nieuws

Europese Rekenkamer: de belastingbetaler draait op voor de kosten van milieuvervuiling

Bedrijven betalen veel te weinig mee aan de kosten van milieuvervuiling die zij veroorzaken. Daardoor komt een groot deel van die rekening terecht bij de belastingbetaler.

Gedumpt chemisch afval is vaak een bron van vervuiling. Omdat de daders zelden worden achterhaald, draait de overheid voor de kosten van de sanering op. Beeld Colourbox
Gedumpt chemisch afval is vaak een bron van vervuiling. Omdat de daders zelden worden achterhaald, draait de overheid voor de kosten van de sanering op.Beeld Colourbox

Dat is in tegenspraak met het principe dat de vervuiler betaalt, schrijft de Europese Rekenkamer in een maandag gepubliceerd rapport.

In de Europese Unie geldt sinds 2007 als uitgangspunt dat de veroorzaker betaalt voor de kosten van vervuiling van land, lucht en water. Het is ook een van de principes in de doelen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN). In de praktijk komt daar te weinig van terecht, aldus de Europese Rekenkamer.

EU-staten stellen bedrijven niet genoeg aansprakelijk voor de kosten van milieuvervuiling. Ook zijn er veel gevallen waarbij de bron van de vervuiling niet te achterhalen is, of het bedrijf dat de schade heeft veroorzaakt is failliet. Dan komen de kosten voor het opruimen voor rekening van de gemeenschap.

De Rekenkamer heeft niet uitgerekend hoeveel geld in totaal in de EU gemoeid is met het repareren van milieuschade. Maar zeker is dat het om vele miljarden per jaar gaat. De Europese Commissie becijferde in 2006 de kosten voor het saneren van vervuilde grond op 119 miljard euro. 40 procent daarvan werd betaald uit publieke middelen.

Om dat te voorkomen pleit de Rekenkamer ervoor bankgaranties of andere financiële zekerheden te eisen van bedrijven die risico lopen op het veroorzaken van milieuschade, zodat eventuele kosten achteraf verhaald kunnen worden. Slechts vijf EU-landen eisen nu zo’n garantie. Twintig landen, waaronder Nederland, niet.

Hoe scheef de verhoudingen liggen, blijkt het duidelijkst uit de kosten van watervervuiling. Huishoudens betalen veruit het meest voor waterzuivering, terwijl zij maar 10 procent van het water verbruiken. De landbouw die het meeste water gebruikt (58 procent) en de grootste bron van vervuiling is, betaalt het minst.

In de EU moeten grote bedrijven zich houden aan wettelijke uitstootnormen voor luchtvervuiling. Maar de kosten van de milieuschade die zij aanrichten binnen die normen worden niet op hen verhaald. Het Europese Milieuagentschap EEA heeft becijferd dat de kosten van luchtvervuiling door wettelijke toegestane uitstoot 329 tot 1.000 miljard euro bedragen in de periode 2008-2012.

Om dat aan te pakken moeten de uitstootnormen worden aangescherpt, aldus de Rekenkamer. De Europese Commissie heeft daar een aanzet toe gegeven met zijn Zero Pollution Action Plan (nul vervuilingsplan) 2050. Dat stelt strengere uitstootnormen in het vooruitzicht op alle terreinen.

Lastiger aan te pakken is volgens de Rekenkamer de vervuiling die uit diffuse bronnen komt, zoals de landbouw. Daar is niet één duidelijke vervuiler aan te wijzen, aldus Viorel Ștefan, een van de opstellers van het rapport. ‘Dat hebben we jaren geleden al aangekaart. Maar de politieke wil om daar iets aan te doen ontbreekt.’ De landbouw zou via heffingen op het gebruik van pesticiden en kunstmest kunnen meebetalen aan de vervuiling die hij veroorzaakt.

Volgens Ștefan is het een misverstand om te denken dat de milieukosten stijgen door het strikt toepassen van het principe van de vervuiler betaalt. Het tegendeel is het geval. Een investering in milieubesparende maatregelen spaart in sommige gevallen het tienvoudige van de kosten achteraf uit. Het verschil is dat maatregelen moeten worden betaald door bedrijven, terwijl de kosten achteraf vaak verhaald worden op de gemeenschap.

Door milieukosten door te berekenen in de bedrijfsvoering worden vervuilende producten duurder. Consumenten kunnen daardoor uitwijken naar goedkopere alternatieven wat bedrijven stimuleert schoner te werken. ‘Dat is beter voor iedereen’, aldus Ștefan.

Voorbeelden

Italië

In 1995 ging een Italiaanse asbestproducent failliet. In opdracht van het Italiaanse ministerie van milieu was het bedrijf al begonnen de gebouwen te saneren. Dat stopte meteen na het bankroet. De saneringswerkzaamheden werden afgemaakt door de lokale autoriteiten. Die kregen daarvoor 7,1 miljoen euro subsidie van de EU. Pogingen om de schade te verhalen op het bedrijf zijn tot nu toe op niets uitgelopen.

Polen

In Polen namen autoriteiten in 2000 stappen tegen een chemisch bedrijf dat het grondwater en de bodem vervuilde. Dat was een bedreiging voor omwonenden en een nabijgelegen natuurgebied. In 2014 vroeg het bedrijf faillissement aan. Claims tegen het bedrijf liepen daardoor op niets uit. De Poolse autoriteiten saneerden 27 hectare grond uit publieke middelen, met een subsidie van 17,3 miljoen euro van de EU. Geschat wordt dat de totale saneringsoperatie van duizenden hectaren vervuilde grond ruim een half miljard euro kost.

Portugal

Portugal stelde in 2011 een lijst op van 175 gesloten mijnen die de bodem hadden vervuild met zware metalen en radioactieve mineralen. Omdat de mijnen lang geleden verlaten zijn, kunnen de kosten voor het opruimen niet meer op de eigenaren worden verhaald. De EU droeg 9,1 miljoen euro bij aan het saneren van drie mijnen.

Italië

Acht vuilnisbelten in de Italiaanse streek Campania hielden zich niet aan de milieuregels van de EU voor het storten van afval. Dat veroorzaakte ecologische schade aan de omgeving. De EU droeg tussen 2014 en 2020 27,2 miljoen euro bij aan het saneren van de vuilnisbelten.

Meer over