Erken betekenis beroepsonderwijs te de motor Nnaar de

Het beroepsonderwijs neemt ten onrechte een lagere positie in dan het algemeen vormend onderwijs. Laat het beroepsonderwijs zijn missie, het overbrengen van dieptekennis, trouw blijven en niet toegeven aan de druk het praktijkelement te versterken, zegt Arie van der Zwan....

Arie van der Zwan

Het beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs daarin voorop, voelt zich miskend. Dat is niet alleen in Nederland het geval, in de hele Europese Unie (EU) is dat zo.

In een niet zo lang geleden verschenen EU-rapport (Promoting the Attractiveness of Vocational Education) wordt uit de deelstudies per land de conclusie getrokken dat het beroepsonderwijs hunkert naar erkenning ('parity of esteem'). Ondanks het feit dat het formeel wel gelijkgesteld is binnen het onderwijsbouwwerk, neemt het in de feitelijke maatschappelijke hiërarchie – die zich in het onderwijs weerspiegelt – een positie in die ondergeschikt is aan het algemeen vormend onderwijs: de beste leerlingen mijden het beroepsonderwijs, ze kiezen na het algemeen vormend onderwijs voor een universitaire studie. Op de arbeidsmarkt wordt een voltooide universitaire studie ook hoger aangeslagen dan een voltooide hogere beroepsopleiding .

Wie naar de ontwikkeling kijkt die het onderwijs de afgelopen decennia heeft doorgemaakt, waarin de opmars van het beroepsonderwijs niet te miskennen valt, is geneigd het beroepsonderwijs bij te vallen in zijn verlangen naar erkenning .

Het is nog maar vijftig jaar geleden dat de provincie Noord-Brabant, nu het industriële hart van Nederland, een onderzoek gelastte naar de oorzaken van de gebrekkige doorstroming van het lager onderwijs naar het voortgezet onderwijs. In vergelijking met het westelijk deel van Nederland was Noord-Brabant een achterblijver.

Dat onderzoek is nog steeds een bron van actuele informatie aangezien de deelnemers aan het onderzoek van destijds – een aanzienlijk deel van alle toen 12-jarigen – in latere jaren zijn herondervraagd. Die gegevens werpen licht op de opleiding en beroepscarrière van drie generaties: de deelnemers zelf, hun ouders en later ook hun kinderen. Van de ouders had 90 procent alleen lager onderwijs, voor de deelnemers aan het onderzoek bedroeg dat percentage altijd nog 75 procent, maar voor hun kinderen bedroeg het nog maar 25 procent.

Die omwenteling moet voor het overgrote deel op het conto van het beroepsonderwijs worden geschreven. Zonder de spectaculaire uitbouw en expansie van het beroepsonderwijs had de provincie Noord-Brabant zich nooit weten te bevrijden van het odium van de achterlijkheid. De achterstand is omgebogen in voorsprong. In Noord-Brabant floreert het beroepsonderwijs in al zijn geledingen en op alle niveaus.

Wie er met de ogen van nu naar kijkt, zal geneigd zijn te oordelen dat de omstandigheden zoals bevolkingsconcentratie en arbeidsmarkt er ook gunstig zijn – maar die ziet de rol die het beroepsonderwijs daarin gespeeld heeft over het hoofd.

De ontwikkeling in Noord-Brabant staat model voor die in Nederland, en in feite voor die in heel West-Europa .

Het universitaire onderwijs is lange tijd de blikvanger van de opmars van het onderwijs geweest, het beroepsonderwijs was er in feite van.

u is het bepaald niet zo dat het beroepsonderwijs voor zijn prestaties helemaal geen erkenning vindt. Onderzoek opname van schoolverlaters in het arbeidsproces laat jaar op jaar zien dat afgestudeerden van het mbo, gevolgd door die van het hbo, er in dat opzicht het beste voorstaan. Ze vinden na een korte zoektijd een baan, werkloosheid is onder hen een uitzondering. Heel anders dan onder schoolverlaters die alleen een diploma havo of vwo hebben, terwijl ook afgestudeerden van de universiteit, zij het uit bepaalde studierichtingen, een verontrustend hoge werkloosheid kennen.

De massale toeloop naar het beroepsonderwijs is dus niet ten koste gegaan van de primaire doelstelling, namelijk beroepsgeschikte studenten af te leveren.

Datzelfde geldt voor de doorstroom waar de politiek zo'n groot gewicht aan hecht. Ook in de recente politieke discussie over de kwaliteit van het vmbo werd door politici weer eenzijdig de nadruk gelegd op uitval als ook op het aantal vmbo'ers dat niet doorstroomt naar het mbo, terwijl dat een gering deel van het totale bestand uitmaakt.

Met meer recht zou de politiek zich onder de indruk kunnen tonen van het grote aantal leerlingen dat wel doorstroomt. Maar wat in de politieke discussie nog het meest steekt, is dat daarin aan de achtergronden van uitval en niet doorstromen voorbij gegaan wordt, terwijl die voor de beleidsbeoordeling ervan essentieel zijn. Zo blijken zij die uitvallen al in een vroeg stadium met leerproblemen te kampen te hebben, bij 60 procent van hen is dat op de basisschool al het geval, hun gemiddelde Cito-score is ook significant lager.

In de Verenigde Staten heeft de politieke beoordeling van uitval om die reden een omslag doorgemaakt: vmbo-scholen verplichten om die leerlingen die doorgaans slecht gemotiveerd zijn en een boel last veroorzaken vast te houden, is contra-productief terwijl de rest van de leerlingen er de kwade gevolgen van ondervinden. In het licht van die achtergronden zou ook bij ons de politieke beoordeling van uitval moeten worden bijgesteld .

Iets dergelijks geldt voor het verschijnsel van degenen die het vmbo verlaten en gaan werken. Het zijn de zwakkere leerlingen die dat doen, hun kansen op succes in het mbo zijn zeer twijfelachtig .

Ze zijn er beter mee af na een geslaagde afronding van het vmbo te gaan werken, dan jaren later – en dus ouder – als mislukte mbo'er te trachten een baan te vinden.

Als het vmbo nu onder druk van de politiek op z'n kop wordt gezet om verschijnselen die onvermijdelijk zijn te pareren, kan dat alleen leiden tot niveau-verlaging met alle gevolgen van dien voor de massa van de leerlingen die nu wel doorstromen. Dit vraagstuk heeft overduidelijk twee kanten en in de afweging daarvan zijn we al redelijk eenzijdig doorgeschoten.

Wat voor het vmbo geldt, is in feite op alle niveaus van het onderwijs van toepassing. Die pertinente uitspraak is mogelijk dankzij de analyses van de Cito-scores en de uitkomsten van de op internationale schaal opgezette Pisa-onderzoekingen (

Program for International Student Assessment). Dit Pisa-onderzoek dat ook in Nederland is gehouden, laat zien dat de onderwijskolom werkt als een destillatiekolom: ieder komt grosso modo op het niveau dat correspondeert met zijn intellectueel vermogen. De verschillen tussen de niveaus zijn markant.

Op elk niveau is er weliswaar een zekere spreiding, maar juist de leerlingen die zich aan de bovenkant daarvan bevinden zijn de doorstromers. Zij hebben een ongebruikt potentieel, de anderen niet. Dat geldt tot in de kleinste details.

Mbo'ers in de technische vakken behoren tot de beste mbo'ers, als groep steken hun intellectuele vermogens boven die van de rest van het mbo uit. Dat heeft alles te maken met het feit dat wiskunde voor hen een must is. Voor studenten in de economische richting geldt iets vergelijkbaars maar op een lager niveau, tussen dat van de technische mbo'ers en de rest in. De doorstroom van het mbo naar het hbo is in de technische studierichtingen dan ook de beste terwijl mbo'ers het daar ook heel goed doen. Die uitkomsten zijn te danken aan de inspanningen die juist in het beroepsonderwijs gepleegd zijn om de doorstroom te bevorderen. Op dat terrein valt verder niet veel meer te bereiken zonder dat dit tot niveauverlaging leidt.

De politiek zou zich hiervan meer rekenschap moeten geven en er goed aan doen in een discussie over de kwaliteit van het onderwijs dan ook over de daarvoor relevante verschijnselen te spreken. Die zijn er te over, ook in het beroepsonderwijs. Het meest verontrustende verschijnsel betreft de grote verschillen in niveau die zich binnen het beroepsonderwijs voordoen, het hbo in het bijzonder.

Wie kijkt naar de studentenpopulatie qua vooropleiding (vakkenpakket) en hun Cito-respectievelijk Pisa-scores, het curriculum en de kwaliteit van de leraren, wordt getroffen door de zeer grote verschillen die zich blijken voor te doen tussen de technische en economische studierichtingen enerzijds en de sociale studierichtingen en lerarenopleidingen anderzijds. De recente discussie over de Pabo's is daarvoor illustratief. De beoordeling van de Pabo's was ronduit beschamend. De Onderwijsraad rapporteerde recent iets dergelijks over de lerarenopleiding voor het voortgezet onderwijs.

De reactie van de HBO-raad op de Pabo-uitkomsten was nog het meest verontrustend. De bezwaren werden met een beroep op weinig steekhoudende argumenten weggewuifd.

Deze ontkenning van de manifest geworden kwaliteitstekorten is in feite een miskenning van de betekenis van het beroepsonderwijs, maar dan vanuit het beroepsonderwijs zelf. Wie van de buitenwereld erkenning verlangt, zal toch in de eerste plaats hoge eisen aan zichzelf moeten stellen.

Hoe diep de problematiek van de kwaliteitsverschillen in het beroepsonderwijs wel zit, blijkt bijvoorbeeld uit het onderzoek naar het profiel van de opleiding. Docenten techniek en economie blijken een helder beeld van die studie te hebben, alsook van de vooropleiding die studenten moeten hebben om in hun studierichting te kunnen slagen. Docenten aan de lerarenopleidingen hebben daarvan geen helder beeld, evenmin zijn ze in staat profielbepalende vakken te noemen.

Het is weinig verrassend dat juist in die hoek niet wordt gesproken over verzwaring van de eisen aan de vooropleiding van studenten, met name hun vakkenpakket, noch over kwalificaties van de leerkrachten, maar dat de tekortkomingen worden bestreden met modekreten: 'Het onderwijs moet kantelen, van docent-naar studentgestuurd, we moeten de overgang maken van het oude naar het nieuwe leren, van de leraar die vakkennis aanbiedt naar de leerling die daarom vraagt.'

Maar als afgestudeerden van de Pabo blijken de spelling en grammatica van het Nederlands niet te beheersen en evenmin in staat blijken rekenkundige sommen zelf foutloos op te lossen, dan is het nieuwe leren een weinig adequaat antwoord. Ja, in handen van docenten die zelf met competentieproblemen hebben te kampen, levensgevaarlijk. De geconstateerde problemen raken de scherpte van het profiel en de diepgang van de studie .

Die opvatting is nu kennelijk ook tot de HBO-raad doorgedrongen. Uit de bekendmaking van afgelopen vrijdag blijkt dat de HBOraad nu pleit voor wiskunde als verplicht vak voor studenten die een Pabo-opleiding willen gaan volgen.

Over het 'nieuwe leren' valt een meer principiële uitspraak te doen. In het Pisa-onderzoek gaat het niet alleen om scores, maar ook om analyse van achtergronden van het leerproces. Zo blijken leerprestaties het meest gevoelig voor de kunde om te leren: jezelf op kennis en inzicht controleren, aanvullende kennis zoeken, jezelf testen et cetera. Maar die kunde is nu juist weer afhankelijk van de intellectuele capaciteit van de studenten. Om die reden is in het beroepsonderwijs de structurering van het leerproces ook altijd zo voorop gesteld. Met leerlingen wier intellectuele capaciteit beperkter is, toch excellente resultaten behalen, dat was de kunst waarin het hbo zich van de universiteit onderscheidde.

Studenten met een geringer abstractievermogen het leren leren toch bijbrengen, is de uitdaging. In het beroepsonderwijs loopt die weg over de praktisch toepasbare kennis, maar dat is evengoed kennis die moet neerslaan in inzicht.

Als het hbo verraad pleegt aan zijn succesvolle staat van dienst op dit punt, dan begaat het een dramatische vergissing.

In het hbo zouden de inspanningen er juist op gericht moeten worden de tekortschietende studierichtingen bij te trekken, ze te schoeien op de leest van de succesvol opererende technische en economische studierichtingen.

De roep vanuit de politiek om in het beroepsonderwijs het praktijkelement te versterken, ligt in dezelfde sfeer als die van het 'nieuwe leren' en is even aanvechtbaar.

Het beroepsonderwijs is er altijd op gericht geweest studenten intellectuele bagage mee te geven, niet dat te leren wat in de praktijk in een handomdraai geleerd kan worden. Dieptekennis en intellectuele training – hoe toepassingsgericht ook – zijn essentieel om te leren leren.

De huidige trend is evenwel om het praktijkelement te versterken, maar praktisch toepasbare kennis die essentieel is voor het beroepsonderwijs, is niet hetzelfde als praktijkkennis. In die trend speelt de invloed die het bedrijfsleven momenteel op het beroepsonderwijs heeft een funeste rol.

Bij student-gestuurd leren moet gevreesd worden dat die hang naar de praktijk nog versterkt wordt. Tijdens de opleiding moet je juist dat leren wat je elders niet kunt leren en op een leeftijd waarop het opnemingsvermogen met name voor dieptekennis het grootst is. De opleidingstijd is een unieke leerperiode in een mensenleven die optimaal moet worden benut. Door dan eisen te stellen help je studenten hoog te reiken en zo hun potentieel tot ontwikkeling te brengen.

Als het beroepsonderwijs, het hbo daarin voorop, die missie trouw blijft en daarin over de volle breedte van zijn opleidingen zou excelleren, dan zal de erkenning niet uitblijven. Primair in het beroepsonderwijs zelf, door het gevoel van eigenwaarde dat zo ontwikkeld wordt.

Wie zijn kracht vindt in het leveren van objectieve prestaties, kan zich onafhankelijk opstellen en de preoccupatie met de 'parity of esteem' (hunkering naar erkenning) achter zich laten.

Meer over