Ezelsbruggetjes zijn alleen voor ezels

In de rubriek Geachte Redactie van 1 juni laat Marion Enzlin weten dat er een ezelsbruggetje bestaat om te achterhalen wanneer er wel of niet een t komt achter een werkwoord in de tegenwoordige tijd tweede persoon enkelvoud....

Ik moest gelijk denken aan wat een vroegere leraar van mij altijd zei : ezelsbruggetjes zijn alleen voor ezels.

Wim de Groot, Hoofddorp

Mank
Ook Marion Enzlin heeft het bij het verkeerde eind en kreeg veertig jaar geleden al gebrekkig onderwijs in de Nederlandse taal. Haar ezelsbruggetje voor al of niet een t achter de persoonsvorm gaat mank in de volgende zin: Ik geef jou een boek. In haar redenering moet er dan staan: ik geeft jou een boek.

Ik kreeg ruim vijftig jaar geleden de beginselen van de Nederlandse taal voorgeschoteld van de nonnen en moest domweg werkwoorden vervoegen en de regel is dat bij de tweede (jij) en derde (hij, zij) persoon enkelvoud het werkwoord na de stam een t krijgt. Daarbij is het belangrijk dat je ook weet wat het onderwerp is. Voor de duidelijkheid: de stam van het werkwoord is het hele werkwoord (bijvoorbeeld werken) zonder ‘en’, dus ‘werk’.

Gelukkig heb ik op een degelijke manier grammaticaonderwijs gehad op school waardoor ik ook makkelijker een buitenlandse taal kon leren zoals Frans en Spaans zonder een echt taalmens te zijn. Rekenen ging mij altijd beter af.

Ank Beijerbacht, Castricum

Je, jij en jouw
Het ezelsbruggetje van Marion Enzlin uit Vianen is inderdaad handig, maar er ligt een andere spelfout op de loer. Het gaat hier om het bezittelijk voornaamwoord ‘jouw’ dat de persoonsvorm moet volgen, wil er een ‘t’ achter komen. In dit laatste geval kan ‘jouw’ ook vervangen worden door ‘je’. Het is, voor de volledigheid: vind je / jij dit leuk? en: vindt jouw / je vader (= hij) dit leuk?

Franca Corthals, Nieuwegein

Kunstje
Graag wil ik nog even reageren op de ingezonden brief van Gerrit Mooi uit Meppel (U-pagina, 29 mei).

In onze taal komt er nooit dt te staan, alleen wel of geen t. Ik vind het om te huilen dat zelfs het kunstje nog maar half begrepen is door een heel schoolteam. Dat kunstje is namelijk je of jij. Maar waarom een kunstje hanteren? De leerlingen hebben recht op veel meer: gewoon leren ontleden. Ook belangrijk bij het leren van andere talen.

Ouderwets: je talen grondig leren.

Nieuwerwets: halve kunstjes leren om je stukjes niet foutloos te schrijven? Politiek kom op! Maak geen miezerige, gemakkelijke opleidingen voor iedereen. Stel eisen zodat onze kinderen die dingen leren waar ze mee verder kunnen. Dat zijn geen kunstjes, maar inzicht.

Mw. Lucy Flagge, Coevorden oud-lerares (67 jaar)

Gaan-constructie
Taal was voor mijn zoon op de lagere school een groot probleem. Hij verstijfde gewoon als er weer een proefwerk aan zat te komen – en dat voornamelijk door niet te begrijpen wanneer de d of de dt werd gebruikt.

Hij kreeg zelfs een taak voor de zomervakantie van de 7de naar de 8ste groep en die zomer zaten wij dat ‘vreselijke taalgedoe’ met hem door te nemen. Plotseling begreep ik hoe simpel de oplossing was voor dit probleem. Na uitleg aan mijn zoon, verdwenen alle fouten en werd taal opeens leuk!

Dus hierbij de eenvoudige oplossing die altijd werkt:

Voeg in een zin waar je twijfelt of het een d of dt moet zijn, het werkwoord gaan toe: gaan worden.

Dus : Wor... je fiets gestolen?

Zeg dan: Gaat je fiets gestolen worden? En ziedaar: het wordt dus wordt met dt: wordt je fiets gestolen?

Of: Wor... je daar niet goed van?

Ga je daar niet goed van worden? Dus: Word je daar niet goed van?

Of, in geval van de zin van de vorige week (maar dan niet met krijgen!): ‘die extra inzet wor... je niet uitbetaald. Met gaan wordt dat: Die extra inzet gaat je niet uitbetaald worden.

Dus: ‘Die extra inzet wordt je niet uitbetaald.

Oftewel: kijk naar de zin, zeg hem hardop in de gaan-constructie en je hoort wat het moet zijn.

En vergeet al het theoretisch gebazel. Dit geeft zelfvertrouwen. Mijn zoon haalde een Cito-toets, goed voor de havo.

Simon Jansen, Amstelveen

Meer over