Expositie over uitdrukking van macht bij Hitler, Stalin en Mussolini De triomfbogen van de dictatuur

Het op een na grootste raadsel bij de door potentaten veroorzaakte kunst en architectuur blijft dat van de schaal; al vanaf het moment dat vorsten er prijs op begonnen te stellen zichzelf door middel van onroerend goed of afbeeldingen aan de collectieve herinneringen op te dringen....

MICHAEL ZEEMAN

Van onze verslaggever

Michaël Zeeman

BERLIJN

De vraag is of er een rechtevenredig verband bestaat tussen grootheidswaanzin of bestuurlijke krankzinnigheid en de schaal van de door de betrokkenen nagelaten stapels natuursteen. Mocht dat er zijn, dan is de kiezer voortaan gewaarschuwd.

Op de tentoonstelling Kunst und Macht im Europa der Diktatoren 1930 bis 1945, die al in Barcelona en Londen te zien is geweest en nu, een stuk adequater, in het Deutsches Historisches Museum in het voormalige Oost-Berlijn staat, dringt zich met minstens even veel kracht het tweede en grootste raadsel op: wat hebben ze er in 's hemelsnaam mee beoogd, de dictators van de twintigste eeuw, met al die doeken, standbeelden, façades en stratenplannen? Werkverschaffing, tijdverdrijf, compensatie - maar van wat dan? -, zelfverwerkelijking? Roem en onsterfelijkheid, hoor je altijd, maar die hebben ze er toch niet mee kunnen bereiken: wie de moeite neemt de eerste zin van dit stuk te herlezen, zal tot zijn verrassing vaststellen dat de toren van Babel hem bekend was, maar dat hij de namen van die twee bouwheer-potentaten toch niet had kunnen reproduceren.

Het is, na het gebouw van de Lenin-universiteit in Moskou en het presidentieel paleis in Boekarest, de beste plaats om de tentoonstelling Kunst und Macht te bezoeken, het Deutsches Historisches Museum. Buiten, op en rond de boulevard Unter den Linden, is een collage te zien van de luidruchtige architectuur die de machthebbers sedert Bismarck op de boorden van de Spree hebben achtergelaten. De hik van pneumatische boormachines en de hartslag van de sloopkogel beheersen er het luisterveld, en vormen een vermaning voor het betrekkelijke van alles wat er aan beton overeind staat.

De idiote proporties vormen het visuele thema van de tentoonstelling, want of het nu gaat om Rome, Moskou of Berlijn, of, om het in termen van de aanstichters te formuleren, Mussolini, Stalin of Hitler, keer op keer is het die onmenselijke schaal die je met stomheid slaat - en, eerlijk is eerlijk, fascineert. De ontwerpen die in 1934 in Moskou werden gemaakt voor het 'Volkscommissariaat voor de zware industrie' - nog een paar jaar, en je hebt een gids nodig om uit te leggen wat daarmee bedoeld werd, en dan nòg - verschillen wat dat betreft niet van Speers model voor de hal die de noord-zuid-as in Berlijn moest afsluiten. Stuk voor stuk zijn het tamelijk zinloze afsluitingen van volslagen willekeurige happen uit de ruimte. De triomfbogen van dat Volkscommissariaat en de koepel van die hal, ze dienen geen enkel redelijk doel meer.

En, net als bij die toren van Babel en dat paleis, zie je dat er, wanneer bepaalde grenzen gepasseerd zijn, geen reden meer is om te stoppen. Als ik het goed zie, is het standbeeld dat op het Moskouse architectuurmuseum moest komen, een keer of vijfentwintig zo hoog als een doorsnee-Rus; de vraag dringt zich dan op of veertig keer niet nog leuker zou zijn, of honderdenzes keer. Zodra de gedachte aan een functie voor het gebodene wordt losgelaten, is het eind zoek - en ontaarden al dat geploeter en gehijs gemakkelijk in verwarring en besluiteloosheid.

Wat voor de architectuur geldt, geldt voor de beeldhouwwerken. Op een bepaald moment heeft het er de schijn van dat de standbeelden die voor Lenin werden opgericht deel uitmaakten van een competitie, waarbij het er om begonnen leek uit te vechten wie het allergrootste beeld kon maken. Met schoonheid en luister, de enige gronden waarop de opdrachtgevers zich van een plaats in de geschiedenis hadden kunnen verzekeren, heeft dat allemaal niets te maken.

Het effect ervan is averechts, en mettertijd werkt al die ambitie alleen nog maar op je lachspieren. De verzameling die op Kunst und Macht is uitgestald heeft die uitwerking, en alleen de wetenschap dat het hier om de artistieke uitdrukking gaat van wat elders in bloed en rook uitmondde, bewerkstelligt een zekere ingetogenheid. De neiging om Kunst und Macht te zien als een complement op wat de Amerikaanse kunstenaar Bruce McCall deed in zijn Zany Afternoons - hij bedacht het adembenemende stoomschip R.M.S. Tyrannic, tegen de achtergrond waarvan de skyline van New York een uitgestalde blokkendoos werd - is onbedwingbaar.

Het idee om kunst en meer in het bijzonder openbare gebouwen en beeldhouwwerken te gebruiken als symbolen van de macht, is zo oud als de mensheid. Sedert de secularisering van de macht, na de Franse Revolutie, is de behoefte door middel van die symbolen de onderdanen in te peperen wie er de baas is, er alleen maar groter op geworden. Het gaat om praal, maar meer nog gaat het erom de macht zichtbaar te maken.

De koning regeert bij de gratie Gods, de president doet dat bij gratie van de bond der architecten. In de hoofdsteden die de burgerlijke democratieën in de negentiende eeuw bouwden domineren parlementen en ministeries - Wenen, Londen, Parijs, ze laten zich in hun architectuur lezen als de combinatie van een geschiedenisboek en een ideologisch programma.

Maar het verschil tussen die steden en de hoofdsteden van de dictaturen die in de jaren '20-'30 tot stand kwamen zit in de onhandigheid waarmee de nieuwe machthebbers hun pretenties in beton en natuursteen vatten, of liever nog: de totale smaakverwarring waarmee dat gebeurde. De vorsten trokken hun spoor van paleizen door de tijd, Wenen kreeg aan het einde van de negentiende eeuw zijn Ringstrasse, Parijs zijn netwerk van boulevards, Londen zijn Embankment en The Mall: het zijn stuk voor stuk niet alleen manifestaties van tomeloze ambitie en Selbstdarstellung, maar ook van een zekere smaak. En dat is precies wat er ontbreekt in die dictaturen - het is niet alleen pompeus, maar ook zo stuitend lelijk.

Daar zijn nuanceringen op aan te brengen, en op de tentoonstelling gebeurt dat ook. Toen het communisme in Rusland aan de macht kwam vatte even het idee post dat het in het modernisme van de kunsten een wapenbroeder gevonden had. Beide stond immers een radicale breuk met het verleden voor ogen, beide wensten een streep onder de rekening van het verleden te zetten en opnieuw te beginnen.

In dat gunstige klimaat, dat weliswaar op een kapitaal misverstand terugging maar niettemin even voortduurde omdat kennelijk niemand dat in de gaten had, gedijde de kunst. Het is de tijd waarin de Russische literatuur en beeldende kunst tot grote bloei komen, van Blok tot Chlebnikov en van Malevitsj tot Tatlin.

Met de komst van Stalin, eind jaren '20, was het uit met de pret. In feite werd dat veroorzaakt door diens in en in burgerlijke smaak: het socialistisch realisme in de kunst breekt op alle terreinen met de inzichten van het modernisme en keert terug tot een idioom dat zijn oorsprong heeft in het midden van de negentiende eeuw. Het is nog het best te zien aan de tierelantijnen van de stalinistische architectuur. Het ornament was in de architectuur reeds tientallen jaren eerder tot misdaad verklaard, maar onder Stalin werd het idioom van de negentiende-eeuw, met al haar idiote lusters, zuchtende vrouwen die als steunpilaar dienst doen, zinloze ornamenten, zij het dit keer voornamelijk van ambachtelijk gereedschap, weer aangewend.

Maar het geldt evenzeer voor de stalinistische schilderkunst. De indruk wordt gewekt dat het impressionisme, het expressionisme en al helemaal het kubisme en constructivisme nooit bestaan hebben, of althans dwaalwegen zijn geweest - aan de narigheid die Roebljov, Gaponenka, Dejneka en Gerasimov ons hebben nagelaten, is niet te zien dat er ooit een Manet een Monet, laat staan een Braque of een Picasso hebben geleefd. Het idioom en de techniek van het socialistisch realisme trachten zich te meten met die van de historie- en de landschapsschilders uit de negentiende eeuw, en zoals alle in de tijd misplaatste kunst levert dat niets dan huiveringwekkende kitsch op.

Alleen in het Italië van Mussolini moet een iets ontspannener houding jegens het modernisme hebben bestaan. Waar het precies aan ligt wordt niet helemaal duidelijk, maar er zit onmiskenbaar iets lichts aan de machtsuitoefening van de Italiaanse fascisten over de kunst. Het is al te zien op het filmpje dat werd vervaardigd bij het begin van de aanleg van de Via dell'Impero, in Rome, in 1928: de duce heft hoogstpersoonlijk het houweel en probeert als eerste de obstakels uit de weg te ruimen.

Dat gaat met een knulligheid en een gebrek aan concentratie die je Hitler en Stalin niet op ziet brengen. Het is alsof het allemaal niet zo serieus is, en het is een van die wonderlijke knipogen van de geschiedenis dat Mussolini's Via dell'Impero er vandaag nog ongeveer net zo bij ligt als hij hem heeft achtergelaten en dat van de onder zijn bewind gestichte gebouwen een belangrijk deel nog overeind staat.

Maar dat is het voornaamste niet. Het voornaamste is, dat het niemand stoort, ja, dat het ten dele zelfs monumentaal en van belang wordt geacht - en alleen daardoor al verwijzen die ruimtelijke ordening en stadsuitleg hooguit nog in anekdotische zin naar Mussolini. Van Hitler resten ons fundamenten van autowegen en de bunkers van de Atlantikwall; het onder Stalin tot stand gebrachte beeldenpark is gesneefd of naar opslagterreinen vervoerd, en dat van de op zijn initiatief tot stand gebrachte architectuur nog zoveel overeind staat, vindt niemand leuk.

Met Mussolini gaan we ongeveer net zo ontspannen om als hij met de kunsten. Daardoor zit er niet alleen een essentieel kwaliteitsverschil tussen de erfenis van de Italiaanse dictatuur en die in Duitsland en Rusland, maar ook tussen de manieren waarop wij die bekijken.

Kunst und Macht verklaart het niet, het stelt dat verschil zelfs hoegenaamd niet vast. De tentoonstelling brengt het tijdperk van de grote dictaturen voor wat de kunst betreft terug tot de toentertijd officiële, die inmiddels vergruist wordt, versus de illegale, de entartete, de Exil of de dissidentenkunst, inmiddels bijgezet in de grote collecties en erkend als enige belangrijke bijdrage.

In dat perspectief is de greep die de absolute macht op de kunst probeert uit te oefenen per se gedoemd tot narigheid te leiden, en, als de tijd er overheen gegaan is, tot potsierlijkheid. Het raadsel waarom dan toch al die moeite gedaan werd, wordt er niet door opgelost.

Kunst und Macht im Europa der Diktatoren 1930-1945. Deutsches Historisches Museum, Berlijn, tot en met 20 aug. Catalogus: DM 49,50.

Meer over