Excellente leraar moet leerling naar wereldniveau opstuwen

Dat politiek Den Haag zich richt op de leraar is slim. Studie wijst uit: een goede leraar maakt het verschil.

VAN ONZE VERSLAGGEEFSTER MARJAN VAN DEN BERG

Het is waar politiek Den Haag al jaren hardop van droomt: Nederland in de mondiale topvijf van onderwijslanden. Excellentie is daarbij het toverwoord. Excellente leerlingen, opgestuwd door excellente leraren die werken op door het ministerie benoemde excellente scholen.

Het kabinet-Rutte heeft deze ambitie zwart op wit in het regeerakkoord gezet. Daarin wordt het onderwijs in plaats van strenge bezuinigingen, 689 miljoen euro voorgespiegeld - op voorwaarde van een breed gedragen onderwijsakkoord.

Want het ambitieuze vergezicht wordt nu nog vertroebeld door onbevoegde leraren, scholen die van steeds minder moeten rondkomen en aanzienlijk minder uitblinkende leerlingen dan in andere landen. De verlossing moet komen van het akkoord dat donderdag is gepresenteerd, en de ronkende titel De route naar geweldig onderwijs kreeg. Is dit dan het pact waarmee Nederland zich kan gaan meten met gidsland Finland?

Grondslag van het akkoord is de overtuiging dat betere leraren voor de klas vanzelf betere resultaten bij de leerlingen oplevert. Daarom is overeengekomen dat alle leraren vanaf 2017 bevoegd moeten zijn voor het vak dat ze geven, dat leraren de tijd moeten krijgen zich bij te scholen en dat zij al die capaciteiten in het lerarenregister gaan vastleggen.

'Alle onderzoek wijst in die richting: een goede leraar maakt het verschil', beaamt Monique Turkenburg, senior wetenschappelijk onderzoeker van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Over de effecten van een goede leraar is meer bekend dan over het resultaten van lesmethoden voor goede leerlingen. 'Logisch dus dat politici aan de voorkant gaan zitten, bij de leraar. Want als dat op orde is, ben je een heel eind.' De nadruk op de kwaliteiten van de leraar geeft volgens Turkenburg de status en aantrekkelijkheid van het vak een flinke duw in de goede richting. Ook het lerarenregister speelt daarin een rol. 'Scholen kunnen nu gaan pronken: bij ons staan bevoegde leraren voor de klas.'

Maar veel van de maatregelen zijn vooral richtlijnen, intenties, die de deelnemende partijen onderling in cao's moeten gaan uitwerken. Dat roept vragen op. Je kan hogere eisen stellen, maar nergens staat wat er gebeurt als leraren er niet aan voldoen, zegt Jelmer Evers. Hij is geschiedenisleraar aan UniC in Utrecht en mede-auteur van Het Alternatief - Weg met de afrekencultuur in het onderwijs!. 'Gaat het dan alleen om vakinhoudelijke eisen? Daar word je niet per se een betere leraar van. Dat zit hem vooral in de pedagogische en didactische vaardigheden. Dit is een lange lijst van nepoplossingen.'

Het akkoord past naadloos in een traditie van top-down genomen besluiten, vindt Evers. 'Veel mensen die nu om tafel zaten, hebben al heel lang niet meer voor de klas gestaan. We hebben hier ideeën genoeg, daar hebben we de overheid niet voor nodig. De overheid moet de juiste randvoorwaarden scheppen. Dat zie je ook in landen als Canada en Singapore. Daar is de leraar de expert, niet de uitvoerder.'

Hoe het ook uitpakt, zeker is dat de leraar met dit akkoord een nieuw tijdperk binnenstapt. Symbool daarvan is de afschaffing van de seniorenregeling 'bapo', waarmee leraren vanaf 52 jaar minder konden gaan werken. Jarenlang gold de regeling als onaantastbaar, maar de kosten en organisatorische versnippering van de Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen hangt veel scholen als een molensteen om de nek.

undefined

Meer over