Feestvarkens

REMCO CAMPERT

'Bijeenkomst en samenzijn ter viering van een heuglijk feit.' Dat is volgens Van Dale een feest. Feesten zijn er in verschillende soorten. Om te beginnen verjaardagsfeesten. Van het vieren van mijn eigen verjaardag ben ik nooit een groot voorstander geweest. Dat is waarschijnlijk terug te voeren op mijn jeugd. Mijn verjaardag viel (en valt) tijdens de zomervakantie en al mijn vriendjes schitterden door afwezigheid, omdat ze met hun ouders elders vertoefden.

Verder hebben we de huwelijksfeesten, inwijding-van-nieuw-huisfeesten, het Boekenbal, Bezige Bij-feesten. Daar waren er veel van, vooral in de periode dat Geert Lubberhuizen er directeur was. De Bevrijding lag nog niet zo lang achter ons en alles gaf aanleiding tot een feest. Menig keer werd ik er, op of onder een bank liggend, gewekt door schoonmakers. In het gebouw kwamen andere gesneuvelde feestgangers weer tot leven. Onder leiding van de immer opgewekte directeur bouwden we, onfris van de lever, een nieuw feestje. Dat ik desondanks tot schrijven kwam mag wel een wonder heten.

Ik herinner me ook een-na-de-begrafenisfeest in een restaurant in Oud-Leusden, gevierd door de bloem van de Nederlandse letterkunde. De begrafenis in 1962 was die van de dichter Gerrit Achterberg.

We vierden niet zijn dood, maar eerder het feit dat wij nog leefden. Ik noteerde: 'After-funeral-opluchting en zelfs gematigde luidruchtigheid maakten zich van iedereen meester. Onontkoombare flauwiteiten als: wie volgt? Er ontstond een levendige handel in In Memoriamgedichten en -artikels. Het hardnekkige gerucht wilde dat Achterberg in het verkeerde graf ter aarde was besteld.

'Terug in Amsterdam mee met Simon Vinkenoog, alwaar ook Hans Sleutelaar. Pas op de volgende ochtend na verwarde en uitputtende nacht thuisgekomen.'

Toen degene die ik liefheb en ik het huis betrokken waarin we nog altijd wonen, gaven we, voor we het inrichtten, een inwijdingsfeest, waar de halve stad op afkwam, uitgenodigd of niet. Tot de laatste categorie behoorden twee insluipers die, gevangeniskleur nog op hun gezicht, naar binnen waren geglipt door de openstaande voordeur. Ze werden al spoedig ontdekt en door mijn krachtig gebouwde stiefzoon het huis uit gejaagd. Ik had een beetje met ze te doen. Misschien wilden ze ook alleen maar feestvieren, het feest van hun bevrijding uit de cel.

Mij staat ook nog bij een midzomerpoëziefestival, 1979 in Lahti, Finland. Daar kwamen wel honderd Finnen op af, die lang niet allemaal dichters konden zijn. Ze dronken zich suf en sliepen hun roes uit in het gras, waar ze 's ochtends na de langste nacht van het jaar werden opgeraapt door geüniformeerden die hen in politiebusjes laadden.

Het beeld beklijft van de modieuze Franse filosoof Bernard-Henri Lévy, die op datzelfde gras met openstaand wit hemd, zodat we zijn borsthaar konden zien, elke middag hof hield, omringd door prachtige jonge vrouwen die wel pap van hem lustten.

Toen degene die ik liefheb 50 jaar werd, gaven we een groot feest in de kunstenaarssociëteit De Kring. Zij hield er in die tijd een verzameling van afbeeldingen, beeldjes et cetera op na van varkens. Het echte dier liet ze aan Rudy Kousbroek over: 'De oogharen van een varken zijn de liefste oogharen ter wereld. Hun glimlach is onweerstaanbaar (zo goedhartig, zo vrolijk).' (De onmogelijke liefde, Meulenhoff, 1988).

Die dag was mijn gade zelf het feestvarken. Onder het balkon van De Kring brachten tientallen varkensgemaskerden haar een aubade.

undefined

Meer over