Estafetteploeg kan oude tijden doen herleven

'Vlak voor de finale zei ik tegen mijn teamgenoten, we proberen twee of drie te worden. Amerika laten we schieten....

Een tekst van Troy Douglas uitgesproken in augustus 2004 in Athene, vlak voor de finale van de 4x100 meter? Mocht het ooit zover komen - na 56 jaar weer eens een Nederlands mannenteam in de sprintfinale van een olympisch toernooi - dan zou Douglas deze oppeppende woorden inderdaad kunnen uitschreeuwen richting teamgenoten als Patrick van Balkom, Caimin Douglas, Virgil Spier of Martijn Ungerer.

Maar zover is het nog lang niet. Vandaag, tijdens de wedstrijd om de Gouden Spike in Leiden, moet het net opnieuw opgerichte Nederlandse estafetteteam eerst nog maar eens de limiet voor de komende EK in München (39,40) zien te slechten.

De kans is overigens niet erg groot dat het vandaag al lukt, Van Balkom is geblesseerd, ook Ungerer voelt zich niet lekker. Later deze maand, tijdens de Europa Cup in Sevilla, volgen nieuwe kansen.

Een olympische finale met een opbeurende rol voor veertiger Douglas lijkt nog ver weg voor dit stel, toch werd bovenstaande tekst 78 jaar geleden al eens uitgesproken. In 1924, tijdens de Olympische Spelen van Parijs, veroverde een Nederlands kwartet brons op de 4X100, de eerste olympische medaille voor de Nederlandse atletiek. Rinus van den Berge sprak de historische woorden vlak voor de finale in het Stade de Colombes.

Jaap Boot, Van den Berge, Jan Cornelis de Vries en Harry Broos - individueel waren het sprinters die nauwelijks verder kwamen dan de series, als estafette-team waren de atleten goed op elkaar ingespeeld. Zo goed, dat ze in de halve finale het Britse wereldrecord (42 seconden rond) evenaarden.

Twintig minuten later, tijdens de finale, waren ze dat record weer kwijt. De VS won in 41 seconden, Nederland werd derde in 41,8. Het Britse team, met daarin 100 meter-kampioen Harold Abrahams, later beroemd geworden door de film Chariots of Fire, veroverde de zilveren medaille.

Aan de basis van het Nederlandse succes stond indertijd een buitenlandse trainer, de Zweed Ernie Hjertberg, die eerder op Amerikaanse universiteiten had gewerkt. Zijn `indoor-en buitentrainingen in de winter waren een novum', zo valt te lezen in 130 jaar atletiek in Nederland. `Hij bracht de atleten ook de warming-up bij.'

Er bestaat een fotootje van de mannen, nadat ze in het Stade de Colombes hun wereldrecord hadden gelopen. Witte shirts, met daarop een leeuwtje geprikt. De broeken staan op afzakken. Vlak na het nemen van het kiekje volgde de finale, onder het uitroepen van hun gebruikelijke yell maakte ze zich op voor de strijd: `Heja, heja, litsjumeaux, kwatta, kwatta!'

Bij dit eenmalig succes bleef het niet. Nadien waren tijdens de Spelen steeds Nederlandse estafetteploegen (zowel vrouwen als mannen) actief, met wisselend succes. Tijdens de Spelen van 1936 liet Tinus Osendarp als laatste loper in de finale het stokje vallen, anders was het vaderlands kwartet zeker derde, en wellicht tweede, geworden. In 1948 werden de Nederlandse mannen, toen zonder de voor oorlogsmisdaden gestrafte Osendarp, zesde.

Bij het eerste EK, in 1934 in Turijn, waren Chris Berger, Bob Jansen, Tjeerd Boersma plus Osendarp succesvoller geweest, met een derde plaats. Goud was er voor de mannen nooit, dat was slechts weggelegd voor het vrouwenteam, met uiteraard een prominente rol voor Fanny Blankers-Koen (goud tijdens de Spelen van Londen, goud op het EK van 1946, zilver in 1950). Daarna ging het minder goed, al was er in 1968 in Mexico nog een sterke vierde plaats voor het Nederlandse vrouwenkwartet.

Het goedgemutste stel dat vorige vorige maand de pers te woord in het Olympisch Stadion, wil het stokje weer oppakken. Bondscoach Wigert Thunnissen is ervan overtuigd dat je met een tijd net onder de 39 seconden (het Nederlands record staat op 39,29) bij een EK al op het podium kan geraken. `Tel de individuele tijdens bij elkaar op en met goede wissels is dat met deze jongens zeker haalbaar.'

Sprinters blijven individueel opererende lieden, maar tijdens de gezamenlijke trainingen die tot nu toe werden gehouden, gaat het er fanatiek aan toe. Grote aanjager is steeds Troy Douglas, 39 jaar oud, maar volgens de testen van de immer optimistische coach Kraaijenhof, huizend in het lichaam van een veel jongere god.

Gemotiveerd door de komst van zijn naamgenoot Caimin (geen familie en pas vanaf oktober startgerechtigd voor Nederland), heeft de extraverte Troy Douglas al voorzichtigjes aangekondigd misschien door te gaan tot aan 2004.

Mocht dat zo zijn, dan doet hij er goed aan de historische woorden van de in 1972 in Rotterdam overleden Rinus van den Berge uit zijn hoofd te leren. Je hoort het hem al roepen in die hete Atheense callroom: Hey boys, Amerika laten we schieten, we proberen twee of drie te worden!'

Meer over