Familie van een genie (Gerectificeerd)

De katholieke architectenfamilie Van der Laan bouwde zich suf in de vorige eeuw. Maar ze zou in de vergetelheid zijn geraakt als Dom Hans van der Laan, de jongste zoon, zich niet tot genie had ontwikkeld....

Door Hilde de Haan

Hij heeft het halve centrum van Leiden van aanzien veranderd. Ruim vierhonderd ontwerpen maakte hij voor deze stad. Daaronder beeldbepalende gebouwen als het Elisabeth Gasthuis, Vroom en Dreesmann, de meelfabriek en C & A. En nadat in 1921 zijn zoon Jan bij het bureau was komen werken, breidde het werkterrein zich uit over het hele land met tientallen raadhuizen, scholen en ziekenhuizen.

Toch zou vrijwel niemand nog iets weten van deze architect, Leo van der Laan (1864-1942), als niet de negende van diens elftallige kinderschare zo'n eigenzinnig levenspad had gekozen. Dit knulletje, uit 1904, ontpopte zich tot Dom Hans van der Laan. Als monnik-architect wijdde deze Hans zijn hele kloosterleven aan wat hij 'een zoektocht naar de grondbeginselen van de architectuur' zou noemen. Dat leverde enkele doorwrochte boeken op, zoals Het Plastisch Getal (1965) en De Architectonische Ruimte (1976). Zijn theoriegaf hij bovendien gestalte in enkele gebouwen, waaronder zijn eigen kloosterkerk en bibliotheek in Vaals.

Meer nog dan zijn boeken zijn deze verstilde gebouwen met hun uitzonderlijke schoonheid het bewijs dat de monnik in zijn speurtocht inderdaad bij de essentie van architectuur is uitgekomen. Iets waarvoor hij pas aan het einde van zijn leven nationale erkenning kreeg en na zijn dood in 1991 zelfs internationale faam.

Het feit dat Hans dit jaar op 29 december honderd jaar geleden werd geboren, is aanleiding voor een tentoonstelling, met symposium, in het Leidse architectuurcentrum RAP. Deze zijn gewijd aan e architecten uit het gezin van Leo van der Laan, naast Hans ook zijn broers Jan (1896-1966) en Nico (1908-1986). De expositie geeft inzicht in de omstandigheden die Dom Hans hebben voortgebracht, en biedt tegelijk een boeiend beeld van een veronachtzaamd deel van de architectuurgeschiedenis. Om in de annalen te worden opgetekend waren Leo en Jan niet uitgesproken genoeg geen helden van het modernisme noch fervente traditionalisten. Hun vakmanschap was echter groot en wist zich tijdens alle turbulente veranderingen in de twintigste eeuw te handhaven.

Leo was 27 jaar oud toen hij zich in 1891 als zelfstandig architect vestigde in Leiden. Zijn glanzende loopbaan hing ermee samen dat hij katholiek was en daardoor tot een groep behoorde die in die tijd enorm in aantal toenam. Uitsluitend voor geloofsgenoten bouwde hij kerken en scholen, fabrieken en winkels, waaronder de eerste grote kooppaleizen. Dat gebeurde in die jaren drastisch: het zeventiende-eeuwse straatbeeld van Leiden werd rchtslos vervangen door gebouwen naar de smaak van allerlei opdrachtgevers Berlagiaans of in neostijlen, soms met een vleugje modernisme dan wel Amsterdamse School.

Leo's oudste zoon Jan ging als eerste naar Delft, waar hij in 1921 cum laude afstudeerde. Direct daarna associeerde hij zich met zijn vader en dat gaf het bureau een enorme swing. Grootschalige opdrachten kregen de overhand, zoals ziekenhuizen en stadhuizen. Jan, die altijd vrijgezel bleef, kreeg door het hele land in katholieke kringen bekendheid als een 'onstuimige geest met onuitputtelijke energie' die zich 'bediende van alle gangbare stromen in de architectuur maar daar wel een herkenbare wending aan gaf'. Die pragmatische houding is er ongetwijfeld debet aan dat ook Jan in de architectuurgeschiedenis onderbelicht bleef. Toch werd zijn bouwkunst steeds karakteristieker, mede door zijn jonge broer Hans.

Dom Hans heeft vaak verteld hoezeer hij in zijn jonge jeugd gevormd werd. Hij nam alles

nauwkeurig in zich op: de manier waarop zijn vader tekende, de bouwplaats die hij als kind bezocht. Evenals een steenfabriek waar hij uit bollen klei rechthoekige bakstenen gevormd zag worden, en waar kiezels werden gesorteerd op grootte. Toen al werd hij gefascineerd door de maten en vormen waaruit het ambachtelijke bouwen bestond.

Als middelbare scholier maakte Hans graag lange wandelingen door de natuur. Later kreeg hij tbc, waardoor hij twee jaar in bed lag, zo vaak mogelijk in de buitenlucht. Dat intense contact met de natuur miste zijn invloed niet: even overwoog Dom Hans zelfs om bioloog te worden. Tot hij zich realiseerde dat het niet de soortnamen waren die hem boeiden, maar veeleer, zoals hij ooit vertelde aan zijn biograaf Richard Padovan: 'De bomen, de struiken, de bloemen, en de mossen en hun ritmes.' Van daaruit kwam hij op de filosofische vraag wat bouwkunst eigenlijk aan de wereld bijdraagt. Toen ging hij toch maar architectuur studeren.

De studie in Delft werd een desillusie. Op zijn fundamentele vraag wat architectuur in wezen is, kon niemand hem daar een bevredigend antwoord geven. Hans ging toen maar het klooster in en daar, in het strakke ritme van de Benedictijner orde, groeide langzaam maar zeker, heel gestaag, het inzicht dat er inderdaad essenti wetmatigheden zijn waaraan architectuur dient te voldoen.

Zelf heeft hij vaak prachtige verhalen verteld over zijn zoektocht. Als monnik die ook nog eens tot koster was benoemd, had hij jarenlang slechts drie kwartier per dag om zich met zijn architectonische vraagstukken bezig te houden. Maar als hij dan stond af te wassen vroeg hij zich af dankzij welke maatverschillen iedereen meteen ziet wat een ontbijtbord is, wat een schoteltje, en wat een groot bord. En als hij zong (negen keer per dag) peinsde hij over het notenschrift: hoe toonhoogteverschillen door mensen zjn vastgelegd dat daarmee musiceren mogelijk is. En dan dacht hij door, over het wezen van architectuur dat de oneindige ruimte voor ons onbevattelijk is en dat we daarom gebouwen maken.

Waar Hans naar zocht, en wat hij in de loop van veertig jaar ook onder woorden wist te brengen, is wellicht het simpelst te omschrijven als een 'universele harmonieleer' voor ruimtelijke composities. De basis hiervan bestaat uit een vormengamma, een samenhangend stelsel van driedimensionale maten dat op de menselijke waarneming is afgestemd.

De kloosterling Van der Laan zou waarschijnlijk nooit in zijn zoektocht zijn geslaagd zonder de hulp van zijn beide broers. Van hen was de jongere Nico (1908-1986) veruit de belangrijkste voor Dom. Met hem had Hans al vde oorlog veel gefilosofeerd over de vragen die hem bezighielden. Bovendien werd Nico, direct na de Tweede Oorlog, gevraagd een cursus voor kerkelijke architectuur op te zetten.

Hans en Nico grepen beiden deze cursus met twee handen aan om hun inzichten te verdiepen en uit te dragen. De cursus was een groot succes; tientallen, voornamelijk Brabantse architecten werden door de ideevan de monnik gegrepen en probeerden in hun eigen bouwwerken hieraan vorm te geven.

Jan bleef buiten de cursus, maar ondersteunde de activiteit van zijn broers wel. Dat moet er enorm toe hebben bijgedragen dat voorzichtige probeersels uit de jaren vijftig tenslotte uitmondden in de architectonische meesterwerken van Dom Hans van der Laan. Behalve de kloosterkerk (1967) en bibliotheek (1986) in Vaals, een woonhuis in Best (1979), kloosters in het Belgische Waasmunster (1975 en 1978), en een klooster in het Zweedse Tomelilla (1995).

De tentoonstelling in Leiden heeft groot manco. Er is veel aandacht voor het werk van Leo en Jan, en voor enkele meesterwerken van de pater, maar het werk van Nico blijft een grote witte vlek. Nico begon in 1946 een eigen bureau in Den Bosch dat al snel een grote productie had, en ook Hans behulpzaam was bij zijn ontwerpen. Aan de hand van de vele werken van dit bureau, zowel kerken, scholen, als woningbouw, zou kunnen worden getoond hoe de architectuurvisie van Dom Hans zich langzaam ontwikkelde, steeds helderder werd en tot steeds gevarieerder vormen leidde. Maar hiervan wordt vrijwel niets getoond.

Het Bossche bureau bestaat overigens nog steeds. Sinds 1977 wordt het geleid door Nico's zoon Hans. Deze is inmiddels een van de vele hedendaagse architecten voor wie de pater niet zozeer het filosofisch genie is, zoals hij al te vaak wordt afgeschilderd. Veeleer is hij een helder denker met zijn wortels in de bouwpraktijk die essenti waarheden over architectuur heeft blootgelegd, waar je als ontwerper veel aan hebt.

Meer over