Fabre maakt van Watou een verontrustend gedicht Guido Gezelle spreekt in stille theezakjeskamer

Als de ogen wennen aan het onderaardse donker wordt langzaam de thee zichtbaar. Builtjes bungelen aan het brokkelige kelderplafond, boven een bassin dat de hele vloer van de ruimte vult....

Van onze verslaggever

Michel Maas

WATOU

Het schemerdonker dringt niet verder aan, het water is muisstil, de builtjes hangen roerloos, en vanaf elk builtje kijkt een fotootje naar een of andere kant. Alles in deze ruimte zwijgt.

Maar voordat de bezoeker zich (bijvoorbeeld) kan afvragen: waarom thee? begint in verborgen luidsprekertjes Het schrijverke van Guido Gezelle, waardoor het bassin op slag tot leven komt.

O krinklende winklende waterding, met 't zwarte kabotseken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink al schrijven op 't waterke gaan!

Iemand weet te vertellen dat daar beneden op het donkere water daadwerkelijk een kudde schrijverkes huist die de hele zomer schaatsend onzichtbare teksten zal schrijven. (Gij schrijft, en 't staat in het water niet, gij schrijft, en 't is uit en 't is weg.) Maar als dat waar is, zijn ook de schrijverkes bevangen door de vierdubbele stilte die hier heerst, want er beweegt niets.

Iemand weet ook te vertellen dat het water geen water meer is. Ze hebben er honderd kilo thee in gestort ('Het moest lekker straffe thee zijn'). Dus nu zitten ze met een probleem, want als thee oud wordt ontstaat er op het oppervlak een dof en lelijk vlies, waardoor het niet meer spiegelt. Dus zullen ze heel de zomer lang elke ochtend het vlies eraf moeten scheppen.

Iemand weet te vertellen: 'Jan Fabre weet hoe hij mensen moet bezighouden.'

Het Westvlaamse dorp Watou - bijna op de grens met Frankrijk - behoort deze zomer aan beeldend kunstenaar Jan Fabre (1958). Als bewijs daarvan staat een met Bic-pen-inkt geblauwde uil tegen de gevel van de kerk. Het dier kijkt uit over de markt - het Hugo Clausplein -, waar een Jezus met gespreide armen, een held van '14-'18, en een silhouet van Hugo Claus al langer staan dan vandaag - herinneringen aan een geloof, een oorlog en een eerdere versie van de jaarlijkse 'poëziezomer' in Watou.

De gebicte uil is de minst opvallende van het stel - hij is klein, en staat hoog tegen de kerkmuur, hoger dan een mensenoog normaal gesproken komt. Er schijnen zeven van deze blauwe uiltjes in Watou te staan, heimelijk verspreid.

Zeven. Fabre heeft iets met getallen. In 1979 bewerkte hij drie schoenendozen met balpen, in 1990 zeven bijenkorven. En het gedicht West Vlaanderen van Hugo Claus zal niet voor niets aan de elfde boom in een rij staan opgesteld.

In Watou heeft hij drie maal zeven kamers ingericht met kunstwerken. Bij deze kamers heeft hij drie maal zeven gedichten uitgezocht van evenzoveel dichters. Zeven dode, zeven oude en zeven jonge dichters, was de bedoeling. Maar toen ging W.F. Hermans dood, en nu klopt het niet meer - staat Hermans bij de dode, en is de ook dode Faverey verhuisd naar de jonge dichters.

Acht maanden heeft Fabre gewerkt aan Watou: maanden waarin hij een keuze maakte uit zijn werk van de afgelopen achttien jaar, waarin hij bijpassende kamers zocht in de gebouwen die tot zijn beschikking stonden, en waarin hij uit honderden gedichten er precies deze koos, die met dat werk hun eigenwijs verbond zijn aangaan.

Ze gooien alles in de war, de dichters. Gezelle's Schrijverke verandert de stille Theezakjeskamer uit 1979 in ruimte vol verdwenen, onleesbare tekst. Vier op hun zijkant gekantelde piano's met de titel De reïncarnatie van God (1989) worden in aanwezigheid van W.F. Hermans' Nachtgedaante niet minder raadselachtig - zwart, wit, met korte schaduw en een beetje moe:

De zon was zo fel/ Dat ik niets kon zien dan zwart/ En wit./ Dat ik mijzelf/ Slechts aan mijn schaduw mat.// De zon stond zo hoog/ Dat ik bijna geen schaduw had.// En daarom ben ik overdag zo klein en moe/ Ik, die pas bij het later worden groei.

In een donkere stal aan de andere kant van het dorp is de grond bezaaid met steenkool, en hangen honderden glazen van een plafond. Op enkele glazen branden kaarsjes (Fabre weet hoe hij mensen bezig houdt). De glazen zweven voor een doek waarop nonstop een filmpje wordt vertoond: Jan Fabre die met zijn mond dicht staat te blazen: Jantje weet je hoe je moet fluiten? (1982). De bezoeker kijkt naar de schittering op de glazen. Maar voordat hij kan denken: waarom? klinkt de stem van Viviane de Muynck die De kakkerlak en de boa van Marcel Broodthaers leest:

Eindelijk, ik zie nu duidelijk wie ik ben. Ik ben bang dat men mij ziet./ Ik ben een boa,/ dat is wel het ergste wat een slang kan overkomen.

En dan is alles weer anders - is het niet langer de bezoeker die kijkt naar een filmpje van Fabre die glazen kapotfluit, maar kijkt de bezoeker naar Fabre die in een spiegel kijkt en ziet dat hij een boa is.

Zijn Bic-art kijkdoos/ poppenhuis (1981) krijgt Paul van Ostaijen's Berceuse presque nègre mee (De sjimpansee doet niet mee/ Waarom doet de sjimpansee niet mee/ De sjimpansee/ is/ ziek van de zee/ Er gaat zoveel water in de zee/ Meent de sjimpansee).

De combinaties wrijven en wringen en duwen tegen elkaar aan. Ze verstoren en verontrusten het werk dat toch al zo verontrustend was.

Alleen de vijf gedichten die gemáákt werden voor Fabre en Watou - die zijn anders. Dat zijn spiegelversies geworden van wat er te zien valt. In Eddy van Vliet's Wetskamer (1995) is het leven gestold in dezelfde weckpotten (zeepbel, reliekhouder) en in dezelfde treurige arbeiderskamer als in Fabre's Wetskamer (1979).

Het oor op de blauwgebicte glasplaat (Luisterkamer, 1988) is in Herman De Coninck's Blauw niet anders (daar exposeert hij een oor, out of the blue. Het om zich horende naar meer stilte dan er is), het Insectenkabinet met tarantula met veren vleugels wordt bij Stefan Hertmans een serial killer uit het paradijs (Vleugels, ontvlamd door stormen/ uit een stinkend paradijs, hellebrand onder duivelsveren).

Marc Reugebrink draait zich om in een scheefstaand bed met blauw gebicte lakens (Het Medium, 1979): 's Nachts wil mij het lichaam allebei/ van hoofd tot voeten wezen, maar draaiend/ van de ene op de andere zij blijft het/ van tweeën één.

En een grote vormloze ham, gemaakt van duizenden glanzende juweelkevers (Vleesklomp 1995) brengt Peter Verhelst tot: Wie de sterren heeft opgetakeld? Als een vleermuis van het plafond afhangend. . .

De vijf genodigden zingen een harmonieus duetje met Fabre, wat mooi is, maar minder spannend dan de raadselachtige dubbelkeuzes die de kunstenaar zelf heeft gemaakt.

Fabre is op de openingsdag aanwezig. Steeds duikt hij op, en kijkt hij toe, van een afstand, om een hoekje, van de overkant of de zijkant - als de regisseur die komt kijken of zijn publiek zich volgens zijn plan gedraagt. Een plan dat niemand kent: er is geen route, geen volgorde, er staan geen pijlen op de grond, kamers zijn moeilijk te vinden, de bijpassende gedichten staan soms ver weg. En de regisseur geeft geen uitleg. Hij vlucht als iemand iets wil vragen.

Het geeft niet.

Uiteindelijk komt iedereen terecht op het 'grensveld', waar zijn grootste werkstuk staat: De grafkelder van de onbekende computer (1994). Een terp met een betonnen kamertje, waarin aan weerszijden een erewacht staat van meer dan honderd kruisen. Op de kruisen staan namen van bijna vergeten insecten, als spanrups, weverboktor, waakster. En aan het hoofd van die dubbele erehaag staat een eenzaam kruis met: Schrijverke.

Een macaber monument in dit golvende landschap van de IJzer, waar keurige hop-aanplanten en massagraven uit WO I haasje-over spelen. West-Vlaanderen, land van Hugo Claus, zoals hij schrijft in zijn gedicht, waarvan een fragment te lezen staat aan de elfde boom:

Lenteland van hoeven en melk/ En kinderen van wilgehout// Koorts en zomerland wanneer de zon/ Haar jongen in het koren maakt// Blonde omheining/ Met de doofstomme boeren bij de dode haarden/ Die bidden 'Dat God ons vergeve voor/ Wat hij ons heeft aangedaan'

Dichters rond de beeldend kunstenaar Jan Fabre. Watou. Tot 3 september.

Meer over