Europa, een ongekend waagstuk

Het publiek is onvoldoende voorgelicht over de ware achtergronden van de euro, zegt oud-directeur Szász van De Nederlandsche Bank. De euro is een politiek proces, dus moet er nu ook politieke integratie volgen: 'Iets van ordening is in Europa nodig.'..

WIE DENKT dat de euro er komt om economische redenen, heeft het mis. 'Als het alleen aan economen en centrale bankiers was overgelaten, dan was het nooit zover gekomen', stelt André Szász, oud-directeur internationale zaken van De Nederlandsche Bank.

Ruim dertig jaar lang onderhandelde Szász met politici en collega-bankiers over de gemeenschappelijke munt. Op grond van die ervaring schreef hij het boek The road to European Monetary Union (MacMillan Press), waarin hij zich afvraagt waarom de euro er dan toch komt.

Achter de euro ontwaart de 67-jarige Szász, van Hongaarse komaf, bovenal politieke drijfveren. En die zijn het grote publiek onvoldoende uit de doeken gedaan, betoogt hij. Deze gebrekkige communicatie stemt hem zorgelijk.

- Op de Internet-site www.euro.nl legt de overheid de burger uit wat de voordelen van de euro zijn: wisselkoersrisico's worden uitgebannen, de financiële discipline van landen wordt vergroot, de Europese markt wordt doorzichtiger, er komt meer prijsstabiliteit. Dat zijn toch allemaal goede redenen voor de komst van de euro?

'Dat zijn de potentiële voordelen op de lange termijn. Mijn stelling is dat economische argumenten niet doorslaggevend zijn geweest voor de komst van de euro. Zo'n proces begint niet met het op papier zetten van de voordelen, waarna er wordt gezegd: laten we die nu eens verwezenlijken. Het is een politiek proces, waar economische argumenten bij worden gezocht. De economische voordelen zijn onzeker en doen zich alleen op lange termijn voor, terwijl daar op korte termijn hoge kosten tegenover staan. Als het alleen een economische afweging zou zijn geweest, zou de euro er nooit zijn gekomen. Voor mij was het destijds al duidelijk dat er vooral politieke motieven speelden. Alleen was het moeilijk erachter te komen welke dat precies waren. De vraag naar het waarom werd bijna niet gesteld.

- Wat zag u destijds, toen u midden in het proces zat, als het belangrijkste politieke motief?

'Als centrale bankiers waren we, moet ik eerlijk zeggen, tot een zeker cynisme geneigd jegens de politiek. Achteraf moet ik zeggen: dat is een te beperkte kijk op politici van het hoogste niveau gebleken. We hadden een betrekkelijk vaag beeld van de motieven van politici. De indruk die we overhielden, was dat zij de euro aangrepen om de schijn van actie te wekken. Met zo'n plan voor een gezamenlijke munt lijkt het immers alsof er geweldig aan Europa wordt gebouwd, terwijl je de echte problemen, zoals het landbouwbeleid of de begrotingsdiscipline van landen, niet aanpakt. Zo keken wij ernaar. We waren daar te cynisch over. Ik moet toegeven dat mensen als Kohl en Mitterrand wel degelijk wisten waar ze voor de lange termijn mee bezig waren.'

- Wat was dat dan in uw ogen?

'Toen ik mijn boek schreef, kwam ik achter een voor mij verrassend verband, namelijk dat er al vanaf Willy Brandt (Duits bondskanselier van 1969 tot 1975) een verband bestaat tussen de Duitse Ostpolitik en de totstandkoming van de Europese Monetaire Unie (EMU). Dat had ik me destijds nooit zo gerealiseerd.

'Die band zag je heel duidelijk toen de Duitse eenwording serieus begon te spelen en tegelijkertijd de EMU ook in een stroomversnelling kwam. De Duitsers kregen een groot belang bij de EMU omdat de Fransen de totstandkoming daarvan min of meer als voorwaarde stelden voor de eenwording. Bovendien denk ik dat Kohl zich voortdurend heeft gerealiseerd dat hij iets moest doen aan de onevenwichtigheid die in het centrum van Europa zou ontstaan als je daar een kolos zou creëren zonder dat er tegenwicht werd geboden. En de Fransen realiseerden zich dat de Duitse eenwording, waar ze altijd lippendienst aan hadden bewezen, plots echt voor de deur stond. De EMU was voor hen de manier om dat in goede banen te leiden. Ik heb respect voor de fundamentele visie van politici als Kohl en Mitterrand.'

- In uw boek schildert u politici ook af als mensen zonder visie. U haalt premier Lubbers aan die zich midden in het euro-proces afvraagt of politici wel een idee hebben waar ze mee bezig zijn.

'Dat was tijdens een bijeenkomst in de Trêves-zaal. Die opmerking van de premier trof me zeer. Toen ik hem na afloop voorhield aan Koos Andriessen (toenmalig minister van Economische Zaken), gaf die als antwoord: ''Politici hebben geen idee, geen idee!'' Dat illustreert voor mij hoe zo'n proces een eigen leven gaat leiden. Iedereen is bezig met allerlei technische details, maar niemand heeft nog het overzicht. Bij die vergadering, in de aanloop naar Maastricht, werd het zittende kabinet min of meer onverhoeds geconfronteerd met de vraag naar het totaalbeeld. Toen zag men pas in wat er in razendsnel tempo aan zat te komen.

'Ik denk dat zoiets kan gebeuren doordat we de EMU ons lange tijd voorstelden als een wereld zonder zonden, of een wereld met ontwapening en vrede; iets waar ieder net mens natuurlijk naar streeft, maar waarvan je in je hart vermoedt dat je het nooit zult beleven. De menselijke fantasie schiet nu eenmaal tekort om ons een voorstelling te kunnen maken van heel radicale veranderingen. Dat konden we ook al nooit van een wereld zonder IJzeren Gordijn. Hoe kunstmatig dat ook was, we hebben lang gedacht dat dat er altijd zou zijn.'

- Hoe democratisch is de euro totstandgekomen? De parlementen hebben ermee ingestemd, maar je kunt je afvragen of de volkeren dat ook zouden hebben gedaan. Wij hebben ons nooit over het verdwijnen van de gulden kunnen uitspreken.

'De regeringen hebben parlementen in alle fasen van het proces geïnformeerd, zodat er met uitzondering van Engeland nergens een parlement is gaan dwarsliggen. Maar wat inderdaad wel een probleem is geweest, is het contact tussen politiek, regering en parlement, en het grote publiek. Ik heb het idee dat de politieke dimensie van de euro, en dat is naar mijn mening de meest fundamentele kant, niet goed is overgekomen. De neiging van politici was iets te zeggen dat het publiek wel zou begrijpen, zoals: het is zo prettig dat je bij het reizen geen geld meer aan het wisselen verliest. Toen ik over dat argument eens wat denigrerend sprak tegen een Europese functionaris, zei hij: ''Zo leg ik het mijn kinderen ook altijd uit.'' Maar voor het wegnemen van zo'n relatief klein ongemak haal je natuurlijk niet alles overhoop. Ik heb altijd het gevoel gehad dat we op dit punt tekort zijn geschoten.'

Szász schreef zijn boek mede om iets aan die tekortkoming te doen. In het politieke proces dat de euro in zijn ogen blijft, moeten volgens hem nu dringend vier vraagstukken van een antwoord worden voorzien; de mate waarin naast de monetaire ook een politieke integratie moet plaatsvinden; de uitbreiding van het euro-gebied met Oost-Europese landen; de verhouding met de rest van de wereld; en het meest acute probleem: de toetreding van Groot-Brittannië. In dat land grijpen Conservatieven zijn boek aan om te betogen dat de euro een samenzwering van Franse en Duitse politici is, waar Groot-Brittannië zich beter ver van kan houden. De Labour-regering doet daarentegen alsof de euro een zuiver economische aangelegenheid is - en maakt daarmee de fout waarop Szász eerder de continentale politici betrapte.

- Engeland heeft zich altijd al tegen politieke integratie gekant. Zou het voor de rest van Europa niet beter zijn te zeggen: we doen het wel zonder jullie?

'In beginsel is het wel wenselijk dat de Britten er bijkomen, want een interne Europese markt met een wisselkoersrisico is geen volledig interne markt. Maar we moeten niet onze fout uit het verleden herhalen door de Britten te smeken erbij te komen. Dat hebben we gedaan met het EMS (het Europees Monetaire Stelsel; in 1993 moest het Britse pond het EMS weer uit). De Britten moeten niet om tactische redenen meedoen en vervolgens de implicaties proberen te ontlopen, zoals in het verleden wel is gebeurd. Dan hebben we een groot probleem.

- Die implicatie is in uw ogen verdere politieke integratie, wat de Britten tot overdracht van soevereiniteit zou dwingen. Dat is voor hen toch nooit aanvaardbaar?

'We weten dat dat in het verleden zo was, maar de toekomst kennen we niet. De Britse regering moet in ieder geval ophouden met de voorstelling dat het hier een puur economische aangelegenheid betreft. Als men niet bereid is de politieke implicaties te aanvaarden, is het inderdaad beter dat er geen Britse deelname komt.'

- Waarom is die verdere politieke integratie, de verdieping van Europa, eigenlijk nodig?

'Ik ben in dat opzicht een leerling van onze vroegere bankpresident Holtrop, die stelde: ''Geld is een attribuut van soevereiniteit. Je kunt niet het attribuut integreren en de soevereiniteit zelf niet.'' Ik geloof niet in een Europese superstaat. Daar is ook geen steun voor. Maar je zult wel iets moeten hebben dat verder gaat dan wat er nu is. Je hebt sterkere instellingen nodig. Het zal iets tussen een intergouvernementele structuur en een superstaat in moeten zijn. Maar een blauwdruk hoe het met Europa verder moet, heb ik niet.

'De grote vraag voor mij is: kan het op deze manier? Het is een experiment dat op deze schaal en in deze vorm nooit eerder is vertoond. Eén munt, terwijl je naast het supranationale op monetair gebied, de Europese Centrale Bank, eigenlijk alleen maar intergouvernementeel bezig bent. Dat bestaat nergens en kan alleen als iedereen zich heel strikt houdt aan de regels die we in het stabiliteitspact hebben afgesproken. Maar dan moet je die regels wel kunnen afdwingen en sancties opleggen aan landen die zich niet houden aan de gestelde eisen (onder meer over het begrotingstekort, de staatsschuld). Het lijkt me onwaarschijnlijk dat dat gebeurt, want het staat op gespannen voet met het non-interventie-beginsel dat in de Raad van Ministers wordt gehanteerd. Daarom ben ik sceptisch over de houdbaarheid van het stabiliteitspact.'

- Hoeveel vertrouwen heeft u überhaupt nog in Europa?

'Als je de 60 gepasseerd bent, heb je wellicht de neiging de kwaaie kansen breed uit te meten en mogelijkheden af te doen of niet te zien. Ik wil geen zwartkijker zijn. Bij de presentatie van mijn boek omschreef Ben Knapen, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, mij als 'ten diepste een buitengewoon sceptische voorstander' van het Europese proces. Vooral over het supranationale Europa ben ik sceptischer geworden. Maar je hebt naast de EMU toch sterke instellingen nodig. Het zal de rol van Nederland en Duitsland moeten zijn daar op aan te dringen - in de wetenschap dat er toch wel genoeg tegenkrachten zullen zijn. Maar iets van ordening, het woord is beladen, is in Europa nodig.'

- U behoort tot een generatie die met veel idealisme aan Europa begonnen is: weg van de oorlogsellende en met een groot geloof in supranationale oplossingen. De huidige generatie deelt dat idealisme niet en ziet vooral gesjoemel met onkostendeclaraties door Europese politici, een beroerde opkomst bij Europese verkiezingen en gebrekkige democratische controle.

'Als dát de problemen zijn, dan weerspiegelt dat het succes van Europa. Niemand heeft het meer over een Frans-Duitse oorlog over de Elzas, dat is absoluut ondenkbaar geworden. Of over dat stukje land tussen België en Nederland waar na de Eerste Wereldoorlog zo veel over te doen is geweest. De politicus die daarover begint, verdient een prijs voor komisch gedrag. Natuurlijk, men ziet de onkostendeclaraties, maar niemand trekt daaruit de conclusie dat Europa zelf niet deugt. Kun je je een groter succes voorstellen dan dat, als je je nog enigszins bewust bent van hoe het vroeger was?'

Meer over