Europees model heeft zichzelf overleefd

Vergeef me voor het poneren van een botte en voor de hand liggende constatering, maar de gebeurtenissen in West-Europa brengen langzamerhand een flink aantal pijlers van het Amerikaanse liberalisme in diskrediet....

David Brooks © The New York Times

De meeste politieke idealen die worden gepropageerd door Amerikaanse liberalen zijn al ingevoerd in Europa: gulle uitkeringen, vergaande bescherming voor arbeid, flink progressieve belastingen, ziektekostenverzekeringen op maat, vestigingsbeperkingen voor grootwinkelbedrijven en verzorging van de wieg tot het graf. Niettemin bloeit het continentale Europa niet. Sterker nog, het verkeert al tien jaar in een relatieve neergang.

De West-Europeanen lijken te lijden aan een crisis in hun zelfvertrouwen. Verkiezingsuitslagen, of het nu in Noordrijn-Westfalen is of ergens in Frankrijk of Nederland, tonen electoraten die hun vertrouwen in hun leiders zijn kwijtgeraakt, die verontrust zijn of een dalende kwaliteit van leven, die zich buitengewoon kwetsbaar voelen voor buitenlandse concurrentie – van de Chinezen, de Amerikanen, de Turken– ja, zelfs van Poolse loodgieters.

Iedereen die in Europa heeft gewoond, weet hoe verrukkelijk het leven in Europa kan zijn. Maar wat het moreel van een volk bepaalt is niet de absolute levensstandaard, maar het ogenblik. Het is prettiger te leven in een arm land dat vooruit gaat – en waar de verwachtingen hooggespannen zijn – dan in een welvarend land dat slechts achteruit kijkt.

Op het ogenblik lijken de Europeanen met meer vrees dan hoop te kijken naar de toekomst. Zoals Anatole Kaletsky in de Londense Times schreef: 'op het Europese vasteland is de werkloosheid sinds 1991 tussen de 8 en 11 procent gebleven en de economische groei is maar één keer in die 14 jaar tot de 3 procent gekomen'.

De West-Europese levensstandaard is eenderde lager dan die in de Verenigde Staten, en glijdt verder weg. De Europese productiviteit per hoofd van de bevolking is geringer dan die in 46 van de 52 Amerikaanse staten en ongeveer gelijkmet die in Arkansas. Er is weinig kans dat er binnen afzienbare tijd een forse economische groei te verwachten is.

Ooit werd vaak gesteld dat de Europese kwaliteit van leven opwoog tegen de geringe economische prestaties, maar die stelling lijkt steeds minder verdedigbaar. Deels omdat de demografische ontwikkelingen handhaving van de huidige condities onmogelijk maken. De Europese bevolking veroudert en krimpt: in 2040 zal de gemiddelde leeftijd 50 zijn. Bijna eenderde van de bevolking zal ouder van 65 zijn. De kosten van de gepensioneerden zullen met eenderde toenemen.

Dat is de context van het Franse nee tegen de Europese Grondwet. Dit is de psychologie van stagnatie die de verwachtingen van de kiezer hebben gevormd. Het was veelal niet de Grondwet zelf die door de kiezers werd verworpen. Peilingen wijzen uit dat de kiezer een breder ongenoegen uitventte. Het grootste aantal neestemmers bevond zich onder de kwetsbaarsten: van arbeiders en het industriële noorden. De nee-campagne verenigde het gevreesde rechts met het gevreesde links.

Beïnvloed door zorgen om de toekomst vond elke factie wel iets om bang voor te zijn. Voor het socialistische links was het de economische liberalisering. Voor delen van rechts was het de Turkse dreiging. Voor populisten

was het de hooghartigheid van de Brusselse elite. Voor anderen was het het vooruitzicht op een Europese superstaat. Veel van deze angsten sloten elkaar uit. Het enige gemeenschappelijke was de angst zelf, het verlangen om vast te houden wat je hebt in een tijd van woelingen en veranderingen op elk gebied.

De kern van het probleem is dat het Europese model instort, omdat miljarden mensen bereid zijn harder te werken dan de Europeanen zelf. Europeanen houden duidelijk van hun manier van leven , maar weten niet goed hoe dat te handhaven. De laatste tientallen jaren hebben Amerikaanse liberalen het Duitse, of het Zweedse, of het Europese model omarmd. Maar deze modellen zijn niet flexibel genoeg voor de moderne wereld. Zij moedigen mensen aan zich vast te klampen aan verworvenheden die hun landen zich niet kunnen veroorloven.

Deze modellen brengen geen zelfbewuste, progressieve verwachtingen, zij produceren juist een reactionare vrees voor de toekomst. Een vrees die bestaat uit linkse en rechtse varianten – een afweermechanisme, een neiging woest uit te halen naar iedereen die voor radicale hervormingen pleit of naar een groep – zoals immigranten – die de eigen levenswijze beïnvloedt.

Het liberale project van het naoorlogse tijdperk heeft een bespottelijk conservatisme teweeggebracht, een angst voor dynamische flexibiliteit, een grotere zorg om te behouden wat men heeft en niet om te vergaren wat ontbreekt.

Dat is een waarheid die ook geldt voor veel zaken aan deze zijde van de oceaan.

Meer over