Essers Rembrandtpenning, lekker om vast te houden

Wanneer de 'penningziekte' als een Spaanse griep de kop op stak, was het weer 'friemelen' geblazen. Dan pakte Piet Esser zijn sigarenblikjes, nam daaruit het kartonnetje met was ter hand en begon het gefrunnik aan de portretjes....

Van onze verslaggeefster

Truus Ruiter

LEIDEN

Altijd had hij een paar doosje met boetseerwas op zak. Het maken van portretpenningen was voor de beeldhouwer een ontspannende bezigheid. 'Het is nooit een kwestie van noeste arbeid, na tien minuten of zo - ik kijk niet op mijn horloge - neem ik dus een ander doosje, zo kan je in een avond een aantal verschillende penningen even goed aangepakt hebben: dat wil zeggen: de was duwen, vegen en kerven.' Aldus Esser (1914) in een lang interview in het boek Piet Esser. Beeldhouwer en Medailleur, dat het Rijksmuseum Het Koninklijk Penningkabinet deed verschijnen bij de gelijknamige tentoonstelling.

Essers gewoonte om in verloren momenten, te pas en te onpas, met penningen bezig te zijn, heeft verstrekkende gevolgen gehad. Het is de reden dat Ameland misschien wel de bakermat van de moderne Nederlandse penningkunst kan worden genoemd. Dat zit zo: als docent van de Rijksacademie in Amsterdam nam Piet Esser elk jaar zijn beeldhouwklas mee naar Ameland. Daar werden de boetseerbokken midden in een weiland gezet om naar levend model (paarden, koeien, geiten) te kunnen werken. Wanneer het regende en koud was, zochten de jonge beeldhouwers een plekje rond de kachel en zetten ze zich aan het maken van portretpenningen, in navolging van hun leermeester.

Tijdens het eten zat Esser graag aan het hoofd van de tafel zodat hij zijn leerlingen en profil kon zien. Hij prentte hun gezicht in zijn hoofd - zelden vroeg hij iemand om te poseren - om er later een schetsje in was van te maken. Hij maakte er tientallen. Soms liet hij er 'een kapje over gooien': dan maakte de gipsgieter een gipsen afdruk, zodat er ter zijner tijd een afgietsel in brons gemaakt kon worden, maar veel bleef onafgewerkt op een plank liggen.

Toen Esser enkele jaren geleden na een steenmarterplaag de zolder van zijn huis in Frankrijk opruimde - in '85 was Esser met zijn vrouw, de schilderes Dora Wellensiek, naar de Dordogne verhuisd - vond hij twee kartonnen dozen vol verroeste sigarenblikjes met penningontwerpjes, het waren vooral veel 'Amelandportretjes'. Hij liet er alsnog een aantal in brons gieten.

Eeuwenlang, sinds het einde van de zestiende eeuw, werden penningen geslagen. Negatieve stempels, door de kunstenaar gesneden, werden met grote kracht in een metalen schijf geperst. Dankzij de reduceermachine, die een model op groot formaat kon overzetten op een metalen schijf van enkele centimeters, groeide eind vorige eeuw de belangstelling van beeldhouwers voor deze platte, plastische kunst.

Rond de eeuwwisseling raakte de penning bovendien haar formele keurslijf kwijt en werd de vrije penning geïntroduceerd, die langzamerhand de status van autonoom kunstwerk kreeg. Voor het eerst werden er eigentijdse tafereeltjes voor gemaakt. Het zou nog tot de jaren vijftig duren voordat in Nederland de eerste penning met een abstracte compositie verscheen.

Op de Rijksacademie werd onder professor Jan Bronner, in de periode 1917-'47, geen les in het penningmaken gegeven, wel kreeg men afgietsels van Middeleeuwse zegels en penningen uit de Italiaanse Renaissance onder ogen als studieobject. Piet Esser, die Bronner in '47 als hoogleraar aan de Rijksacademie zou opvolgen, maakte zijn eerste penningen tijdens de oorlogsjaren: bij het 35-jarig huwelijksjubileum van zijn ouders in '42 en de geboorte van zijn eerste kind, twee jaar later.

De portretpenning die hij in 1952 in opdracht maakte ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Bronner was Essers eerste succes. Die penning paste nog in de Renaissancetraditie, maar daarna zou Esser zijn eigen vorm zoeken. Hij begon te experimenteren met het reliëf en het fond (de achtergrond), en toen hij van het ministerie van OK & W in 1955 de opdracht kreeg voor een Rembrandtpenning raakte hij ècht in de ban van de penningkunst. Hij maakte dat jaar tientallen ontwerpen en zou, ook nadat de penning was uitgegeven, tot in de jaren negentig doorgaan met nieuwe varianten, honderden in totaal.

Esser deed met zijn Rembrandtpenning iets dat niet eerder was gedaan: hij diepte het fond uit om meer hoogte op de uitstekende delen te verkrijgen. Hierdoor ontstonden spannende licht- en schaduwpartijen in het portret.

Hij loste ook het probleem van de rand op, die de neiging heeft de afbeelding op te sluiten in een kader. De kop van Rembrandt houdt niet op bij de rand, maar lijkt daar overheen te reiken. Zo ontstaat een golvende rand, die de penning heel plastisch maakt: het wordt een lekker ding om vast te houden. Op de tentoonstelling in Het Penningkabinet, die een hele serie Rembrandtvarianten toont, ligt zo'n 'Rembrandt' voor het grijpen. Aan een kettinkje, maar toch.

Penningen maken is voor Esser een vorm van tekenen, een snelle en trefzekere schets in was. Een welkome afwisseling op zijn grotere werk, dat hem vaak jarenlang in beslag nam. Esser is de man van het gigantische Troelstramonument in het Westbroekpark in Scheveningen, van het Stormrampmonument bij Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, de Schaatsenrijder in het Cammingaplantsoen in Utrecht en natuurlijk het Brederomonument op de Nieuwmarkt in Amsterdam, dat de 'Spaanse Brabander' laat zien die bedelt om een kus bij het hoertje Trijn Jans.

Esser is ook een begenadigd portrettist. Er zijn mooie bronzen koppen van zijn hand van kunstenaar Wessel Couzijn, actrice Else Mauhs, architect Jan Buys, acteur Albert van Dalsum en Jan Bronner.

De kop van collega-beeldhouwer Fred Carasso werd een meerjarenplan, waar alleen een gipsen model van bestaat - niet geschikt bevonden voor het gieten in brons. Ook het borstbeeld van componist Rossini, waar hij sinds 1985 aan werkt, kent alleen een voorlopige versie in was.

In 1979 nam Piet Esser afscheid van de Rijksacademie, waar hij eind jaren zestig te maken kreeg met de opstandige Bond van Beeldende Kunstenaars (BBK), die in '68 in navolging van studenten in Parijs acties voerde bij de opening van het nieuwe studiejaar. De academie werd als 'reactionair' betiteld, tradities moesten overboord.

De BBK eiste inspraak, nam zelfs het gezag over en benoemde een nieuwe 'directeur'. Temidden van het strijdgewoel moet Piet Esser de historische woorden hebben gesproken: 'Als iemand denkt het beter te kunnen, krijgt hij een half jaar de tijd en mijn salaris om dat te bewijzen.' Het werd uiteindelijk een maand, maar de 24-jarige beeldhouwer i.o. Jan Jacobs zou inderdaad even in Essers schoenen staan.

Of het een succes was, vermelden de annalen niet.

Piet Esser. Beeldhouwer en Medailleur. In: Rijksmuseum Het Koninklijk Penningkabinet, Leiden. Catalogus ¿ 59,50.

Meer over