Extra toelage voor studies waar veel vraag naar is

Studenten techniek moeten in staat worden gesteld hun karwei af te maken zonder bijbaantjes, meent J.A.N. van Dijk...

VAN DE voorgelegde stellingen sluit de eerste nog wel het beste aan bij wat ik mij voorstel van studiefinanciering. Het is een zaak tussen student en overheid, gericht op het bevorderen van de toegankelijkheid door het verlagen van financiële drempels.

Een stelsel van studiefinanciering zal altijd een ouderafhankelijke component moeten bevatten, omdat anders de drempel voor de lagere inkomensgroepen veel te hoog wordt.

Wat in de politiek nog steeds een taboe is, maar toch overwogen moet worden is differentiatie naar studierichting. De stelling (nummer 5) dat voor minder courante studies de studiefinanciering zou kunnen vervallen gaat mij veel te ver. Maar juist omgekeerd zou het prima zijn om via extra toelagen studenten aan te sporen om studies te kiezen waar veel vraag naar is.

Er lopen nu enkele experimenten bij de Technische Universiteiten, maar die zijn nog veel te kleinschalig. Pas als de overheid hier een algemene regeling van maakt, zal dit zoden aan de dijk zetten. Behalve de maatschappelijke behoefte is hiervoor ook nog een ander argument. De meeste van deze studies trekken namelijk minder studenten omdat het relatief zware studies zijn. Door een extra toelage kunnen deze studenten een hoger aantal uren per week aan de studie wijden en hoeven zij minder bij te verdienen.

Afschaffen van de studiefinanciering (stelling 3) is geen reële optie uit oogpunt van toegankelijkheid. Wel is er iets voor te zeggen om de eerste twee jaar een hogere beurs toe te kennen en vanaf het derde jaar meer het accent op een lening te leggen. Dat er prestatie-eisen worden gesteld hoeft niet strijdig te zijn met academische of brede vorming, mits de student capaciteiten heeft en die goed benut.

Wel zouden studenten meer mogelijkheden moeten krijgen om hun rechten flexibel op te nemen en bijvoorbeeld voor een reis of een periode van werken hun studiefinanciering stop te zetten.

De hiervoor genoemde flexibiliteit moet onverlet laten dat het gaat om een aanspraak die de student heeft op de overheid. Het gaat dus niet om een regeling per onderwijsinstelling. Wel zal de onderwijsinstelling een rol moeten spelen bij het vaststellen van het behaalde aantal studiepunten en mogelijk ook bij het planmatig benutten van de flexibiliteit.

Te denken is aan een soort studiecontract, waarin eventueel ook perioden van werken of deeltijdstudie zijn verwerkt als het gaat om de te behalen studiepunten. Tot flexibiliteit kan ook een iets soepeler leeftijdsnorm gerekend worden. Anderzijds moet er wel een leeftijdsgrens blijven waarboven de student geacht wordt alleen nog via avond- of deeltijd studie te studeren en zelf volledig voorziet in zijn inkomen. Een aanpak zou ook kunnen zijn dat de universiteit zelf voorzieningen treft om het onderwijs ook voor ouderen aantrekkelijk te maken.

Studenten doen er goed aan om zich te verdiepen in de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Een eigen investering stimuleert ook om daar bij stil te staan. Vanuit het principe van toegankelijkheid en om de individuele verantwoordelijkheid te benadrukken is het beter om studies waar veel vraag naar is te stimuleren dan om sancties te bedenken voor minder courante studies.

J.A.N van Dijk is vice-president van Sara Lee/Douwe Egberts.

Meer over