Filiaal van de hemel

De Cubaanse revolutie werkte eind jaren zestig als een magneet op linkse intellectuelen. De fellow travellers verdedigden hun held Fidel Castro – nu 80 jaar en ernstig ziek – te vuur en te zwaard....

Voor Wouter Gortzak is oudjaar 1967 nog altijd een van de leukste avonden van zijn leven. Honderden intellectuelen uit zeventig landen, sympathisanten van de Cubaanse revolutie, waren in Havana te gast op het Congreso Cultural. Jean-Paul Sartre, Carlos Fuentes, Hugo Claus, Harry Mulisch – iedereen die ertoe deed, was present.

‘Fantastisch! We waren in La Tropicana, de grootste nachtclub van Cuba, echt een é-nór-me tent’, herinnert Gortzak zich, oud-lid van de CPN, later hoofdredacteur van Het Parool en PvdA-Kamerlid. Gortzak was destijds op Cuba als redacteur van De Groene Amsterdammer en als lid van de Werkgroep Cuba Informatie.

‘Er was een supershow naar Amerikaanse snit, met geen pen te beschrijven. Om middernacht begonnen die jongens en meiden de Internationale te zingen. Op 1 januari volgde op het plein bij de kathedraal en het paleis een enorm diner. Er werd een revolutionaire opera opgevoerd, koren hingen uit de ramen. Volslagen belachelijk, maar erg leuk.’

Maar wat er aansluitend op dat Cultureel Congres, van 4 tot en met 12 januari 1968, zoal ter tafel kwam? Gortzak: ‘Ik kan het me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren.’

Cuba bezat in de jaren zestig een grote aantrekkingskracht in linkse kringen. Menigeen zag op het eiland, in 1959 door Fidel Castro en Ernesto ‘Che’ Guevara bevrijd van dictator Fulgencio Batista, de volmaakte maatschappij ontstaan. Harmonieus en rechtvaardig, zonder enige schaduwzijde. Het revolutionaire Cuba was het eiland van de ingeloste beloften, een Utopia, haast een ‘filiaal van de hemel’, zoals Harry Mulisch het later in zijn roman De ontdekking van de hemel omschreef.

Nederlandse sympathiserende studenten en journalisten, schrijvers en componisten, avant-gardistische kunstenaars en Nieuw-Linksers kregen de kans Cuba te bezoeken. Ze kwamen nog geestdriftiger terug dan ze erheen gingen. ‘Cuba heeft mijn leven gebeterd’, schreef Mulisch, in 1967 en 1968 drie keer op Cuba. In zijn memoires stelde cineast Joris Ivens: ‘Het waren de tropen met hun hitte, zweet, sensualiteit en die soort lichte loomheid die mensen ontvankelijk maakt voor ontboezemingen en onmiddellijke vriendschappen.’

Mulisch beschreef ook in geuren en kleuren de oudejaarsviering in Tropicana. Tot bij de ‘hoogste instanties’ had de schrijver aangedrongen op ‘matiging van deze overdaad in het noodlijdende land, maar steeds was het antwoord, dat voor gasten niets goed genoeg was. Het was geen kwestie van propaganda, die haar doel dan trouwens ook ver voorbij zou zijn geschoten, maar een kwestie van dignidad, van eer.’

Ook meer subtiele ‘technieken van gastvrijheid’ zijn terug te vinden in reisverslagen. Toen al waren er winkels waar men alleen op vertoon van een buitenlands paspoort mocht kopen. De Amsterdamse politicoloog Lucas van der Land concludeerde dat Cubanen ‘voor de lol’ in de rij stonden voor bloemen, snoep of ijs, maar zelf hoefde hij niet te wachten op een frisdrankje. ‘Niemand van de wachtenden schopt ons achteraan de rij. In tegendeel, men maakt ruimte en knikt ons vriendelijk toe.’

Massapsycholoog en publicist Jaap van Ginneken, die in 1969 met Ruud van Hemert de dagboeken van Che Guevara verfilmde, deed mee aan een zomerkamp voor studenten. ‘Als tegenprestatie deden we vrijwilligerswerk op een koffieplantage.’ Het was mei ’68, de straten van Parijs stonden in brand. De Britse pers schreef dat de studenten op Cuba werden opgeleid tot stadsguerrilla’s. ‘Allemaal lulkoek.’

De Cubanen waren gastvrij, maar dat de gasten niet onbeperkt vrij konden rondreizen, merkte Van Ginneken al op het zomerkamp en nog nadrukkelijker in 1971, toen hij met Van Hemert een tv-reportage wilde maken over een vooraf gekozen dorp. ‘De Cubanen wilden ons daar niet hebben. Wel konden we elders filmen. Ook kregen we een tolk mee, hoewel Ruud en ik aardig Spaans spraken. Het was wel duidelijk waar die begeleider echt voor diende. De VPRO zat niet te wachten op een modeldorp dat men ons daar in de maag wilde splitsen.’

Maar van Jaap van Ginneken zou jarenlang geen kwaad woord over de revolutie of over Castro te horen zijn. ‘Ik heb zelfs nog een gênante hagiografie over hem geschreven.’

Het cultureel congres waarvan Wouter Gortzak zich wel nog de feesten herinnert, maar niet meer de thema’s, ging over hoe westerse intellectuelen konden bijdragen aan de gewapende bevrijdingsstrijd in de Derde Wereld. Mulisch voegde de daad bij het woord en richtte in Amsterdam het Comité van Solidariteit met Cuba op. Mede-Cubagangers als journalist en politicus Han Lammers, componist Peter Schat, schaker/publicist Jan Hein Donner en Wouter Gortzak, de laatste ook al actief bij de Werkgroep Cuba Informatie, sloten zich aan.

Gortzak: ‘Ik vond het comité maar niks. Die Mulisch is een ontzettende zwetser. Mooi om naar te luisteren, daar gaat het niet om, maar het is niet een man die iets organiseert. Het enige wat die solidariteit echt heeft opgeleverd, is de opera Reconstructie van Schat, Mulisch en nog enkele mensen.’

Zagen de sympathisanten vooral de zonzijde van de revolutie, critici als Karel van het Reve wasten hen geregeld de oren. ‘Castro? Ze maken minder suiker en ze moeten luisteren naar redevoeringen die vier uur duren. Dat schijnen de mensen hier ontzettend fijn te vinden’, sneerde hij in 1968 in Vrij Nederland.

‘En het gelul over de nieuwe mensen. Hitler had het ook over de nieuwe mens en ze moesten daar ook de grond bewerken. Ik ben altijd ontzettend wantrouwend als ze het hebben over de nieuwe mens. Dan is er altijd een executiepeloton in de buurt. Onder Batista zal het wel een troep zijn geweest. Maar ik begrijp niet waarom de troep van de voorganger de dictatuur rechtvaardigt.’

Mulisch kreeg de wind van voren van Renate Rubinstein, alias columniste Tamar in Vrij Nederland. In 1969 verweet ze hem zich niet te verplaatsen ‘in de man die vrijwillig suiker moet oogsten na kantoortijd, in de man die voor het volkstribunaal gedaagd is omdat hij ruzie met zijn buurman heeft, en in de paartjes die nu in het suikerriet vrijen omdat de cafés gesloten zijn. Mulisch daarentegen is solidair met de leiders van Cuba. (...) Hij is zich bewust van zijn bevoorrechte behandeling als buitenlandse gast, maar beschouwt het als een compliment aan hem persoonlijk en een bewijs voor hun goede smaak.’

De sympathisanten verdedigden Cuba met hart en ziel, maar toch bleef de teleurstelling niet uit. De twijfel sloeg toe toen Castro zijn steun betuigde met de Russische inval in Praag, op 21 augustus 1968. Gortzak veroordeelde de inval scherp, maar toonde in zijn artikelen toch nog begrip voor Castro. Die zat immers tussen twee vuren: de Cubaan zou de steun van Sovjet-Unie nog wel eens hard nodig kunnen hebben.

Schaker Jan Hein Donner, die met Mulisch Cuba had bezocht en tijdens de Russische inval in Praag was, nam el líder máximo in bescherming: ‘Hij heeft het recht de dingen zeer ongenuanceerd te zien’, schreef hij. ‘Zijn situatie is zwart-wit.’

Veel sympathisanten keerden zich van Cuba af, toen op het eiland de veelgeprezen artistieke vrijheden werden beknot. De schrijver en dichter Heberto Padilla (1932-2000) belandde in 1971 in de cel wegens een kritisch gedicht; hij moest een ‘zelfkritiek’ schrijven.

Castro ontving een petitie van 61 Europese en Latijns-Amerikaanse sympathisanten, onder wie politieke toeristen als Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Hans Magnus Enzensberger en Carlos Fuentes. Ze spraken hun bezorgdheid uit over het repressief optreden van Cuba tegen degenen die gebruik maakten van het recht op ‘kritiek binnen de revolutie’. Castro maakte de briefschrijvers uit voor ‘bourgeois-liberalen’, ‘agenten van de CIA’ en ‘schaamteloze pseudo-linksen’.

Maar Mulisch bleef trouw. In Over de affaire Padilla (1971) gaf hij de Verenigde Staten de schuld van de hele zaak. Door de tegenwerkingen van het grote, imperialistische buurland richtte Castro zich noodgedwongen op de Sovjet-Unie, en daar was men nu eenmaal minder gesteld op kritische dichters. Die opstelling is Mulisch vaak verweten, maar hij is er nooit op teruggekomen.

Nu het tijdperk-Fidel Castro na bijna vijftig jaar ten einde loopt, blikken de Cubagangers van destijds met dubbele gevoelens terug. ‘De situatie is er niet vrolijker op geworden’, zegt Gortzak. ‘Ze hadden een mooi systeem, met gratis onderwijs en gezondheidszorg, maar door de beroerde economie lazert alles toch in elkaar. Ik hoop alleen niet dat na de dood van Castro de Miami-Cubanen de boel weer overnemen.’

Jaap van Ginneken: ‘Ik heb sindsdien grotere vergissingen gemaakt dan Castro’s fouten goedpraten. In de jaren zeventig heb ik Mao verdedigd. Bij Castro valt de balans negatief uit, al blijf ik volhouden dat hij door Washington is afgeknepen en dat hij daardoor bepaalde keuzes wel móest maken. Ik heb altijd een zekere sympathie voor hem behouden, maar het is wrang dat hij zijn politieke tegenstanders monddood maakt.’

Gortzak vond Castro ‘ongelofelijk fascinerend’, maar hij hoorde nooit tot de ‘échte aanbidders’. ‘Ik was al eerder van mijn geloof gevallen door Chroestsjov. Zonder absolute vrijheid van meningsuiting gaat het niet.’

Waren de politieke toeristen op Cuba naïef? Gortzak: ‘Ach, je kunt je door de tropenzon een mooi oor laten aannaaien.’

Meer over