Euro dendert door dankzij angst voor Amerika

De euro bereikte met 0,96 dollar een piek in twee jaar. Niet op eigen kracht, maar dankzij ontgoocheling in de Verenigde Staten....

Ongevraagd liet Horst Köhler zich lovend uit over de euro tijdens zijn bezoek aan Den Haag deze week. 'De euro is een goed project', wilde de Duitse topman van het Internationaal Monetair Fonds graag genoteerd zien.

Lange tijd moest het symbool van Europese eenheid het van zulke verbale steun hebben. Maar deze week was dat overbodig. Want, peptalk van Köhler of niet, de euro dendert door. Angst en wantrouwen in de Amerikaanse economie gaven de euro vleugels.

Voor het eerst sinds juni 2000 doorbrak de munt donderdag de grens van 0,96 dollar. Ontgoocheld door het uitblijven van het verhoopte herstel van de Amerikaanse economie dumpten beleggers dollars en Amerikaanse aandelen, en vluchtten naar Europa.

Extra voeding gaf het nieuws dat het handelstekort van de VS in april op het record van 35,9 miljard dollar is beland. De angst stijgt dat 's werelds grootste economie de groeiende kloof tussen im- en exporten niet langer kan financieren. Amerika leeft op de pof. Buitenlanders betalen via de obligatiemarkten de hebbelijkheid van Amerikanen om meer te kopen in het buitenland dan zij zelf kunnen verkopen. 'Het risico bestaat dat de financiële gemeenschap denkt dat de VS zich dit niet langer kunnen veroorloven. Dat zou grote repercussies hebben', zo waarschuwde topeconoom Joseph Stiglitz, voormalig adviseur van president Clinton en oud-vice-president van de Wereldbank, in april al in de Volkskrant.

Stiglitz' zorgen zijn overgeslagen op beleggers. 'De wereld is zijn vertrouwen kwijt', zegt Robert Millns, hoofd valutahandel bij de Duitse bank HVB Americas, 'in de dollar, in Amerika.'

Dus won de euro. Deze week werd de munt twee dollarcent meer waard. Een record in zijn korte en goeddeels treurige historie. En een opsteker voor de Europese Centrale Bank, die met peptalk en drieste steunaankopen (dumpen van dollars, inslaan van euro's) tevergeefs een einde trachtte te maken aan de vrije val waarin de munt kort na zijn geboorte op 1 januari 1999 raakte.

Of die val nu gestopt is, is niet te zeggen. In historisch perspectief is de munt nog steeds niet meer dan een schaduw van zijn beginwaarde - gesteld op circa 1,16 dollar, een peil dat sinds januari 1999 nimmer meer is gehaald. Dat het slechten van de 0,95 dollargrens als een spectaculaire opmars wordt gevierd, vertelt dan ook meer over de lage verwachtingen van eurowatchers, dan over de intrinsieke kracht van de valuta.

Lange tijd lustten de valutamarkten de eenheidsmunt niet, en ook nu blijft het vertrouwen op zijn best wankel. Vooral de capriolen van Duitsland en Frankrijk, de ankers van de eurozone, om een berisping te ontlopen over hun begrotingsbeleid - dat wringt met afspraken om de euro stabiel te houden - doen de munt geen goed. Donderdagavond trachtte Frankrijk nog respijt te krijgen van de collega-lidstaten om zijn begroting op orde te krijgen. Dit soort politieke een-tweetjes heeft het vertrouwen in de armslag van de ECB, formeel de hoeder van de euro, ondermijnd.

Opmerkelijk genoeg wisten de Europese beurzen niet te profiteren van de sensatie op de valutamarkten. Vrijwel alle Europese beurzen doken in het rood. 'Kennelijk heerst er een fundamenteel gebrek aan vertrouwen in de winstgevendheid van Europese ondernemingen', stelt Gerd Häusler, hoofd IMF-afdeling Internationale Kapitaalmarkten.

De euro lijkt daarom slechts een tijdelijke vluchtheuvel.

Meer over