Ex-ragger

Ooit was Ulver pionier van blackmetal. Maar Kristoffer Rygg en zijn band keerden zich af van de sinistere stroming. Nu maken ze poëtische muziek die wordt uitgevoerd in de opera van Oslo.

Komen we aanvliegen boven Oslo, waar een afspraak staat met de zanger en liedschrijver Kristoffer Rygg alias 'Garm', dan is het goed de muziek van diens band Ulver in het gehoor te hebben. Als de daling wordt ingezet boven het majestueuze Oslofjord, luisteren we naar de gotische poëzie van het lied Funebrae, de indringend declamerende stem van Garm: 'A string of music, hung from a willow, weeping, over the wood, and the bones.' We horen traag golvende synthesizers en een terughoudende piano, dreigende paukenroffels en een klagende theremin.

We glijden door het wolkendek, laten de zon daarboven achter en naderen de somberte van het nog winterse Noorwegen, zien de pure boskracht beneden ons. De gedachten zijn verheven, de stemming is toch enigszins bedrukt. We zijn in een Ulver-state-of-mind.

Zeker: elke band die het langer dan een decennium volhoudt, maakt een ontwikkeling door. Maar die van Ulver is spectaculair te noemen. Ulver, Noors voor 'wolven', werd door Rygg gevormd in 1993 als Noorse blackmetalband, als pionier in dat sinistere genre van duivelse en inktzwarte muziek en voorloper van iets dat een bijna sektarische beweging zou worden. Blackmetalbands en volgers werden een Scandinavisch enigma. De beweging hulde zich in nevelen, bestond vooral ondergronds, tot het goed mis ging. Er werden al dan niet rituele moorden gepleegd, kerken in brand gestoken, de eenmansbandleider Varg Vikernes van het oprecht satanische Burzum verdween voor jaren in de gevangenis.

Intussen ging Ulver voort. De band stapte uit de black metal, wilde er zelfs niets meer mee te maken hebben, en ging door elektronica gestuurde muziek maken. Muziek met eenzelfde duistere kracht als die uit de black metal, maar zonder striemende gitaren en hersenloos beukende drums. Poëtische muziek die drijft in een warm bad van ambient en omgevingsgeluid, en die tegenwoordig als muziektheater wordt uitgevoerd in de nationale opera van Oslo.

We treffen het brein van deze band op de afgesproken plek, in een oude Mercedes. 'Fijn dat je er bent', zegt Rygg door het portierraam. Gespeelde eenzaamheid: 'Eindelijk komt iemand me opzoeken.'

De muziek van Ulver mag dan van brute black metal zijn geëvolueerd naar hoogstaand avant-gardistisch muziektheater, Kristoffer Rygg (Oslo, 1976) oogt nog als een beest van een metalhead, type motorbendelid. De baard in een venijnige punt gevlochten, wollen muts diep over de wenkbrauwen, de armen geheel volgetatoeerd. Meest in het oog springende tekst op de linker onderarm: WE ARE BEING LIED TO. Een lichte vorm van paranoia? 'Wantrouwen', zegt Rygg. Wantrouwen tegen de wereld en tegen welke identiteit dan ook die ons dit bizarre aardse bestaan heeft geschonken. 'We doen wel alsof het niet belangrijk is, maar het is toch eigenlijk onmogelijk te leven met de gedachte dat het allemaal voor niets is, dat we rechtstreeks op de dood afrennen?', geeft de zanger maar een voorzetje voor een nogal somber betoog.

Over die verscheurende menselijke conditie schreef Rygg een pijnlijk mooi liedje, Let The Children Go, dat verscheen op het album Shadows Of The Sun (2007), waarin hij het moment bezingt waarop ouders hun kinderen moeten uitleggen dat het leven eindig is.

'We hold each other,

In the dead of night,

And the end

Begins.

When innocence dies

In their eyes

Asking us why

Must they die.

And live

And love

And life

Goes on.

After the sun sets

The time to sleep

Without dreams

We have nothing.'

'Het zal je misschien niet verbazen als je naar mijn teksten luistert, maar ik heb een obsessie met de dood, met het onherroepelijke einde. Ik leef met het constante besef dat alles weer verloren gaat. Ik vond het dan ook hartverscheurend toen mijn kinderen zich realiseerden dat ze ooit dood zouden gaan. Het verlies van hun onschuld, hun mooie kindertijd. Ik was er kapot van.'

We zijn inmiddels aangekomen in de studio van Ulver, in een naargeestige buitenwijk van Oslo. Binnen is het onverwacht gezellig: oude bankstellen, een kleine pitbull die ons kwispelend begroet, veel piano's, aan de muur vier grote portretfoto's van de bandleden van Kiss.

'Ach ja, Kiss', zegt Rygg. 'De eerste band die een enorme impact op me had. Een band als een fenomeen, die stond voor meer dan muziek. Kiss was een circus, de bandleden zaten als plakplaatjes bij de kauwgum. Toch voelde je in die tijd, de jaren tachtig, ook afstand tot een band. Tegenwoordig zijn de kids vrienden met hun idolen, ze zitten bij ze op Facebook. Ik heb altijd erg van die afstand gehouden: afstand is gezond en ondergewaardeerd.'

Tweede grote muzikale inslag veroorzaakte de Braziliaanse metalband Sepultura, eind jaren tachtig. Hij pakt ze er maar even bij. 'Kijk, hun eerste plaat Morbid Visions uit 1986. Dat was eigenlijk een blackmetalplaat avant la lettre.' Inderdaad: gierende gitaren die maar één richting op wilden, verwoestende drums en vocalen als die van een dier in nood.

Rygg: 'Als jong kereltje was het heel makkelijk je met die muziek te vereenzelvigen. Ga maar na: het schopte aan tegen alles waar je als opgroeiend kind een hekel aan had. School, religie, gezag en autoriteit. In Oslo vormde zich een groepje jongens rond dit soort metal. We hingen rond bij het platenwinkeltje Helvete van Euronymous (pseudoniem van de gitarist Øystein Aarseth van de blackmetalband Mayhem, die in 1993 werd vermoord door Varg Vikernes, red.), gingen zelf aan de slag. Spelen, zonder muzikale achtergrond: rammen op de gitaren. We namen demo's op, ruilden cassettes. Het mocht, nee: móest slecht klinken. Pure underground moest het zijn, en toen een aantal van onze bandjes serieus wat repertoire hadden, zei een metallabel als Roadrunner: sommige muziek kan maar beter underground blijven. Vonden we prachtig. Wij gingen onszelf wel redden, dachten dat we muziek maakten alleen voor elkaar.'

Dat de band deel uitmaakte van 'een beweging', had Ulver noch een van de andere vroege blackmetalbands in de gaten. 'We zaten opgesloten in ons wereldje van snoeiharde muziek, anti-moraal en ruig leven en kregen steeds meer het gevoel los te komen van de samenleving en wat die voorschreef. We genoten van onze dwarsheid en onaangepastheid, van de blikken die we op straat toegeworpen kregen. Maar pas later beseften we dat de black metal ook in die begintijd werd gezien als een cultfenomeen in de rest van de wereld. Dat kids tot in de Verenigde Staten achter onze cassettes aanjoegen, dat er blackmetalbandjes werden gevormd in Italië en Griekenland. En dat wij dus een soort cultleiders waren. Terwijl wij volgens onszelf gewoon een onbeduidend groepje van een paar honderd Noorse jochies waren.'

Het steeg sommige Noorse blackmetalmannen naar het hoofd, en goddank, zegt Rygg, zagen hij en zijn bandmaten de gevaren op tijd. 'Er waarde in onze groep ineens een soort halve ideologie rond, van aan elkaar geplakte wijsheden, uit de punk, flarden satanisme. Die ideologie schreef voor dat alles moest worden kapotgemaakt omdat we uiteindelijk zelf toch ook kapot gingen. Er moest chaos heersen. Een destructieve ideologie dus, die uiteindelijk resulteerde in brandstichting en moord. Een paar jongens hadden zichzelf iets te serieus genomen, ze werden ondanks hun satanisme zelf een soort Christusfiguren, die offers moesten brengen voor hun betere wereld. Ik denk nu dat enig besef van christelijke waarden een betere morele basis biedt dan het gedweep met Satan.'

Rygg en een aantal medegrondleggers van de Noorse blackmetalbeweging keerden zich af. 'We voelden nog steeds de aantrekkingskracht van de duisternis, maar probeerden die te stoppen in meer persoonlijke muziek en thema's. We verinnerlijkten. We gingen schrijven over de eigen psyche, niet over hoe de wereld in elkaar moest steken.'

Ulver begon een reis, vertrok vanuit een nieuw soort en nog enigszins beschaafde heidense metal met veel aandacht voor natuur en bosgoden (Bergtatt, 1995), naar steeds meer filmische en atmosferische muziek, waaruit de strakke ritmes en raggende gitaren langzaam verdwenen (Perdition City, 2000).

Op de laatste platen Shadows Of The Sun en het vorig jaar verschenen Wars Of The Roses horen we het Ulver van nu: avant-gardistische geluidskunst die toch behapbaar blijft als popmuziek, en die wereldwijd en in vooraanstaande muzikale kringen wordt opgepikt. 'Dat we als band constant zijn blijven veranderen, is nooit een strategie geweest', zegt Rygg. 'Maar het kameleontische is bij ons een instinct, we kunnen niet anders. Als we bij elkaar zitten in deze studio dagen we elkaar voortdurend uit, we zoeken altijd naar nieuw geluid.'

Het samenhokken in de studio is een iets te verleidelijk muzikaal bestaan geworden voor Ulver, geeft Rygg toe. Ulver treedt zelden op, maar werd drie jaar geleden overgehaald een concertserie te geven op stand: in de Nationale Opera van Oslo, naast visuele kunst en performancetheater. Dat de carrièrestappen van de band door fans van het eerste uur nog altijd worden gevolgd, stemt Rygg dankbaar en tevreden.

'Ik vind het fascinerend en een eer dat de liefhebbers uit de begintijd van de black metal ons nog steeds waarderen. De opera zat er vol mee. Zo dogmatisch is die beweging dan kennelijk toch ook niet. Dat daarnaast de kunstwereld interesse toont in onze muziek, snap ik wel. Het is natuurlijk aantrekkelijk je als instituut voor hoge kunsten te verbinden aan vooruitstrevende lage kunst als popmuziek, helemaal als daar een gevaarlijk en duister randje aan zit. Je komt er leuk mee voor de dag. Maar het heeft ons er niet van weerhouden bij de shows in de opera onze stokpaardjes te berijden, onze beeldclichés te laten zien.' Zoals de slowmotionbeelden van een jachtluipaard dat een babyzebra aanvalt en verscheurt, die worden getoond bij het lied Let The Children Go.

Rygg: 'Daar hoef je inderdaad geen analyse op los te laten: zo leef je, zo ben je dood, en de natuur is wreed. Wij houden van één-op-één kunst, een beeldtaal die snel duidelijk is en die je niet per se in verwarring hoeft te brengen.'

Op het Tilburgse festival Roadburn, dat morgen begint met Ulver als headliner, speelt de band bij hoge uitzondering en eenmalig live, met een muzikaal project dat binnenkort ook op cd verschijnt. De band vertolkt nummers uit de volgens Rygg 'pré-rocktijd', psychedelische muziek vanaf midden jaren zestig. 'Ik ben eindeloos gefascineerd door muziek die wordt uitgevonden op het moment dat ze wordt gemaakt. Je hoort in de liedjes van bands als The Pretty Things dat ze daar, op dat moment in de studio, iets maken wat nog nooit iemand heeft gemaakt. Je voelt de ziel van die muziek, de volstrekte authenticiteit en de enorme levenskracht. Bij The Electric Prunes hoor je voor het eerst de effecten van een wahwah-pedaal, ongelooflijk goed. Ik ben best een nerd: die muziekgeschiedenis interesseert me mateloos. Wij móesten ooit een eerbetoon brengen aan deze bands, om die geweldige muziek weer eens te laten horen, want er groeien generaties op die het helaas zonder moeten stellen. Op Roadburn, volgens ons het beste popfestival ter wereld, gaat het dan gebeuren. Beschouw het maar als de apotheose van een antropologisch liefdesproject en als het een shitconcert wordt, want daar hebben we er meerdere van gegeven, jammer dan. Wij hebben dan in ieder geval als band weer eens iets compleet anders gedaan.'

Ulver speelt morgen het project '67' op het Tilburgse festival Roadburn. De cd met psychedelische covers Childhood's End verschijnt op 28 mei. De dvd Ulver - The Norwegian National Opera is uitgebracht door Kscope.

Van duivelse black metal naar heidense natuurmetal, van filmmuziek naar avant-gardistische en poëtische geluidkunst voor in de opera; de Noorse band Ulver maakte in bijna twintig jaar een onvoorstelbare ontwikkeling door. De Volkskrant stelde op Spotify een playlist samen met het beste werk van de band. Vk.nl/spotify

Sorry voor de troep

Aan de muren van Neseblød, een piepklein winkeltje van misschien tien vierkante meter, oude Kiss-platen die ooit in het bezit zijn geweest van de vermoorde gitarist Euronymous van Mayhem - 'Met bloedvlekken!'. Ook beschikbaar: tekeningen die bandlid Satyr van Satyricon vervaardigde met zijn eigen bloed. T-shirts, gedragen door de zanger Dead van Mayhem die zich in 1991 met een hagelgeweer door het hoofd schoot. Een replica van zijn afscheidsbrief is ook te koop in Neseblød: 'Sorry voor de troep.' De foto die werd gemaakt van het ontplofte hoofd van Dead werd later gebruikt als platenhoes, die snel daarna werd verboden. Die plaat is uiteraard een prijzig collectors item in Neseblød.

Verpulverend

Wie nu door Oslo wandelt, komt nog veel sporen van de roemruchte blackmetaltijd tegen, en tekenen van nieuw donker leven. Veel podia, die nog wekelijks obscure bands programmeren. Aanplakbiljetten voor blackmetalplaten en concerten. Metalheads in troosteloos zwart en met sliertig haar. En natuurlijk de platenzaak Neseblød (bloedneus), een metalwinkel als een museum, waar zich dagelijks blackmetalheads verzamelen vanuit Zuid-Korea tot de VS. Oslo geldt als een bedevaartsoord voor fans die zich voorgoed in de stroming hebben verloren.

De glorietijd van de Noorse black metal ligt diep in de jaren negentig, toen het genre werd beoefend in Noorse steden als Bergen en vooral Oslo. Bands als Mayhem, Ulver, Emperor, Dark Throne en Burzum schokten de wereld met muziek als een satanisch ritueel: eeuwig jankende gitaren, bot rammende drums en krijsende doodskreten. De black metal had meer met punk dan met gangbare metal: de productie was bij voorkeur slecht, de instrumentbehandeling ook, drums klonken als lege emmers, gesoleerd werd er liever niet en alles draaide om een beklemmende sfeer van pure slechtheid en uitzichtloze duisternis. Bij live-optredens verstopten bandleden zich achter doodsmaskers van corpsepaint en fans werden niet zelden in soortgelijke verschijningsvorm op straat aangetroffen.

undefined

Meer over