Europa, hou vast aan je succes

Het is normaal dat je na een explosie een suizende stilte hoort, alsof iets er niet meer is. Geen wonder dan ook dat er na het 'non' van de Fransen en het 'nee' van de Nederlanders in de referenda over de Europese Grondwet een doodse stilte over de Europese Unie...

Bart Dirks en Bert Lanting

Vlak na het dubbele nee hield Luxemburg nog een referendum over de Grondwet. Daar rolde wél een bescheiden ja uit de bus. Er was nog hoop. Een 'nee' in Luxemburg had de Grondwet gedood, zei de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker, een 'ja' zou het verdrag weer wat lucht geven totdat het weer voluit kan ademen.

De Europese Grondwet aan de beademing? Als er nog leven huist in het lijk van Giscard d'Estaings geesteskind, dan houdt het zich wel heel erg stil.

Op de Europese top in juni besloten de regeringsleiders een denkpauze in te lassen, maar het denken gebeurt sindsdien vooral binnenskamers. Het Nederlandse kabinet wilde een brede maatschappelijke discussie, maar die werd ook weer afgeblazen, pijnlijk genoeg in de week dat de Europese Commissie haar 'plan D' presenteerde voor meer Debat, Dialoog en Democratie met de burgers.

Maar na het 'nee' mag het debat over Europa niet eindigen. 'Veel Nederlanders denken tevreden: oké, we hebben nee gestemd en nu is het dus voorbij', klaagt D66-europarlementariër Sophie in 't Veld terecht. 'Ze hebben niet door dat de rest van Europa wacht op een antwoord: wat willen jullie dan? In plaats daarvan heerst er in Nederland een oorverdovende stilte.'

Onderhuids spelen bij het onbehagen dat leidde tot de afwijzing van de Grondwet drie dingen mee. Ze hebben weinig met de inhoud van die Grondwet zelf te maken.

De economische groei vertraagt al enkele jaren en de werkloosheid loopt op. Consumenten, onzeker over de nabije toekomst, houden de hand op de knip. Politici en planbureaus bezweren dat we de ergste dip hebben gehad, maar voor de burgers geldt: eerst zien, dan geloven. Daarbij komen structurele, economische factoren. De baan voor het leven bestaat niet meer, bij elke reorganisatie kan een gebrek aan bij-, om- of herscholing een trouwe werknemer fataal worden; China, India en de VS laten Europa ver achter zich liggen. De 'eurocraten in Brussel' krijgen samen met 'de regering' en 'de werkgevers' de wind van voren. In Nederland, maar ook in Frankrijk, Italië of Duitsland. Probeer onder zo'n gesternte maar eens een referendum tot een goed einde te brengen.

Daar bovenop komt dat de politieke elite niet meer kan uitleggen waarom de Europese Unie eigenlijk zo onmisbaar is. In de jaren vijftig was het verhaal duidelijk: de aartsvijanden Duitsland en Frankrijk besloten, samen met de Benelux en Italië, te gaan samenwerken. Nooit meer oorlog en nooit meer honger was het credo - en die geloofsbelijdenis kwam uit. Maar nu zijn voedsel en vrede in de EU zo vanzelfsprekend dat niemand Brussel daar nog dankbaar voor is.

Met de val van de Berlijnse Muur kwam er vanaf 1989 een tweede Europese droom voor in de plaats: na de koude oorlog konden Oost en West worden herenigd. De voormalige Oostbloklanden deden nauwelijks te overschatten inspanningen om hun wetten, zeden en gewoonten aan de Brusselse mores aan te passen. Opgaan in de vaart der volkeren, luidde het devies, of het nu gaat om mensenrechten of de hygiëne in slachthuizen.

Maar wat is nu de nieuwe inspiratiebron? De Grondwet had, volgens de opstellers, een derde grote golf van Europaliefde moeten oproepen. Maar de term Grondwet leidde haast vanzelf tot de associatie met een superstaat; scepsis en wantrouwen overheersten.

Het leidde tot een vreemde, interne crisis, want het merkwaardige is dat de buitenwereld nauwelijks kan volgen wát er eigenlijk mis is. Terwijl de bestaande leden tobben over de zin en onzin van de Europese integratie, hebben andere landen er alles voor over om door de ballotage te komen. De EU-clubkaart is feller begeerd dan ooit. Ongeduldig wachten de buren hun beurt af; Roemenië en Bulgarije, die zich in 2007 mogen aansluiten, maar ook Bosnië, Oekraïne, Albanië, Servië-Montenegro en Turkije staan te dringen aan het hek.

Dat geldt letterlijk voor economische vluchtelingen. Zij wagen hun leven in de hoop Europa te bereiken; honderden Afrikanen zijn verdronken omdat hun gammele bootjes niet tijdig door de Italiaanse kustwacht werden opgemerkt. Honderden ongelukkige gelukzoekers werden in Marokko terug de woestijn in gestuurd, een wisse dood tegemoet, nadat ze in de Spaanse enclave Ceuta, een van die gedroomde toegangspoorten tot Europa, werden tegengehouden door almaar hogere muren van prikkeldraad.

Zelfs grootmacht China, waarvoor wij Europeanen zo'n panische angst hebben aangezien we worden 'overspoeld' door hun goedkope textiel en omdat onze bedrijven zich er vestigen, zélfs grootmacht China heeft veel meer op met de Europese Unie dan met de Verenigde Staten. 'Op de VS kunnen we niet vertrouwen. Die zien China als hun voornaamste rivaal. Europa heeft een andere visie op internationale verhoudingen, ziet ook het belang van een wereld die niet door één supermacht wordt gedomineerd', zei hoogleraar Lanxin Xiang onlangs in de Volkskrant. 'Daarom is China ook eerder bereid naar Europese kritiek op gevoelige zaken als mensenrechten te luisteren.'

Jaloezie en lof alom, maar zelf zien we het niet meer zitten. Menig politicus doet daar fanatiek aan mee: 'Brussel' krijgt meer dan ooit de schuld van alles wat in eigen land niet te verkopen valt ('Het moet van Europa'); de gezamenlijk bereikte successen worden voor eigen gewin opgeëist. De Nederlander Alexander Italianer, kabinetschef van voorzitter Barroso van de Europese Commissie, omschrijft die frustratie alsvolgt: 'Je kunt niet de meeste dagen van de week Brussel de schuld geven, en dan je burgers op woensdag of zondag vragen toch ja te stemmen.'

Waarom zien wij Europeanen, leden van die felbegeerde club, zelf dat bijzondere van de EU niet meer? Waarom nemen we zo veel verworvenheden voor vanzelfsprekend aan? Moeten we soms, zoals minister Brinkhorst van Economische Zaken voorstelt, eens per jaar een 'Geen Europa Dag' invoeren en een etmaal de interne paspoortcontroles weer invoeren?

Of hebben we dringend een nieuw groot verhaal nodig waardoor de burgers de EU weer in hun harten sluiten?

Ja, vindt menig Europa-believer, want het referendumdebacle wordt ook aangegrepen voor een vlucht naar voren. Volgens de Belgische premier Guy Verhofstadt hebben burgers niet tegen Grondwet hebben gestemd omdat die te ver gaat, maar juist omdat EU te weinig ambitieus is. Volgens hem zitten de burgers te wachten op een Verenigde Staten van Europa, ook al om hoofd te bieden aan de globalisering. Er moet een gezamenlijk buitenlands beleid komen, zo heeft de Irak-crisis volgens de Verhofstadt aangetoond: 'Europa kan een kwantumsprong gebruiken.'

Maar feit is dat de lidstaten hopeloos verdeeld zijn over de toekomst. De goedkope Chinese textiel mag een bedreiging zijn voor de Italiaanse schoenenmakers, het is een kans voor de Nederlandse handelaars. En zou een gemeenschappelijk buitenlands beleid de ruzie over de Irak-oorlog in de kiem hebben gesmoord?

Dus: zitten we dringend verlegen om een nieuw groot Europees project? Nee, integendeel zelfs. Het zou veel burgers opnieuw het gevoel geven dat Europa haastige stappen zet die zij niet kunnen volgen. In de praktijk zou het document niet zo veel hebben veranderd aan de machtsverhoudingen tussen Brussel en de lidstaten. Maar het Nederlandse veto was vooral ingegeven door het onderbuikgevoel dat de burgers te lang nauwelijks iets te zeggen hebben gehad over het Europese project.

Is stilzitten en afwachten dan de juiste strategie? Er is onder de believers van Europa veel kritiek op de Europese Commissie. José Manuel Barroso en zijn team zouden te weinig initiatief nemen, zich te defaitistisch opstellen over de Grondwet. En inderdaad rollen er veel minder wetsvoorstellen van de pers dan ten tijde van de Commissie-Prodi.

Deels is dat omdat Barroso na het dubbele nee bang is op nog meer tenen te gaan staan. Maar ook omdat hij andere taakopvatting heeft over het dagelijkse bestuur van de EU. Minder kan méér zijn. Dit najaar maakte de Commissie een begin met het schrappen van overbodige of onhaalbare wetsvoorstellen. Voorlopig is dat nog vooral symbolisch, maar het is de juiste aanpak. Het bedrijfsleven klaagt immers over de regelneverij uit Brussel.

Dat is een verstandige aanpak, want als Europa op het moment ergens behoefte aan heeft, zijn het concrete stappen om het vertrouwen van de burgers te herstellen en hun onzekerheid over de economische toekomst weg te nemen. Zonder economisch herstel zal het heel moeilijk worden de EU nieuw leven in te blazen.

Jammer genoeg zitten de lidstaten zichzelf op dit punt in de weg. Sinds de referenda is de machtsbalans in Europa flink doorgeslagen naar de lidstaten. Begrijpelijk, want uiteindelijk was de uitslag een waarschuwing aan de politiek in hun euro-enthousiasme niet al te ver voor de troepen uit te lopen. Maar waarom moet dat gepaard gaan met ongebreideld nationaal egoïsme? Het lijkt erop dat elk land nu nog uitsluitend naar zijn eigen directe belangen kijkt, zonder oog te hebben voor de toegevoegde waarde die de EU kan hebben.

Die kortzichtigheid komt vooral tot uiting in de slepende onderhandelingen over de EU-begroting 2007-2013, waarover de regeringsleiders komende week een besluit proberen te nemen. Er is niets verkeerds aan dat landen als Nederland aandringen op zuinigheid en beter gebruik van het geld. Waarom de Brusselse miljarden gebruiken voor steun aan achtergebleven regio's in de rijke landen, als de nieuwe lidstaten dat geld veel meer nodig hebben? Is het wel verstandig om bijna de helft van het budget te blijven pompen in de landbouw, een sector die nu niet bepaald de toekomst voor de Europese economie vormt?

Dát zijn onderwerpen waarover gepraat moet worden. Maar in de begrotingsruzie is het enige dat telt hoe het optelsommetje uitvalt: hoeveel moeten we betalen en hoeveel houden we eraan over?

Het gevolg is dat er nu een budgetvoorstel op tafel ligt dat de poten weghaalt onder Europa's meest succesvolle project: de uitbreiding.

Om nettobetalers als Nederland tevreden te stellen wil EU-voorzitter Groot-Brittannië flink het mes zetten in de fondsen voor de nieuwe lidstaten. Miljarden euro's zouden er minder beschikbaar komen voor landen als Polen, Hongarije en Tsjechië. Daarmee gooit de EU het kind met het badwater weg. Want als de EU íets heeft bewezen, dan wel hoezeer het nieuwe leden tot economische succesnummers kan maken: Spanje, Griekenland, Portugal en vooral Ierland. In luttele jaren na hun aansluiting ging daar niet alleen het bruto nationaal product met sprongen omhoog, maar ook de levensverwachting. Daarvan profiteren ook de 'oude' lidstaten. Nergens is je return on investment zo groot, ook wat veiligheid en stabiliteit betreft.

Als de Europese leiders zichzelf en hun burgers een dienst willen bewijzen, moeten ze niet allerlei grootse nieuwe projecten lanceren. Ze moeten trouw blijven aan de belangrijkste missie van de EU: Europa veiliger en welvarender maken door solidariteit.

Meer over