Filiaalhouders van Moskou

'VOOR ONZE Partij', schreef Troelstra in zijn gedenkschriften, 'is Deventer het begin geweest van een periode van gezond inwendig leven, sterken groei en frissche aktie naar buiten.'..

Jan Blokker

Zo wilde de voorman van de Nederlandse sociaal-democraten zich het congres van 1909 kennelijk herinneren: niet als het congres van het schisma, maar als het congres van de zuivering. Hij had er tenslotte z'n zin gekregen. Toen de in zijn ogen al te orthodox-marxistische redacteuren van De Tribune hun oppositie (én de uitgave van hun weekblad) weigerden te staken, liet hij ze eenvoudig royeren.

Opgeruimd stond netjes.

De drie belhamels konden weliswaar rekenen op een solidaire aanhang, die de partij meteen ook de rug toekeerde, maar daar meende Troelstra niet al te zwaar aan te hoeven tillen. 'Het getal der uitgetredenen, 493', becijferde hij in z'n memoires, 'werd sterk overtroffen door de 1127 leden die reeds aan het eind van dat jaar nieuw waren toegetreden.'

Wat hem betreft was de zaak daarmee afgedaan. 'Overigens', noteerde hij nog in zijn terugblik van twintig jaar later, 'ligt het niet op mijn weg de verschillende scheuringen, splitsingen, wederzijdsche verketteringen en andere sektarische hebbelijkheden nader te bespreken, die het optreden der oppositie van voor 1909 verder hebben gekenmerkt.'

Maar dat lijkt achteraf iets te laconiek geredeneerd. Bijna vijfhonderd partijgenoten die in één klap opstappen - dat was op negenduizend leden om te beginnen natuurlijk niet helemaal niks. Daarbij waren het niet de geringsten. In het kielzog van David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn en Jan Cornelis Ceton - de geroyeerde redacteuren - verdwenen intellectuele en publicitaire kopstukken als Herman Gorter, Antonie Pannekoek, J. Saks en na een poosje ook Henriëtte Roland Holst uit de voorhoede van de SDAP. De nieuwe partij (SDP) waarin ze zich als betrekkelijk elitaire scherpslijpers organiseerden, maakte in Nederland geen schijn van kans (en leerde ook nauwelijks tot de verbeelding spreken van een opkomend fabrieksproletariaat), maar zou in de 'Sturm und Drangjahre' van het wereldsocialisme korte tijd een opvallende rol spelen.

Dat lag aan twee dingen. Deels natuurlijk aan het gemak waarmee erudiete figuren als Gorter, Roland Holst en Pannekoek zich binnen de internationale rode familie bewogen - echte socialisten kenden tenslotte geen grenzen. Maar bovenal golden de Nederlandse 'tribunisten' als ware baanbrekers, voorzover ze bijna als eersten in Europa de scheuring hadden bezegeld tussen radicaal en 'reformistische' links. Bijna, want de Russische bolsjewieken van Lenin waren ze in 1903 voorgegaan. Maar de Russen hadden in die dagen nog iets obscuurs: illegaal in eigen land, en daarom nog een stuk minder prestigieus dan de Duitse sociaal-democraten, die ondanks een sterke linkervleugel (Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, Clara Zetkin en Karl Radek) de eenheid wisten te bewaren.

Pas tien jaar na 'Deventer', toen de Russische revolutie min of meer was geconsolideerd, konden Wijnkoop en de zijnen zich erop beroemen dat zij allang frère et compagnon waren geweest met de grote leiders van het nieuwe communistische rijk - en tegen die tijd verkeerden Gorter, Pannekoek en Roland Holst op voet van gelijkheid met Lenin en Trotski. Eén van de 'sektarische hebbelijkheden' waarover Troelstra nogal geringschattend zou spreken, was een sektarische realiteit geworden. En geen kleintje ook.

In de euforie van de oktoberrevolutie veranderden de tribunisten de naam van hun (splinter)partij, en noemden ze zich trots communist. In het halve potjesduits dat heel lang de lingua franca onder de internationale kameraden zou blijven, waren ze voortaan de Kommunistische Partei Holland, thuis bekend als de CPH. Groot werden ze niet meteen, maar ze kwamen met twee zetels wel in de Tweede Kamer.

En haast vanzelfsprekend werd de kleine Nederlandse groepering met ere lid van de door Lenin in het leven geroepen Derde (Communistische) Internationale, die in de wandeling bekend zou blijven bij de orwelliaanse afkorting Komintern.

Met ere inderdaad. Van meet af aan hadden bolsjewiki de tribunisten beschouwd als de trouwste broeder-marxisten van Europa. Lenin had met de hulp van een Duits-Nederlands woordenboek Gorters Imperialisme gelezen en bewonderd (al zou hij er naar eigen zeggen niet meer dan 35 procent goed van hebben kunnen opsteken), en nog in 1915 had hij getuigd: 'De door Gorter en Pannekoek geleide marxistische partij heeft consequente, oprechte en vurig overtuigde internationalisten opgeleverd.' Zo leken de Hollandse scheurmakers van 1909 in 1919 een prominente plaats te hebben ingenomen aan de goede kant van de wereldgeschiedenis.

Hoe hun betrekkelijk privilege-achtige rol in tien jaar tijd verkrummeld raakte tot een staat van volstrekte afhankelijkheid, blinde gezagstrouw en gênante jaknikkerij, is het onderwerp van De meridiaan van Moskou, dissertatie van de Groningse historicus Gerrit Voerman.

Geen verheffende geschiedenis natuurlijk, al begon ze dan veelbelovend voor het ego van de Nederlandse communisten, en al waren de eerste jaren niet zelden vervuld van avontuur, romantiek en de prikkeling van het verbodene. De verhalen over grootvorstelijke diamanten, parelsnoeren en andere kostbare juwelen die de Russen langs ingewikkelde wegen naar het Westen lieten smokkelen om hun armlastige kameraden in Berlijn, Parijs, Londen en Amsterdam te ondersteunen, zijn op zichzelf - hoe apocrief misschien ook - al heel prachtig. Maar even mooi blijven de talloze anekdotes over de reizen van onze grote dichters Gorter en Roland Holst naar het Nieuwe Mekka: altijd clandestien, altijd via krankzinnige omwegen (Zweden, Estland soms Moermansk), dus altijd weken durend, maar ook altijd ondernomen in de vrome extase van pelgrims naar het Beloofde Land.

Dat laatste is in de relatie tussen CPH en Moskou natuurlijk nog jaren het taaiste sentiment gebleven - taai genoeg om twijfels, teleurstellingen en ten slotte zelfs vernederingen te overleven. 'Iets ontzaglijk groots en heerlijks is geschied', schreef Roland Holst na de bestorming van het Winterpaleis al meteen in De Tribune, en Gorter verzekerde zijn geliefde: 'Mijn Hart, dit is de grootste tijd die er ooit geweest is. Het is het begin van het ontwaken tot de Vrijheid der menschen.' Literair minder begaafde geestverwanten zullen het iets minder bloemrijk hebben gezegd en gevoeld, maar dat zal aan hun heilsverwachting weinig hebben afgedaan. En er moest veel gebeuren wilden ze hun fanatieke geloof kwijtraken.

Er gebeurde zeer veel, en uiteraard duizendmaal meer in het reusachtige 'omgewentelde' Rusland dan in het veilige, beschutte, kleine Nederland dat tot verdriet van de lokale socialisten niet of nauwelijks door de revolutie was aangeraakt. Hier konden de Wijnkopen en de Ravesteynen hun geloof 'zuiver' houden - daarginds moesten de Lenins en de Trotski's de handen steeds vuiler maken. Hier werd de richtingenstrijd uitgevochten op het niveau van de bittertafel - daarginds moest een linkse opstand in Kronstadt onmiddellijk bloedig worden neergeslagen. Hier bleven Gorter of Roland Holst eerbiedwaardige intellectuelen - daarginds werden ze na verloop van tijd als lastige vliegen weggeslagen. Hier ging het nog heel lang om idealen met grote hoofdletters - daarginds werd het al heel snel een kwestie van ordinaire macht.

Stapje voor stapje verloren de Hollandse communisten de 'voorkeursbehandeling' waarin ze zich een kort poosje hadden mogen verheugen, en werden ze gedegradeerd tot handlangers van een dictatoriaal systeem waarop ze geen enkele invloed hadden. Gezien vanuit de Komintern die de lakens uitdeelde waren ze een quantité négligeable, ware het niet dat het Kremlin nog wel dacht ze te kunnen gebruiken als informanten (er waren immers geen diplomatieke betrekkingen met Den Haag), en omdat Nederland weliswaar een Europese dwerg, maar in Azië een koloniale reus was.

Het geld dat van Moskou naar de CPH werd overgemaakt - zo'n 12.000 gulden per jaar, wat toch een paar ton naar huidige maatstaven betekende - was aan het eind van de jaren twintig trouwens regelrecht als afpersingsbedrag bedoeld: men kreeg het op voorwaarde dat Trotski in De Tribune verdacht zou worden gemaakt.

Van trotse strijdmakkers tot ondergeschikte filiaalhouders: dat is het proces dat door Voerman in zijn proefschrift heel precies, met zeer veel wetenschappelijke consciëntie, maar tegelijkertijd ogenschijnlijk heel 'losjes' en buitengewoon toegankelijk is beschreven. De feiten waarvan het boek bijna barst (en die voor een deel zijn ontleend aan recentelijk openbaar geworden Russische bronnen) zijn geordend op een manier die optimaal ruimte laat voor de emoties, de heibels, de Prinzipienreiterei en de desillusies van al die verloren Hollandse martelaren van het verkeerde geloof: de Rutgersen, de Schermerhorns, de Wiessingen, de Gouloozes, de Sneevlieten en de Struiken.

Net als de meeste 'oer'tribunisten waren ze in 1930 voorgoed vergeten of vermalen. De droom was uit. Voor het communisme in Nederland zou de treurige werkelijkheid aanbreken die onder Paul de Groot nog bijna zestig jaar moest duren.

De sektarische hebbelijkheid van Troelstra had het toch nog bijna een hele eeuw uitgehouden.

Meer over