Even oogcontact met de violist

Amsterdam - Ja, het lijkt even vreemd, en iedereen staat maandagavond bij binnenkomst in de Amsterdamse Paradiso met de ogen te knipperen, maar publiek en orkest moeten niet bang zijn van elkaar. 'Brahms heeft ook in Paradiso gespeeld', zegt artistiek manager Sven Arne Tepl van het Nederlands Kamerorkest, voor aanvang van een uitvoering in de popzaal. Een geruststellende gedachte.


Niet dat Brahms in 1884 een vlekkeloos optreden verzorgde aan de Weteringschans. Hij dirigeerde zijn Derde symfonie, maar die kwam in de Vrije Gemeente nauwelijks van de grond. Het Amsterdamse orkest deugde niet en Brahms zou hebben gezegd dat hij alleen nog voor het eten wilde terugkeren naar de onheilsplek.


Er valt dus iets goed te maken in Paradiso en het Nederlands Kamerorkest meldt zich maandag met die missie. Misschien moet het orkest de strijd ook wel aangaan: de conjunctuur voor klassieke muziek is laag, het publiek zit op het geld in tijden van crisis en bezuinigingen van het kabinet-Rutte hangen boven de markt. Het Kamerorkest wil dus nieuwe aanwas, aan te boren bij laagdrempelige uitvoeringen. Een plek veroveren het liefst midden in het volle stadse nachtleven, en in Paradiso wacht inderdaad een deels best jong publiek.


Het is een experiment, benadrukt de orkestleiding nog. Klassiek in de popzaal, en dan niet eens vanaf het podium maar op de vloer, in de arena, tussen de toeschouwers die zich met bekers bier rondom de twintig strijkers plus nog wat aanhang mogen begeven. Op het programma staat Der Tod und das Mädchen van Schubert, en die compositie zal niet als één dramatisch strijkorkeststuk van bijna een uur worden opgediend, maar voor de gelegenheid in handige deelblokjes. Het zal een beetje een klassieke medley worden vanavond, stukje Bach, stukje Debussy, klein percussief intermezzo en dan weer terug naar Schubert.


Triviale zaken vallen op, als je met je stoeltje op een halve meter afstand van de violisten zit, bijna als mede-orkestlid in ruste. Je ziet een losse veter, ergens in de altvioolgroep. Een gaatje in een pantykous, net onder de enkel. Je hoort een ontheiligende oprisping van een orkestlid dat graag anoniem wil blijven. Ook gek: je maakt oogcontact met een van de violisten. 'Zit-ie me nu de hele tijd aan te kijken?'


Bijna angstaanjagend is een optreden van de Finse mezzosopraan Virpi Räisänen, die een lied van Strozzi met uitbundige operamimiek pal in het gezicht van het publiek staat te zingen.


Al net zo indrukwekkend is het onversterkte geluid. De orkestklank komt niet - zoals bij een concert op gepaste afstand - als een geheel tot je, maar vouwt zich organisch om je heen. Rechts tingelt het clavecimbel, links zwelt de tweede vioolgroep aan, en dan, als concertmeester en sterviolist Gordan Nikolic gaat staan, stijgt Bach ook nog boven je uit. De snaren trillen vol het oor binnen, zonder eerst akoestische schade op te lopen. Alsof je ze zelf hebt gestreken: een nogal opwindende ervaring. Met één verschijnsel zullen zowel publiek als orkest moeten leren leven, mocht het experiment geslaagd genoemd worden en herhaling volgen: de eindeloos plonkende en ontregelende percussie van omvallende, harde plastic bierbekers.


Nederlands Kamerorkest: Schubert, Bach, Strozzi, Debussy, in Paradiso Amsterdam, 24/01.


Meer over