Fietsers linksaf, wandelaars rechtsaf

Natuurbeheerders willen zo veel mogelijk mensen een natuurbeleving bieden, maar hoe doe je dat: 1,6 miljoen bezoekers per jaar door een kwetsbaar gebied heen leiden?...

Door Caspar Janssen

‘Dit is dus, op zondag, de Kalverstraat van Drenthe.’ Andre Donker, Natuurmonumentenbeheerder, staat bij een wegwijzer op de parkeerplaats aan de Bendersweg, de ingang van Nationaal Park Dwingelderveld. Rechts is het bezoekerscentrum, rechtdoor en rechtsaf beginnen wandelroutes, er is een fietspad, de weg loopt nog een stukje door tot een nieuw kruispunt, waar ruiterroutes en atb-paden beginnen, waar de schaapskooi ligt en de weg naar een ‘theehuys’. ‘Op zondag komt hier alles samen. Fietsers, ruiters, menners met rijtuigen, atb-fietsers, wielrenners, wandelaars, nordic walkers, joggers en auto’s van hondenuitlaters en bezoekers van de schaapskooi of het bezoekerscentrum. Het loopt hier regelmatig vast. Soms denk ik weleens: waar komen al die mensen toch vandaan?’

1,6 miljoen bezoekers (Donker: ‘Ja, dat is eentiende van de bevolking.’) komen er jaarlijks naar het Dwingelderveld, het grootste, aaneengesloten natteheidegebied van Noordwest-Europa. En volgens de beheerder kan dat bezoekersaantal best nog groeien tot 2 miljoen. ‘Alleen op zondag is het een probleem. Maar doordeweeks is het hier gewoon rustig.’

Donker is aanhanger van de gedachte: er kan nog meer bij. Dat is niet alleen een gedachte, het is de heersende trend bij natuurorganisaties en onder politici: hoe kan de Nederlandse natuur nog toegankelijker worden gemaakt voor het grote publiek. Staatsbosbeheer kreeg vorig jaar de expliciete opdracht om te ‘vermaatschappelijken’ en ook Natuurmonumenten streeft er naar om zo veel mogelijk mensen ‘natuurbeleving’ te bieden. Al is het maar vanwege ‘het draagvlak’ voor natuurbescherming. Er zijn nog tegensputterende natuurliefhebbers die vinden dat de natuur er voor de natuur is en dat mensen alleen maar schade toebrengen, bijvoorbeeld omdat ze op fietspaden slangen, kikkers, padden en kevers doodrijden. Maar zij voeren een achterhoedegevecht. Of zoals Marloes Berndsen van Staatsbosbeheer zegt: ‘We hebben gekozen voor een mens-inclusieve natuur. En dus niet voor mens-exclusieve natuur.’

Dat heeft nogal wat consequenties. Bijvoorbeeld voor de inrichting van natuurgebieden. Toverwoord daarbij (modewoord, zeggen sceptici) is ‘zonering’. Daar weet Andre Donker alles van. ‘Onze corebusiness blijft de natuur, de zeldzame plantjes, zeg maar. Maar dat is niet waarvoor de meeste bezoekers komen. Die komen voor de ruimte, voor het decor, voor de frisse neus. Voor die mensen moet je voorzieningen treffen, zonder dat de kwetsbare natuur er onder lijdt.’

Dat ging al eens mis, moet Donker erkennen. ‘De kraanvogel heeft geprobeerd hier te broeden. Maar net in dat paasweekend was het hier ontzettend druk. Te druk voor de kraanvogels. Dus verdwenen ze. Heel pijnlijk. We proberen dat gedeelte van het gebied nu zo in te richten dat het de volgende keer wel gaat lukken.’

Zonering, daar zijn middelen voor, of trucs, en Donker past ze allemaal toe. Hij spreekt in dit verband van de ‘gouden driehoekscombinatie’ van het bezoekerscentrum, de schaapskooi en het theehuis. ‘Deze trekpleisters liggen aan de randen van het gebied. Van daaruit zijn er kortere wandelroutes, want anderhalf uur wandelen is voor de meeste mensen genoeg.’

Daarnaast zijn er nog wat trekpleisters aan de andere randen van het gebied: nog een schaapskooi, de sterrenwacht, nog een groot informatiecentrum. Bij het bezoekerscentrum is een miniatuurversie aangelegd van het natuurgebied. ‘Voor gezinnen met kinderen vlindert het hier al genoeg. Kinderen kunnen schepnetjes huren om kikkervisjes te vangen. Ze zijn hier vaak al anderhalf uur zoet met de natuur, zonder dat ze in het gebied zelf zijn geweest.’

Het is zaak om veel activiteiten te organiseren, volgens Donker. ‘Trektochten, speurtochten, tochtjes met de paardentram, picknicks. We hebben hier dagelijks wel vier of vijf activiteiten.’

Dan het gebied zelf. ‘Kijk, daar, op de middendijk is het fietspad, een wandelpad en een ruiterpad. Mensen komen voor het decor en de ruimte. ‘Je doet er wel twintig minuten over om de hei over te komen met de fiets,’ die sensatie. En het is nog stil ook.’

De middendijk is iets hoger dan de heidegrond aan weerszijden. ‘Daar liggen de tachtig vennetjes en stukjes veen, de kwetsbare stukjes. Daar is het leeg. Dus iedereen die door het gebied fietst, krijgt het idee dat hij bijna alleen is in een overweldigend groot en stil decor.’

En dan de paden. ‘Atb’ers en ruiters, die klagen over elkaar. We krijgen vaak klachten van verschillende gebruikersgroepen die elkaar iets te veel tegenkomen.’ Dus krijgt bijna iedere groep zijn eigen pad, die elkaar ook nog eens zo min mogelijk moeten kruisen. En voor hondenbezitters zijn er hondenlosloopgebieden ingericht aan de randen van het park.

Donker is vaak in onderhandeling met vertegenwoordigers van de diverse gebruikersgroepen. Zo lukte het om de ruiterroutes deels buiten de grenzen van het nationale park te leggen. ‘Er zijn nu nog vijf knelpunten over. Zoals hier, op de Benderseweg. Hier willen we de ruiters en de menners weg hebben. Die aanspanningen van de menners zijn niet zo wendbaar en vrij breed. Dat zorgt op zondag voor opstoppingen.’

De nieuwste tactiek om enerzijds zo veel mogelijk bezoekers te trekken en anderzijds het gebied te ontlasten, is het betrekken van de omgeving bij het park. ‘Je kunt om het park heen het levende verhaal vertellen van de esgronden en de beekdalen. Het verhaal begint bij de dorpen in de omgeving. Daar zouden mensen hun auto kunnen parkeren. Daar kun je ook de horeca situeren. Want de mensen komen ook voor dat terrasje op de brink. Ze zouden dan in de dorpen fietsen kunnen huren om het park te bezoeken. Dat is voor iedereen goed: voor de omgeving, voor de ondernemers, voor de natuur.’

Het lijkt wat ondergesneeuwd te raken, maar het grote doel is nog altijd om de natuur sterker en beter te maken, beweren de natuurorganisaties stellig. ‘Het principe is: je kunt de natuur niet afsluiten voor mensen,’ zegt Eric Wanders van Staatsbosbeheer. ‘Dat is net zoiets als de zon uitzetten. Maar op sommige plekken hebben we de natuur juist te toegankelijk gemaakt. Door plankenpaden, knuffelpaden, met boomstammetjes die drijven op het veen, door dijkjes en bruggetjes.’

Wat Wanders maar wil zeggen is: ‘De Nederlandse natuur is van huis uit niet zo toegankelijk. Het is grotendeels moerasnatuur. Dat zou weer maatgevend moeten zijn.’ Dus: aan de randen kan een groot deel van de recreatie in de natuur plaatsvinden, terwijl dieper in de gebieden de toegankelijkheid weer moet worden bepaald door de natuur zelf. Eric Wanders: ‘De Wieden Weerribben is eigenlijk een zoetwatermoeras. Dat zou dichtgroeien als je niets zou doen. Nu wordt dat open gehouden. Daardoor is de recreatiedruk zo groot dat de moerasvogels daar last van hebben. Die wijken voor de bezoeker. Ik zeg dan: laat maar een aantal vaargeulen dichtgroeien. Dan ontneem je niemand het recht om er te komen, maar je maakt het wel moeilijker.’

Datzelfde zou moeten gebeuren in de Biesbosch, vindt Wanders. ‘Daar worden nu de bomen weggehaald die de kreken blokkeren. Dat zou je niet moeten doen. Dan wordt de Biesbosch echt een ondoordringbare wildernis, waar je alleen met heel veel moeite doorheen kunt. Dat heeft ook als voordeel: alleen de echt gemotiveerde natuurliefhebber komt op die plekken. En de beleving is dan tegelijkertijd veel intenser.’

Nog een voordeel, volgens Wanders: ‘Als de natuur zichzelf kan zijn, dan kun je ook relaxter zijn met openheid. Als er voldoende orchideeënveldjes zijn, dan mag er best eens iemand doorheen lopen.’

Wanders kent nog wel meer trucjes om de natuurbezoeker te sturen en soms zelfs letterlijk om de tuin te leiden. ‘Als een beekje meandert, dan heb je al snel het idee dat de route langer is. En je ziet minder mensen. Als je een brug maakt over water, dan zie je ook mensen aan de overkant lopen. Dus geen brug maken, zeg ik.’

Ook wandelpaden horen te kronkelen, en bomen en bosschages ontnemen het zicht op andere bezoekers. Vogelkijkhutten of andere ‘attractiepunten’ kunnen dienen als bliksemafleider van kwetsbare gebieden. En uitkijktorens – ook een trend – geven bezoekers een mooi overzicht, zonder dat ze de natuur daadwerkelijk betreden.

Marloes Berndsen weet er nog wel een paar. ‘Het introduceren van eenrichtingsverkeer op een pad. Mensen storen zich in de natuur aan tegenliggers. Als ze achter elkaar aan lopen, hebben ze het idee dat het minder druk is. Dieper in de gebieden kun je de paden er gewoon uithalen, en de bankjes, en de bordjes. Dan komen alleen de struiners nog. En noem een pad ‘laarzenpad’ en het schrikt al veel mensen af. Je kunt sommige paden ook gewoon niet meer onderhouden, dan loopt er binnen de kortste keren een andere groep mensen.’

Berndsen heeft zich verdiept in al die typen natuurgebruikers. Een recent onderzoek van het Wageningse onderzoeksinstituut Alterra onderscheidt vijf motieven om de natuur in te gaan. 35 procent van de bezoekers wil ‘er even uit’, 30 procent zoekt ‘gezelligheid’, 15 procent is 'geïnteresseerd en wil iets leren’, 10 procent zoekt ‘wildernis’ en 10 procent komt om te sporten. Berndsen: ‘We richten ons nadrukkelijker dan voorheen op de gezelligheidszoeker. Dat is ook onze opdracht. En we voelen daar urgentie bij, sinds eind vorig jaar bleek dat het draagvlak voor natuur en natuurorganisaties was afgenomen. De groep gezelligheidszoekers is ook aan het groeien. In de omgeving van Rotterdam wil 50 procent van de mensen naar de natuur voor de gezelligheid. Aan die vraag moeten wij voldoen.’

Dus moet er meer ‘recreatiegroen’ dicht bij de stad. En ja, zegt Berndsen: ‘Soms is de recreatie leidend. Het gaat erom dat mensen in de stad dicht bij huis naar buiten kunnen.’

En soms gaat het nog verder. ‘Het Gagelbos bij Utrecht, dat grenst aan de wijk Overvecht, dat hebben wij altijd beheerd als natuurgebied. Nu hebben we het meer voor recreanten ingericht. Met horeca, bankjes, picknickplekken en een speelweide, waar we dus regelmatig maaien. Maar achter het Gagelbos zit nog een kwetsbaar, waardevol moerasgebiedje. Dat gebiedje hebben we juist wat minder uitnodigend gemaakt.’

Dat past helemaal in het beleid van ‘differentiatie’. En heel belangrijk in dat beleid, aldus Berndsen: ‘ Je moet twee groepen echt uit elkaar moet houden: de echte liefhebber en de gezelligheidszoeker. Dat doe je dus met die zonering.’

Eduard Habets, Natuurmonumentenbeheerder van de Limburgse Brunsummerheide, kent alle ‘gebruikersgroepen’ maar al te goed. Dat varieert van hondenuitlaters, atb’ers en illegale motorcrossers tot de ware natuurkenner. Ook hij haalt alle trucs uit de kast ‘die groepen uit elkaar te houden’ en ‘kwetsbare gedeelten te sparen’. Dat valt nog niet mee, want: ‘Wij zitten midden in een stedelijk gebied.’ Dus kwam het wel voor dat er weer een loslopende hond achter reeën aanging of dat ruiters en atb’ers elkaar in de haren vlogen. Maar ‘het zoneren’ werkt, is zijn ervaring. ‘In het kwetsbare gedeelte komen nu minder mensen, omdat we andere gedeelten nadrukkelijker hebben opgesteld. De kwaliteit van het gebied is toegenomen, terwijl er toch meer bezoekers zijn.’

Habets heeft de ervaring dat de meeste mensen het verschil niet zien tussen bijzondere, waardevolle natuur en minder bijzondere, waardevolle natuur. ‘Het maakt ze ook niet zoveel uit. We hebben een fijn terras bij het bezoekerscentrum. Onze best bezochte attractie. Vanaf dat terras kun je kilometers ver uitkijken over de hei. Dat is voor veel mensen voldoende.’

Meer over