ERASMUS

HET PORTRET van Hans Holbein is mij het liefst, want daarin meen ik hem te herkennen. Daar is dat bijna vrouwelijk smalle gezicht, waaruit een scherpe neus steekt, de mond is smal en geknepen; de plooien ernaast verraden een zekere beslistheid, verbetenheid zelfs....

'Bij onze vriendschap, die niet hechter kan zijn dan zij is, terwille van uw algeheel herstel, dat mij evenveel ter harte gaat als mijn eigen behoud, vraag ik u, mijn Pieter, alles in het werk te stellen om weer beter te worden, zodat ik u bij mijn terugkeer vrolijk en opgewekt aantref. Dan eerst zal het mij toeschijnen, alsof ik zelf ongedeerd teruggekeerd zal zijn.'

Natuurlijk kan de vriendschap zich niet uiten zonder de sierlijkheid van een licht retorische stijl: de ontvanger van de brief moest ook van de brief zelf kunnen genieten. Erasmus' correspondenten zijn nooit te kort gekomen! Ook niet als hij hen aanviel. Die sierlijkheid en tederheid behoeven wellicht niet te verrassen. Warme gevoelens en verfijning zal hij in zijn jeugd niet hebben gekend. Noord-Nederland leefde in de stervensjaren van de Middeleeuwen en hoe intens de vroomheid van de Devoten - waarin hij is grootgebracht en waarvan hij zijn hele leven de tekenen zal blijven dragen - ook geweest mag zijn, de ziel ging boven elke uiterlijkheid. Van het leven in het Augustijnerklooster in Stein bij Gouda, waarin hij intrad, kan men zich ook moeilijk een esthetische voorstelling maken. Naast de schande van zijn geboorte, want hij was de zoon van een pastoor, moest hij de, vermoed ik, Hollandse grofheid van het dagelijks leven verdragen.

De eerste ontsnappingsmogelijkheid bood hem het Latijn. Hij zal het tot in de perfectie gaan beheersen, als wetenschapper en als schrijver. De taal werd zijn enige mogelijkheid zich uit te drukken, maar gaf hem ook alle kansen zich te verbergen. In die taal leefde hij ook in een wat afgescheiden cultuurgebied. Een zeker elite-gevoel was hem niet vreemd. Hij moge, ook zijn spot, hooghartig overkomen, maar dan betreft die hoogmoed zijn tijdgenoten. Bijna nederig van eerbied was hij tegenover de vaders van de kerk en dat vooral tegenover die andere wat verbitterde en verbeten sarcast, Hiëronymus, zijn voorbeeld, als filoloog, vertaler van de schrift, maar ook als priester. Want dat is hij altijd gebleven. De grootste criticus van de kerk van zijn tijd wist dat de kerk groter was dan de gelovigen bij elkaar. Zijn aanvankelijke sympathie voor Luther slaat om in afkeer. Die moet alles met de trouw aan zijn kerk te maken hebben. Maar de gedachte dringt zich op dat hij de Duitser maar grof vond. En toen de scheuring ontstond, waste Erasmus zijn smalle handen in onschuld.

De estheticus die hij zeker was, heeft zich niet gespaard. Hij heeft zich ongelukkig gewerkt, denken wij, afgaande op zijn belezenheid en zijn vele uitgaven. Maar hij moet ook de snelheid van het genie hebben gehad. En, vermoed ik, de zegen van een uitzonderlijk concentratievermogen. Hij had een zich isolerende geest. En die is altijd tot heel veel in staat. Hij stond midden in alle ontwikkelingen van zijn zeer rumoerige tijd, maar dat wel in het hart van de stilte van zijn studeerkamer. Dat hij een deel van zijn Lof der zotheid schreef terwijl hij te paard over de Alpen trok - hij was een groot reiziger - willen wij alleen al geloven om ons gelijk over zijn concentratievermogen bevestigd te krijgen. Maar hij had natuurlijk ook geen enkel oog voor de buitenwereld. Hij was een man van boeken, van taal, van een kunstwereld in zekere zin. Hij dacht als een spitsvondige bibliotheek. Alleen in zijn vriendschappen en dan vooral in die met More en Fisher, kijkt hij op van zijn boeken. En zijn vermogen (en behoefte) tot liefhebben ontplooide zich.

De verfijnde geest is een bij uitstek harmonieuze, althans tracht dat te zijn. Hij poogt het evenwicht tussen zichzelf en de buitenwereld te handhaven. En dat betekent: zich er onaanraakbaar voor maken. Het trachten te vermijden van conflicten kan voor Erasmus typerend zijn. Men kan daar de hoogste bedoelingen aan toe kennen, maar mag de poging tot zelfbehoud niet uitsluiten. In het zoeken van evenwicht is hij een meester. Zijn subtiliteiten als denker zijn er mede aan te danken. Hij lijkt tolerant, maar hij was er eerder op uit wrijvingen te ontwijken. Natuurlijk zag hij alles in een groot verband, maar zichzelf toch ook in het centrum daarvan. Het kan typerend zijn dat hij alles tot het niveau van de discussie wist te verheffen. Zijn persoonlijke reacties hield hij verborgen. De grote eenheidsidealen van de humanisten zag hij bij de Reformatie in elkaar storten. Hij zal zijn lippen nog strakker hebben getrokken, maar hij werkte door aan zijn uitgaven. In zijn isolatie wist hij dat de geest tenslotte zou overwinnen. Het centrum van zijn tijd, leefde hij enigszins buiten zijn tijd.

Maar er schuilt achter dit alles nog een ander streven, denk ik. Hij vertrok al vroeg uit Nederland en hij is er nooit teruggekeerd. Uit de beschermde domeinen van kloosterschool en klooster ging hij zijn eigen weg. En dat was ook die van de autodidact. Maar hij wist zijn positie, maatschappelijk vooral, altijd een bedreigde. De brieven aan zijn financiële begunstigers zijn niet de meest verfijnde uit zijn werk. Hij lijkt er bijna altijd op uit, zichzelf veilig te stellen. En dat heeft als consequentie: het vermijden van risico's. Hij mag een estheet zijn, hij was ook altijd onzeker. Hij is bang genoemd. Temeer valt zijn moed als spotter en polemist te prijzen. Dat is zijn grootheid: als het er op aankomt, vergeet hij zichzelf, de vluchtwegen van zijn subtiliteiten ook. De geschiedenis of de legende wil, dat hij op zijn sterfbed, het uur waarin alles er op aan komt, een paar woorden Nederlands heeft gesproken: 'Lieve God'. Hij kon de dekmantel van het Latijn vergeten.

0IJ HEEFT NIET of nauwelijks gedoceerd. Maar hij werd de leermeester van Europa. En hij wist dat zichzelf ook en liet weinig na zichzelf als zodanig voor te stellen. Hij maakte zich middels de drukpers overal bekend. Ik heb zijn vernuft, zoals dat onnavolgbaar zichtbaar wordt in zijn Adagia, altijd bewonderd, zijn spot in de Lof der zotheid evenzeer, zijn werkkracht als tekstbezorger ook, misschien vooral de hardnekkige toewijding waarmee hij alles deed. Maar zijn uitingen van vriendschap en bewondering zijn mij het dierbaarst. Zijn rationele geest heeft zijn vrouwelijke kracht nagenoeg verborgen weten te houden. Helaas. Zijn geest was rijker dan die zich uit zijn boeken liet lezen. Daaruit wilde hij gekend worden. Wie Erasmus was, deed niet ter zake, meende hij. Uit zelfbehoud. Zijn verboeking heeft hem tot een van de grootste dode schrijvers gemaakt.

Er is een getekend portret van hem, uit de zestiende eeuw. 'Uit de school van Clouet'. Hij heeft een bol gezicht, draagt geen muts op het pony-achtig geknipte haar. De mond is ineens te dun voor dat gezicht. Toen ik de tekening de eerste keer zag, dacht ik: de schaduwgestalte die hij altijd heeft trachten te vermijden, daartoe heeft hij alle levenslust in inkt omgezet. Later dacht ik: hij lijkt hier op Luther. De hem toegedichte geestgelijkheid met hem heeft hij in elk geval scherp bestreden.

'Beste Pieter, alles moet gij achterstellen bij het behoud van uw leven', schrijft hij de sukkelende Gillis. Hij verraadt zich hier. Voor dat behoud heeft hij misschien te veel achtergesteld. Of moeten achterstellen. Want gemakkelijk heeft hij het zich niet kunnen maken. Zou hij gelukkig zijn geweest?

Meer over