages, of voor personages die geheimen met zich meedragen, is nauwelijks plaats. De hoofdpersonen moeten op slag te duiden zijn. Daar zorgen de smaakcommissies van de subsidiënten wel voor, die de schrijvers dwingen net lang aan hun scenario's te poetsen totdat personages in de film een kopie vormen van doelgroep waarvoor ze bestemd zijn.

Blijkt uit onderzoek dat jongeren dol zijn op harde grappen? Dan krijgen die jongeren Ve hard , waarin Jack Wouterse op de maat van George Bakers Una paloma blanca zijn vuist of elleboog in het gezicht plaatst van iedereen die hij tegen het lijf loopt.

Zijn pubers in chatrooms vooral met versieren bezig? Daar is Snowfe ver al (openingszin: 'Kut! Kutsneeuw! Kutkou! Kutpiste! Kutwintersport!), een sneeuwpretfilm waarin de skipiste functioneert als een slagveld waar hebzucht, liefdeloosheid en egoïsme de voornaamste wapens zijn. Wie dik is, telt niet mee. Wie niet onmiddellijk met iemand in bed duikt, heeft geen stijl.

Humor? In Phileine zegt sorry (Robert Jan Westdijk, 2003) leeft de hoofdpersoon pas echt op als zij anderen op luide toon kan afbekken. Echt genieten wordt het als het over 'harde pikken' en 'kutpijpen' gaat .

hard. an de andere kant van het spectrum, A in de hoek van de arthousefilms, wordt al evenzeer in doelgroepen gedacht. In Leef ! (Willem van de Sande Bakhuizen, 2005) wordt geen ruimte gelaten voor welke associatie dan ook. Maria Goos voert een gezin op dat, net als de vriendenclub in Cloaca, er niet in slaagt zich gelukkig te voelen. Ze hebben alles en kunnen alles, maar wat domineert is het gevoel dat het leven voorbij glijdt # met als gevolg dat mama (een verloskundige die eigenlijk schrijver wil worden), papa (die maar geen nee kan zeggen tegen het meisje van kantoor), en de twee dochters langs elkaar heen leven. Het resultaat: een portret van mensen die vrijheid verwarren met het najagen van de eigen verlangens. Als papa tijdens het vreemdgaan door een hernia wordt overvallen, belt hij zijn vrouw of ze hem kan komen halen.

In Nederland bestaat nog altijd de neiging Amerikaanse films af te doen als een verzameling clichés. Van het rotsvaste geloof in vooruitgang, waarop de Amerikaanse maatschappij steunt, willen wij niets weten. Personages die eerst persoonlijke sores overwinnen en vervolgens ook nog eens het Kwaad omleggen, vinden wij karikaturaal en naïef. Hoezo een betere wereld? Het is toch herkenbaarder wanneer mensen elkaar kwetsen en verrot schelden?

Het Filmfonds, de grootste subsidiënt van films, streeft ernaar dat in de toekomst meer Nederlandse films op de prestigieuze festivals van Cannes, Venetië en Berlijn te zien zijn.

Vooralsnog moet hoop worden geput uit films die het recent wel haalden: Ja Zuster Nee Zuster (Pieter Kramer, 2002), in de competitie van Berlijn, en Guernse y (Nanouk Leopold, 2005) in Cannes.

Twee totaal verschillende producties, met een opvallende overeenkomst: de personages zijn geen praatjesmakers, maar dienen als bouwstenen voor een groter verhaal, dat schuilgaat achter wat er op het eerste gezicht te zien is.

In Ja Zuster Nee Zuster geven Klivia, Jet Gerrit al zingend en dansend het Nederland van voor de seksuele revolutie een gezicht, toen zoenen al heel wat was en de allochtoon als een bezienswaardigheid werd beschouwd.

In Guernse y zwijgen de hoofdpersonen vooral # een ongemakkelijk zwijgen dat het eigentijdse onbehagen van de Nederlander tastbaarder maakt dan tientallen verwensingen, scheldpartijen en smalende terzijdes.

Meer over