Fatalist in Amerika verdient zeven procent minder

Kinderen van welgestelde ouders zijn gezonder en verdienen meer. Kun je ouders verbieden hun genen en idealen door te geven?...

Van de ‘Amerikaanse Droom’ wordt wel eens gezegd dat je diep in slaap moet zijn om erin te geloven. Zulke slaperigheid valt de linkse economen Bowles en Gintis beslist niet te verwijten. Al In 1976 bestreden zij – in Schooling in Capitalist America – de mythe dat de VS een goed werkende meritocratie zouden zijn: een stelsel dat mensen beloont naar hun verdienste, vooral gemeten naar opleidingsniveau. De school was er volgens hen eerder om goed inzetbare en gehoorzame werknemers te kweken voor de kapitalistische arbeidsmarkt. Bovendien zouden schoolprestaties sterk worden bepaald door de gezinsachtergrond, dus door hardnekkige ongelijkheid wat betreft klasse, ras en gender.

Hun nieuwe bundel, Unequal Chances, heeft wederom de erfelijke overdracht van sociale ongelijkheid als thema. De verschillende auteurs benadrukken dat er, ondanks het beeld van gelijke kansen, een sterke correlatie blijft bestaan tussen de sociaal-economische positie van ouders en kinderen, zowel aan de onderkant als aan de bovenkant van de maatschappij. De kinderen van de rijken baseren hun rijkdom hoofdzakelijk op wat ze hebben geërfd. Kinderen van welgestelde ouders zijn gezonder, krijgen een langere en betere scholing, en kunnen derhalve meer verdienen. Een (Amerikaans) gezin dat de helft verdient van het modale inkomen heeft volgens nieuwe schattingen wel vijf generaties nodig om deze inkomenskloof te dichten.

Nieuw in dit boek vol onderzoeksverslagen is de genuanceerde benadering van de relatie tussen nature en nurture, de balans tussen genetisch doorgegeven eigenschappen en invloeden vanuit de sociale en culturele omgeving. Evenals andere linkse denkers zijn Bowles en Gintis nog steeds in debat met het controversiële The Bell Curve van Herrnstein en Murray uit 1994. Dit tweetal wees de genetische overerving van intelligentie (het IQ) aan als de belangrijkste factor die iemands economische kansen bepaalt. Daaruit concludeerden ze, dat het zinloos was via overheidsingrijpen (bijvoorbeeld onderwijsachterstandsbeleid) te proberen – intellectuele – verschillen te verminderen en de sociale ongelijkheid te verkleinen.

Bowles en Gintis cum suis constateren daarentegen dat slechts een gering deel van de ongelijkheid wordt veroorzaakt doordat ouders hun IQ doorgeven aan hun kinderen. Maar dat betekent nog niet dat de sociaal-culturele omgeving (gezin, buurt, school) allesbepalend is. De erfelijkheid van het IQ mag dan minimaal zijn, andere genetisch overgedragen kenmerken hebben wel grote invloed: ongeveer één derde van de sociaal-economische ongelijkheid zou hieraan te wijten zijn. Maar juist hierbij gaat het om genetische factoren die ontsnappen aan de klassieke nature/nurture tegenstelling, omdat ze zelf sterk door de omgeving beïnvloed worden. Te denken valt vooral aan raskenmerken, die nog steeds dramatische verschillen veroorzaken in sociale mobiliteit, met name aan de onderkant van de sociale piramide.

Bij onderzoek naar de vraag of gelijke kansen echt bestaan moet niet alleen de school betrokken worden, maar ook gezin en opvoeding. De culturele investeringen die ouders doen in hun kinderen hangen nauw samen met met hun rijkdom of armoede. Het gaat hier naast kennis vooral om persoonlijkheidskenmerken die het goed doen op de arbeidsmarkt, zoals extravertheid en zorgvuldigheid. Of om eigenschappen die de kansen op de arbeidsmarkt juist verslechteren, zoals slordigheid of neurotisch gedrag.

Zo heeft fatalisme – het geloof dat uitkomsten het resultaat zijn van lot of geluk in plaats van hard werken – een aanzienlijke verlaging van het inkomen tot gevolg (in de VS bijna 7 procent). Als men ter wille van een politiek van gelijke kansen elke vorm van erfelijke overdracht zou willen elimineren, is het gevaar groot dat belangrijke waarden van het gezinsleven op de tocht komen te staan.

Het is dan ook zinvoller om zich af te vragen wat in dit opzicht rechtvaardig is. Ras is duidelijk onrechtvaardig. Ook veel ‘onverdiende’ rijkdom erven is voor velen moreel suspect, evenals de samenhang tussen rijkdom en gezondheid of die tussen rijkdom en betere opleidingskansen. Maar ouders kunnen er onmogelijk van worden weerhouden om hun genen, hun idealen en hun persoonlijke voorkeuren door te geven aan hun kinderen.

Voorzover eigenschappen als taalvaardigheid of het stimuleren van gezonde ambitie het voortbestaan van ongelijkheid veroorzaken, moeten zij worden beschouwd als een onvermijdelijk bijproduct van de vrijheid van liefdevolle gezinsvorming.

Het boek van de Duitse socioloog Beckert sluit direct bij dit dilemma aan. Ook hij begint met de grote vragen: hoe kan de vererving van rijkdom worden gerijmd met het meritocratisch beginsel dat bezit moet worden verworven door eigen inspanning? Hoe strookt erfrecht met het beginsel van gelijke kansen? Welke verplichtingen hebben de rijken jegens de maatschappij?

De burgerlijke maatschappij heeft alle erfelijke privileges afgeschaft behalve die van het particuliere eigendom. Een kleine elite bezit een groot deel van de particuliere vermogens, terwijl het grootste deel van de bevolking geen vermogen van enige omvang bezit. De vermogensverdeling is gemiddeld drie keer zo ongelijk als de inkomensverdeling.

Beckert volgt het politieke debat over het erfrecht in drie landen: Duitsland, Frankrijk en de VS. Waarom geniet bijvoorbeeld de erflater in Frankrijk slechts een geringe vrijheid terwijl die vrijheid in de VS (waar je zelfs je kinderen kunt onterven) bijna ongelimiteerd is? Waarom spelen familie- en gezinsbelangen een veel grotere rol in het Duitse en Franse erfrecht?

In de VS domineert een individualistisch-meritocratische opvatting, die is ingegeven door vrees voor ondermijning van het ideaal van de kansengelijkheid. Vandaar de volledige beschikkingsvrijheid van de erflater. In de meer ‘familiaal-sociale’ opvatting in Duitsland wordt deze onbegrensde testamentaire vrijheid daarentegen gezien als een bedreiging voor de sociale relaties in (groot)familie en samenleving, die beschermd moeten worden tegen een excessief en immoreel geacht individualisme.

Ook in Frankrijk ligt de nadruk sterker op familie en gezin, maar daar was men allereerst gespitst op de beperking van het aristocratische eerstgeboorterecht. De gelijkheid van de erfgenamen (de kinderen) werd als het fundament gezien voor de nieuwe sociaal-politieke orde van de Franse Revolutie.

De belangrijkste ontwikkelingen in het erfrecht zijn dan ook het gevolg van de doorgaande individualisering van de familie. Patrilineaire verwantschapssystemen en de traditionele grootfamilie hebben steeds meer moeten wijken voor het democratische, niet op bezit maar op affect gebaseerde kerngezin. In onze tijd is sprake van een toenemende diversiteit van gezins- en samenlevingsmodellen: adoptiegezinnen, patchwork families, holebi-partners, netwerken van ‘exen’, vriendschapsnetwerken. Zij scheppen nieuwe vormen van emotionele verwantschap en solidariteit die zich niet beperken tot de bloedverwantschap.

Het is dan ook interessant om te zien of en hoe het erfrecht zich aan deze nieuwe vormen van verwantschap zal aanpassen. Een ander scenario is dat het juist verder zal worden beperkt om recht te doen aan de individualisering van verdienste en inkomen. Haaks op deze trend staat de verlaging van de erfbelasting, zowel in Nederland, waar het kabinet zojuist een beleid in deze zin heeft aangekondigd, als in de VS. In dat land is het zelfs de bedoeling dat de stapsgewijze verlaging in 2010 uitmondt in volledige afschaffing.

Betekent dit dan het einde van de Amerikaanse Droom? Het is in elk geval ironisch dat juist in de VS onder de vergrijzende babyboomgeneratie een beweging is ontstaan om het geld uit te geven voordat de kinderen het kunnen erven: SKI, ofwel spending the kids’ inheritance. Dick Pels

Meer over