Esthetisch geprikkeld tijdens de vergadering

Aan de oevers van de Rijn in zuid-Duitsland, ingeklemd tussen rangeerterreinen, duiken plotseling werken op van architecten als de Brit Nicholas Grimshaw, de Amerikaan Frank O'Gehry en de Japanner Tadao Ando....

JAAP HUISMAN

HET PAD naar de Vitra-fabriek in zuid-Duitsland is hier en daar donkerrood gekleurd van geplette kersen. Dat, om te beginnen, is al strijdig met het traditionele beeld van een fabriek. Op het Zuidduitse fabrieksterrein wemelt het van dergelijke ongerijmdheden.

Aanvankelijk slingert het pad willekeurig door het gras, om vervolgens achter een betonnen muur te verdwijnen, waar we gedwongen worden in ganzepas achter elkaar te lopen. Het heeft iets weg van een initiatie-rite. We komen bij een glazen deur, meer een spleet, want zij is net zo smal als het pad. Daarachter is het stil en donker. Even later dringt door hoge vensters het beeld van een kersenboomgaard een kloosterachtig paviljoen binnen. Nergens, maar dan ook nergens, vangen we een glimp op van de fabriek. Alsof die niet bestaat.

Het conferentiegebouw dat we via het smalle pad bereikt hebben, duikt na de ingang de grond in. Een betonnen krater in de kersenboomgaard, bedoeld om zoveel mogelijk bomen te sparen en voldoende daglicht op te vangen voor de vergaderzaaltjes rondom.

Op foto's - de Vitra-fabriek is onbetwist het meest gefotografeerde project in de regio - mis je de geur van de zoete, overrijpe kersen, maar eveneens de context van de gebouwen. Je ziet niet dat de introverte architectuur - van de Japanner Tadao Ando - zich op luttele meters bevindt van de joyeuze, gestileerde 'puinhoop' van de Amerikaan Frank O'Gehry. En dat O'Gehry die 'puinhoop' heeft mogen herhalen, een paar kilometer verderop in Birsfelden, tegenover een rijtje nieuwerwetse Zwitserse chalets. Achter O'Gehry's bonte architectuur raast de alledaagse nuchterheid van de autobahn.

Ando? O'Gehry? Op een steenworp afstand van Basel? Nooit hadden deze architecten in Europa gebouwd, totdat een eigenzinnige ondernemer, Rolf Fehlbaum, besloot van de nood een deugd te maken. Fehlbaum erfde van zijn vader een Ladenbau-fabriek (winkelinrichting) die in 1981 afbrandde, vermoedelijk door blikseminslag. Inderdaad, zegt Fehlbaum nu, het was een soort geschenk uit de hemel. Die brand maakte de weg vrij om Vitra een andere kant uit te sturen. Ladenbau werd ondergebracht in een aparte divisie, Vitrashop. Vitra zelf ging zich toeleggen op stoelen. Bureaustoelen, als logisch vervolg op de meubels van Charles Eames en George Nelson die Vitra al in licensie produceerde.

Fehlbaum had de tijd mee. Na 1984 trok de markt voor bureaustoelen aan. Vitra werd top-producent van Duitsland. De nieuwe Bondsdag, het Europees Parlement, en recentelijk de kantoren voor de Kanaaltunnel: in uiteenlopende maar zeer in het oog lopende zalen verschenen de bureaustoelen van Vitra. Onbetwiste topper was de soepel verende Figura van de Italiaanse ontwerper Mario Bellini. Fehlbaum gaf de naamsbekendheid van Vitra een impuls. Niet alleen bedacht hij een listige campagne - hij liet beroemdheden fotograferen op stoelen van zijn bedrijf -, hij koppelde ook het Vitra-design aan architectuur.

'Natuurlijk had ik daarbij kunnen terugvallen op twee beroemde architecten uit Basel, zoals Herzog & Meudon, maar ik vond dat bij een internationaal bedrijf internationale namen hoorden.' En zo doken aan de oevers van de Rijn achtereenvolgens op: Nicholas Grimshaw uit Engeland, Frank O'Gehry uit Amerika, Zaha Hadid uit Engeland, Tadao Ando uit Japan en Alvaro Siza uit Portugal. Weil am Rhein, een onbeduidend stadje ingeklemd tussen rangeerterreinen en beboste heuvels, is tot Fehlbaums eigen verbazing uitgegroeid tot een 'architectuurmekka'. Vitra heeft inmiddels zes mensen in dienst voor rondleidingen en de verzorging van publikaties. En het Vitra Design Museum trekt zoveel bezoekers, dat het over een jaar of twee zonder sponsoring van de fabriek op eigen benen kan staan.

Waarom doet een ondernemer zoiets? Fehlbaum: 'Ik vind dat een onderneming zichzelf de opgave moet stellen te reflecteren op deze tijd en op de wereld waarin we leven. Als ik defensief zou moeten optreden, zou ondernemen vervelend en oninteressant zijn. Saaie architectuur is er al genoeg. Ik verkies de levendigheid. En die is bij uitstek verbonden aan de architectuur van vandaag.' In verschillende publikaties over Fehlbaum komt ook een ander motief naar voren: de naam Vitra moest in een razendsnel tempo 'op de kaart geplaatst worden'. En dat lukte dank zij het huwelijk van commercie en cultuur.

In zijn studententijd was er geen enkele aanwijzing dat Fehlbaum in de voetsporen van zijn vader zou treden. Integendeel zelfs. Hij was actief in de alternatieve studentenbeweging, gaf blijk van een 'anti-kapitalistische' houding, woonde in een commune, en promoveerde nota bene op de revolutionaire utopieën van Saint Simon en de Saint-Simonisten, een vroeg socialistische stroming uit de negentiende eeuw. Het Saint-Simonisme speelt op de achtergrond nog een rol bij zijn bedrijfsvoering, zegt hij na enig denken. 'Niet in de zin dat je voor de arbeiders op zondag culturele activiteiten moet bieden, maar eerder in een groter verband, dat de alledaagse cultuur hen omringt. Daarom hebben we ook het museum opgezet, dat niet geheel toevallig naast de poort staat.' Fehlbaum gelooft niet dat de esthetische omgeving direct effect heeft op de produktiviteit. 'Ik heb geen cijfers voorhanden, het is niet onderzocht. Maar ik ben er stellig van overtuigd dat de omgeving belangrijk is en dat een deel van het personeel trots is op zijn fabriek. Als dat niet klopt, moet ik ophouden.'

Het verbaast hem dat niet meer ondernemers kiezen voor een aansprekende architectuur. 'Je moet toch bouwen, dus waarom dan niet op een persoonlijke manier? Toen ik in de onderneming stapte - ik had op dat moment geen beter alternatief - had ik alleen de bedrijfsgebouwen van Olivetti als voorbeeld. En ik wist dat de Cummins Engine Company in Columbus, Indiana, veel vooraanstaande architecten naar de stad had gehaald. Ik ben er niet geweest, maar de architectuur heeft voor Columbus gewerkt als promotiemiddel.'

Voor het fabrieksterrein in Weil voer Fehlbaum op eigen kompas. 'Het is deels toeval, deels kennis. Architectuur heb ik altijd gevolgd. O'Gehry leerde ik kennen dank zij Claes Oldenburg die een sculptuur voor de fabriek maakte. Ook het contact met Grimshaw ontstond bij toeval, hoewel ik wel wist dat hij ervaring had met fabrieksbouw.'

Vitra is nu af. Althans, er liggen geen nieuwe opdrachten in de la. Naast de collectie stoelen is er een collectie architectuur. Al neemt Fehlbaum deze term liever niet in de mond. 'Het is geen collectie, het is een compositie', zegt hij. 'Ik streef naar cohesie door verscheidenheid. Ik vond dat tegenover de jubelende architectuur van O'Gehry iets rustigs moest staan en kwam daarom uit op Ando. Pluralisme en liberalisme waren mijn uitgangspunten. Dan kan er uiteindelijk een plaats ontstaan die niet inwisselbaar is. Ik houd van ogenschijnlijk niet geplande steden of terreinen, waarin je naast agressiviteit rust vindt, en naast expressiviteit terughoudendheid.'

De architectuur sluit in dat opzicht aan bij de produkten van Vitra, die ook uitersten met elkaar verenigen: de functionalistische ontwerpers Mario Bellini en Antonio Citterio met de meer romantische als Borek Sipek of de brute als Ron Arad. 'Dat doorgestileerde, daar geef ik niet om. In de tegenstellingen schuilt de grootste stimulans.'

Het museum van O'Gehry zet de toon met zijn rare uitstulpingen en het zinken dak dat buitelt en buigt. Een constructief huzarenstukje is de kubusvormige luifel die ogenschijnlijk gewichtloos boven de ingang hangt. O'Gehry is ook verantwoordelijk voor de centrale fabriekshal erachter, waar zijn uitbundigheid beperkt is gebleven tot twee hoeken: opnieuw een sculpturale compositie van zink en wit stucwerk. Het was O'Gehry's eerste gebouw op Europese bodem. Voor de Iraakse prinses Zaha Hadid betekende de opdracht zelfs haar debuut. Ze ontwierp een brandweerloods die als een lemmet door het fabrieksterrein snijdt, scherp en spits. Hadid haalde haar inspiratie uit het gebergte.

De allernieuwste Vitra-gebouwen zijn een baksteenrode fabriekshal van Alvaro Siza - die met een ritmisch patroon van poorten oogt als een Romeins paleis -, en het hoofdkantoor van O'Gehry, dat niet in Weil, maar op Zwitserse bodem staat, in Birsfelden bij Basel. Het golvende zinken dak dat O'Gehry voor dit gebouw ontwierp, lijkt nog uitbundiger dan dat van het Vitra-museum, wat nog wordt versterkt door kleurige buitenmuren. De villa steekt in al zijn Schwung af bij de showroom en kantoren die streng van vorm en wit van kleur zijn. Een atrium met diagonaal lopende bruggen smeedt de vleugels aaneen. Het interieur van de villa vertoont een tamelijk helder patroon van amorf gevormde vergaderzaaltjes met soms hellende of wijkende muren en steevast een lichtsculptuur aan het plafond. Nu eens betreden we een mosterdgele dan een felrode ruimte. O'Gehry wilde dat de architectuur opwinding teweeg zou brengen, zegt mijn gids, in positieve danwel negatieve zin, om geprikkeld aan een vergadering te beginnen.

Na zoveel spanning is het een weldaad om een paar kilometer verderop terecht te komen in de serene rust van Ando. Gladgestreken beton, een houten vloer en glas. Tussen die overrompelende eenvoud zegt Fehlbaum: 'Ik schep geen fiction-world, en ik wil evenmin terugblikken. Ik heb juist mensen gezocht die met deze tijd in verbinding staan. Tijdgenoten. En als deze tijd gefragmenteerd is, brengt de architectuur dát tot uitdrukking.'

Meer over