EU laat armste landen stikken

Het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie ligt terecht onder vuur. Het hangt, zo stelt Bob van den Bos, van de tegenstrijdigheden aan elkaar....

HET Europese ontwikkelingsbeleid ligt zwaar onder vuur, zoals blijkt uit de Volkskrant van 10 februari. Van de Nederlandse regering, de non-gouvernementele organisaties tot en met Europese Commissie-ambtenaren is kritiek te horen op het gebrek aan samenhang en de ondoelmatigheid van de hulp. Wordt de tien miljard belastinggeld inderdaad zo slecht besteed?

Naast het derde-wereldbeleid van de nationale regeringen onderhoudt ook de EU intensieve relaties met een groot aantal ontwikkelingslanden. Dit beleid steunt op de uitdrukkelijke wens van deze landen zelf. Bovendien kan zo worden voorkomen dat de EU een in zichzelf gekeerde en eenzijdig op eigen belangen gefixeerde organisatie wordt.

Armoedebestrijding in de wereld is daarom terecht één van officiële beleidsdoelstellingen. Deze moet uitdrukkelijk concurreren met andere prioriteiten, zoals bevordering van de eigen landbouw, handel en industrie. Helaas leggen in de praktijk de behoeften van de armste landen het vaak af tegen het economische en politieke eigenbelang van de lidstaten.

Zo subsidieert de EU de export van landbouw op de wereldmarkt, waardoor producten uit ontwikkelingslanden een ernstig concurrentienadeel ondervinden. In dezelfde staten waar miljoenen uitgegeven worden aan hulp om de lokale productie van zuivel of fruit van de grond te krijgen, verkopen de Europeanen hun melkpoeder of conserven onder de kostprijs.

Als er heisa ontstaat, zoals bijvoorbeeld over zwaar gesubsidieerd Europees rundvlees in West-Afrika, verplaatst de Europese producent zijn dumpingsactiviteiten, in dit geval naar Zuid-Afrika. Tevens handhaaft de EU hoge importtarieven voor veel derde-wereldlanden, waardoor de toegang tot een grote, rijke markt wordt belemmerd.

In het algemeen staat het Europese ontwikkelingsbeleid vooral ten dienste van de belangen van de grote lidstaten. De meest verregaande samenwerking vindt niet voor niets plaats met 71 voornamelijk ex-Franse en ex-Britse koloniën, op basis van het onlangs herziene Lomé-akkoord. Niet het armoedecriterium is daarbij altijd doorslaggevend, maar de bindingen met het ex-moederland.

Ook is er de afgelopen jaren sprake van een relatieve vermindering van steun van de Gemeenschap aan de minst ontwikkelde landen. Dit komt niet alleen door toename van de hulp aan Oost-Europa, maar vooral ook aan landen rond de aan Middenlandse Zee en in Zuid-Amerika. Onder politieke druk van Frankrijk en andere Zuid-Europese staten worden vele miljarden voor deze midden-inkomens-regio's uitgetrokken. In de praktijk wordt een groot deel van dit geld helemaal niet besteed, omdat Commissie en betrokken landen niet in staat blijken tijdig zinvolle projecten te realiseren.

Al deze tegenstrijdigheden in het beleid worden weerspiegeld in de bizarre organisatiestructuur van de Commissie. Verantwoordelijk voor het ontwikkelingsbeleid en de humanitaire hulpverlening is Commissaris Nielson. De uitvoeringsdienst van deze sector valt echter onder zijn collega Patten die ook Oost-Europa en het Middenlandse Zee-gebied in zijn portefeuille heeft en alle buitenlandse betrekkingen mag coördineren. De handelsaspecten van de ontwikkelingsrelaties vallen weer onder Commissaris Lamy.

De sterkste positie is evenwel traditioneel weggelegd voor de Landbouwcommissaris, omdat deze zich gesteund weet door een ongeëvenaard invloedrijke Europese sectorlobby, met zware vertegenwoordiging in nationale regeringen en het Europees Parlement. De portefeuilleverdeling in de Commissie is een garantie voor conflicten over competenties, doelstellingen en prioriteiten.

Bijkomend gevolg is een gebrekkige controle op en evaluatie van de projecten. Voeg daar dan nog een onderbezetting van de ondersteunende staf bij en het droevige beeld is compleet.

De hier geschetste problemen zijn ernstig, maar niet onoplosbaar. Bovenal is het van belang dat het oplossen van het armoedevraagstuk de prioriteit krijgt die het verdient. Het is niet vol te houden dat onze nog steeds groeiende welvaart de noodzakelijke concessies op het gebied van landbouw, handel en industriepolitiek niet zou kunnen verdragen. Aldus kan een meer coherent beleid ontstaan, gericht op het uitroeien van armoede en het bevorderen van economische zelfstandigheid.

Bij de toekenning van middelen moeten de allerarmste bevolkingsgroepen de absolute voorrang krijgen. Selectie op basis van vriendjespolitiek van grote lidstaten is niet te rijmen met consequente armoedebestrijding. Onderwijs, gezondheidszorg en bevolkingspolitiek verdienen de meeste aandacht. Aangezien de meeste ontwikkelingslanden slecht worden bestuurd, dient de opbouw van een goed functionerend overheidsapparaat ten grondslag te liggen aan elke ontwikkelingsstrategie.

De nieuwe politieke mode om hulp te beperken tot landen met een goed bestuur is onzinnig. Landen waar dit ontbreekt moeten juist geholpen worden. Instabiele staten vormen immers een voedingsbodem voor gewapende conflicten en frustreren elke ontwikkelingsinspanning. Voor wat hoort wat: Europa moet niet schromen ondersteuning bij staatsopbouw gepaard te laten gaan met stevige eisen ten aanzien van machts- en inkomensverdeling, financiële huishouding en gezond economisch beleid. Waarom zou Europa geen harde voorwaarden kunnen stellen en IMF en Wereldbank wel?

De hervorming van het beleid zal zijn weerslag moeten krijgen in de organisatie van de Commissie. Eén commissaris moet alle ontwikkelingsaspecten van het beleid gaan coördineren en de coherentie bewaken. Zolang andere leden van de Commissie zich hier niet in schikken blijft het modderen. Essentieel is dat de nationale regeringen eenduidig kiezen voor de herziening. Gezien onze reputatie op dit terrein zou Nederland hierbij een hoofdrol kunnen spelen. De hoge inzet is het waard: verbetering van het lot van miljoenen gekoppeld aan de geloofwaardigheid van de Europese Unie.

Meer over