Exotische schonen bruut aangepakt

In de Russische fantasie golden de bergvolkeren van de Kaukasus als onverpest en exotisch. Helaas, stelt Yo’av Karny, meenden de Russische machthebber steevast het geweer te moeten laden zodra zij naar de Kaukasus togen....

Het conflict in Georgië heeft misschien wel het grootste misverstand van de tijd na de Koude Oorlog aan het licht gebracht. Het Westen ging ervan uit dat het afgelopen was met imperia en invloedssferen. Dat was ‘oude politiek’, die hoorde bij vijandige blokken en grootmachten. Van nu af aan gingen Oost en West samenwerken ten behoeve van vrede, veiligheid en voorspoed en zou iedere regio zelfstandig zijn belangen afwegen en keuzes maken.

Maar handelde het Westen daar ook naar? Rusland meent van niet. Het zag machteloos toe hoe één voor één de landen die deel uitmaakten van zijn invloedssfeer bondgenoten werden van Amerika en West-Europa. De NAVO, opgericht als militaire verdediging tegen het door Rusland gedomineerde Sovjet-blok, had zijn oorspronkelijke doelstelling weliswaar verloren, maar werd niet opgeheven. Integendeel, de NAVO breidde zich uit met achtereenvolgens Tsjechië, Polen, Hongarije, Estland, Letland, Litouwen, Slowakije, Slovenië, Roemenië en Bulgarije. Op het vervolgprogramma stonden Georgië en Oekraïne. Daar trok Rusland een grens. Niet omdat het strategisch en cultureel meer verbonden was met deze gebieden , maar omdat het dankzij zijn olie- en gasrijkdom was opgekrabbeld na de knock-out van 1989 en weer een vuist durfde te maken tegen de tegenstander.

De Kaukasus heeft altijd tot de Russische verbeelding gesproken. Sinds de Russische tsaren in de 18de eeuw hun gebied gingen uitbreiden naar het zuiden, kwamen ze in aanraking met een bonte verzameling bergvolken die elk hun eigen taal, kleding, gewoonten en godsdienstige gebruiken hadden. Net als de indianen voor de Europese kolonisten in Amerika het idee van de nobele wilde gingen vertegenwoordigen, combineerden de inheemse Kaukasische bergvolken in de Russische fantasie de eigenschappen schoonheid en barbaarsheid. Beroemde 19de eeuwse auteurs als Poesjkin, Lermontov en Tolstoj schreven verhalen en romans waarin een Russische held verliefd werd op een Tsjerkassisch meisje. De voorliefde voor het exotische ging gepaard met extreem geweld om de vreemde volken te onderwerpen.

Toen Rusland zijn oog op de Kaukasus liet vallen, was het al eeuwenlang onder heerschappij van Turkije, in het westelijk deel, en Perzië, in het oosten. De enige manier om het zuiden van Rusland te beschermen tegen mogelijke invallers, was het rijk uitstrekken tot over de bergketen heen en langs de kusten van de Zwarte en Kaspische Zee. Aan het eind van de 18de eeuw deed zich de gelegenheid voor om Georgië te veroveren, toen dit koninkrijk vroeg om bescherming tegen de Perzen. Vanaf dat moment liet Rusland de Kaukasus niet meer gaan en voerde in de 19de eeuw oorlogen met de Turken en de Perzen waarbij uiteindelijk de hele Kaukasus werd ingelijfd. Relatief eenvoudig was de annexatie van Georgië. Rusland stelde zijn eigen ambtelijke rangen en adellijke titels open voor de (net als de Russen orthodox-christelijke) Georgiërs. De integratie van de elite liep zo voorspoedig dat zij beroemde staatslieden en generaals van het tsarenrijk voortbracht. Ook de christelijke Armeniërs stelden zich onder de hoede van de Russen om zich de Turken van het lijf te houden.

Heftig verzet boden alleen de bergvolken in het noorden. Generaal Jermolov, die zijn militaire ervaring had opgedaan in de oorlog tegen Napoleon, stelde zich ten doel de opstandige regio voor eens en voor altijd op de knieën te dwingen. Van hem is het citaat: ‘Ik wil dat de vrees die mijn naam inboezemt onze grenzen meer beschermt dan ketens of forten.’ Bijna tweehonderd jaar nadien is de naam Jermolov voor de inheemse Kaukasische volken nog steeds synoniem met meedogenloos bloedvergieten. De knal waarmee zijn standbeeld in Grozny werd opgeblazen, luidde het begin in van de Tsjetsjeense opstand in 1990.

Hoeveel terreur Jermolov ook zaaide, hij bereikte zijn doel niet. Tientallen jaren boden de bergvolken verzet met guerrilla-achtige strijdmethoden van aanvallen doen en zich weer in de bergen terugtrekken. Imam Sjamil wist onder de vlag van de islam Dagestanen en Tsjetsjenen te verenigen en werd een legendarisch symbool van de Kaukasische onverzettelijkheid. In 1859 gaf hij zich tenslotte over, waarna de Russen de Kaukasus konden pacificeren. Dat gebeurde door middel van hardhandige ontvolking – Tsjerkessische stammen werden verdreven en voorzover ze overleefden, kwamen ze in Turkije en het Nabije Oosten terecht – en herbevolking met Kozakken en Russen.

Yo’av Karny, een Israëlische publicist, bundelde in De Kaukasus, een reeks schitterende, met veel inlevingsvermogen geschreven reportages. Hij ziet een directe lijn van de wreedheden in de 19de eeuw naar die van het leger van Jeltsin. ‘De Russische regeringen hebben jammer genoeg altijd gedacht dat het beter was het geweer te laden voordat ze de Kaukasus benaderden’, merkt hij op. Volken zijn uitgemoord en verbannen, zowel in de 19de als in de 20ste eeuw, en als ze terugkeerden ontstonden er vanzelf conflicten met de nieuwe bewoners. De kiemen van de ellende in Abchazië en Tsjetsjenië liggen in dit bloedige en met wraakzucht vervulde verleden.

Zolang de Sovjet-macht de nationale aspiraties wist te onderdrukken, was niet zichtbaar welke vulkanische krachten zich onder de oppervlakte bewogen. Maar de papieren grenzen – waarmee nogal willekeurig regio’s tot republieken, autonome regio’s of districten binnen republieken waren gemaakt – werden echte grenzen, zodra Moskou zijn greep verloor. Schrijvend over de moordpartijen en oorlogen in de Kaukasus, in Armenië en Azerbeidzjan, verzucht Karny dat herinneringen – de echte, de vermeende en de bedachte - wel een erg dominante rol spelen. Hij maakt debatten mee in Azerbeidzjan die gevoerd worden met redeneringen als ‘ík ben er, dus jij bent er niet’, en nog fraaier ‘jij was er niet, dus ik ben er’, het soort van argumenten dat hem als Israëli bekend voorkomt, zegt hij er zelfspottend bij. Een Azerbeidjzaanse historica ‘bewijst’ dat Armeniërs helemaal geen Armeniërs zijn, maar Albanezen, hetgeen tot grote politieke opwinding leidt en tot gebiedsclaims, tegenclaims en nieuwe claims.

Een prachtig voorbeeld van de post-Sovjet dynamiek geeft Karny in zijn weergave van het conflict rond de Armeense enclave Nagorno-Karabach. In het opkomend nationalistische zelfbewustzijn, groeide Nagorno-Karabach uit tot een mythe. Het was, zo heette het, de wieg van het Armeense volk, waar het nationale karakter in pure vorm bewaard was. Na jaren vechten wisten de Armeniërs uiteindelijk de Azerbeidzjaanse provincie te veroveren en de Azeri’'s te verdrijven, maar ten koste waarvan? In plaats van zich te ontwikkelen en welvaart op te bouwen, kreeg Armenië te maken met economische blokkades van zijn buurlanden en kwijnde weg in koude, donkere winters. Armeniërs met een goede opleiding emigreerden en lieten een bitter verdeeld land achter.

Voor de meeste auteurs is de Kaukasus een te gecompliceerd en te bont gebied om er een zinnige studie over te schrijven. The Ghost of Freedom van de Britse historicus Charles King geeft een feitelijk overzicht over de tweehonderd jaar dat de Russen er heersten, maar verliest zich in te veel gebeurtenissen en slaat bovendien af en toe merkwaardige zijpaden in, waardoor het weinig inzicht biedt en slecht leesbaar is. Daarentegen heeft Yo’av Karny in het al wat oudere De Kaukasus (nog in de ramsj verkrijgbaar) een bewonderenswaardige prestatie geleverd. Hij komt dicht bij de mensen over wie hij vertelt, terwijl hij tegelijkertijd weet te abstraheren en van een groot begrip getuigt van de onderlinge verhoudingen.Hella Rottenberg

Meer over