Er zit weer haring in het Veerse Meer

Sinds de Zeeuwse zeearmen werden afgedamd, is het Veerse Meer troebel en giftig voor vissen. Buizen zo groot als fietstunnels laten het zoute zeewater weer binnen....

Met zacht pruttelende motor draait het onderzoeksbootje van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij (OVB) langs de kade van de jachthaven van Kortgene, Zeeland. Jan Kemper, visserijbioloog van de OVB, zal op deze mooie dag, half maart, de verslaggever een blik gunnen op zijn onderzoek naar de visstand van het Veerse Meer.

Terwijl schipper Johan Merkx koers zet de haven uit, tuurt Kemper in het water. 'Zo helder heb ik het nog nooit gezien.'

Dat is wel anders geweest, vertelde hij eerder. Sinds de afdamming van zee is het Veerse Meer door te veel voedingsstoffen in het water onaantrekkelijk troebel geweest. Eigenlijk is het meer al decennia een zorgenkindje.

Probleem twee: de zeesla, die het erg goed doet in brak water. Het helgroene flubberige wier slaat gemakkelijk los en blijft daarna in het water zweven. Geen pretje voor zwemmers en surfers, maar ook een stinkbende wanneer in de nazomer het aangespoelde wier gaat rotten.

Drie, erger nog: door het stilstaande water raakten de diepe gaten en geulen van de voormalige zeearm zuurstofloos en daarmee giftig voor vissen en ander waterleven. Daartegenover stond het succesverhaal van de forel, die floreerde in het brakke water. Leuk voor sportvissers, die uit heel Europa kwamen hengelen.

Fishfinder Rijkswaterstaat en de provincie Zeeland wilden in antwoord op de problemen al jaren 'spoelen' met zout, zuurstofrijk en helder water uit de Oosterschelde. In 2004 kwam dat er eindelijk van, met de opening van de Katse Heule in de Zandkreekdam. Een 'doorlaatmiddel' in jargon, twee enorme afsluitbare buizen in gewone-mensentaal. Veertigduizend kubieke meter per seconde kan er door de fietstunnelgrote kokers. Bij hoog water in de Oosterschelde: zout water in de richting van het Veerse Meer, en bij laagwater in de Oosterschelde: brak water in tegengestelde richting.

Kemper voerde in 2002 een 'nulmeting' uit van de situatie vóór opening van de Katse Heule. Dat deed hij door visscholen op te sporen met de geavanceerde sonar aan boord van de OVB-visboot. Waar soortgelijke fishfinders van sportvissers alleen loodrecht omlaag zenden, speurt het OVB-apparaat een driedimensionale kegel water af en is daarmee uiterst gevoelig. Omdat Kemper in zijn kielzog ingehuurde beroepsvissers met sleepnetten monsters liet nemen, kreeg hij greep op wat zijn sonar registreerde. Grote verrassing: er zwommen enorme scholen haring in het Zeeuwse meer. Terug van weggeweest, want toen het Veerse Meer nog open stond naar zee, was de vissoort er heel gewoon.

Geen maatjesharingen zoals bij de visboer, voegt Kemper er voor de goede orde aan toe, maar grotere exemplaren - meer om te bakken - en hele kleintjes. Kemper: 'Blijkbaar zijn de haringen binnengeglipt door de al langer bestaande scheepssluis in de Zandkreekdam. Vrijwel zeker zijn het vissen uit het Kanaal, die de Oosterschelde binnenzwemmen.'

Kemper denkt dat haring massaal door de Katse Heule kan trekken: 'Of dat een vaste grote haringstand oplevert, weten we niet. Maar zeker is dat steeds meer zeevissen het Veerse Meer in komen. De forel zal misschien het veld moeten ruimen, al gaan we dat nog onderzoeken.'

Hoewel de fishfinder aanstaat en op de kleurige display in de visboot intrigerende stipjes oplichten, valt vandaag geen haring op te sporen. Kemper: 'Ze komen alleen 's nachts naar open water.' Het wachten is nu op de start van het geplande onderzoek naar de visstand van na de doorlaat: 'Het zal mij erg benieuwen. Als de opdrachtgever nu maar met geld over de brug komt.'

Aan boord van de viskotter Laurus Adriaan pauzeren Kees van der Kreeke en zijn zoon van het binnenhalen van hun palingfuiken. Van der Kreeke is een van de twee nog resterende beroepsvissers op het Veerse Meer. Zijn vader viste al op paling, zoon Marcel gaat straks door.

De visser is wat bezorgd over al te helder water. 'Palingen zwemmen dan minder gemakkelijk de fuiken in.' Maar Van der Kreeke - misschien komt het omdat hij altijd al afhankelijk is geweest van de onvoorspelbare natuur, én als kind de watersnoodsramp meemaakte - is verder berustend over het gesleutel aan 'zijn' water. Een vetpot is het toch al niet meer, de palingvisserij, zegt hij. 'En het is wat anders dan meer van hetzelfde.'

Van der Kreeke gaat straks op uurloon assisteren bij het OVB-onderzoek. In een zout Veerse Meer kan hij overstappen op nieuwe, commercieel aantrekkelijke vissoorten. Hij ziet zichzelf voorlopig niet op 'Echte Zeeuwse Haring' vissen - daarvoor zijn aparte netten nodig en niemand weet of er vraag naar is.

Buitengewoon geporteerd is Van der Kreeke voor de zeekreeften die nu ook in het Veerse Meer opduiken. Een vergunning als kreeftenvisser heeft hij al aangevraagd. 'Dat kan interessante handel zijn.' En de waterrecreatie, die ongetwijfeld zal toenemen in een helder meer? Van der Kreeke grijnst, enmet Zeeuwse tongval klinkt het zangerig: 'Topless meisjes bedoel je? Die kennen we al.'

Zeebioloog Wim Wolff, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, legde ooit als onderzoeker van het zeeleven in de Oosterschelde gewicht in de schaal voor het openhouden van die zeearm. Het doet hem wel plezier dat daardoor de minder aangename ontwikkelingen in het Veerse Meer zijn terug te draaien. 'De spoeling is absoluut goed voor de waterkwaliteit, en de soortenrijkdom in het meer zal gegarandeerd toenemen.'

Wolff, die in zijn onderzoek veel aandacht heeft voor biodiversiteit, zegt er wel bij: 'Toch verdwijnt een voor Nederland zeldzaam brakwatermilieu. Juist omdat we daar zo weinig van hebben, is het mode geworden elders brakke "zout-zoet" overgangen aan te leggen, bijvoorbeeld in het Haringvliet.' Dat wringt wel, vindt Wolff: 'Al zijn de uitstervende brakwatersoorten voornamelijk wormen en slakken waarvoor niet eens een Nederlandse naam bestaat.'

Het brengt Wolff op een algemene kritiek op alle gesleutel aan het Zeeuwse water: 'Het ontbreekt wat aan langere-termijnvisie.' Nu heeft hij te veel het gevoel dat successen op korte termijn de agenda bepalen. Schoon, helder water binnen tien, vijftien jaar, zonder heel nauw te kijken naar biologische samenhangen op grotere schaal: 'Rekening houden met scenario's over vijftig à honderd jaar zou beter zijn.'

Eugène Daemen, Rijkswaterstaat Directie Zeeland, kan zich wel vinden in de opmerking over lange-termijnplanning. 'Voor biologische en fysisch-chemische processen is dat wel enigszins te doen, met de slag om de arm dat de biologie onvoorspelbaar kan zijn. Maar uiteindelijk bepalen maatschappelijke ontwikkelingen wat er gebeurt met zo'n water. Dan is het lastig verder kijken dan een jaar of tien.'

Daemen is behoorlijk trots op de Katse Heule, toch een beetje zijn kindje. 'De verzouting gaat veel sneller dan gedacht, doordat het zware, zoute Oosterscheldewater uitzakt naar de geulen en zich zo gemakkelijk verspreidt. Nu al is het bijna zo zout als voor 1961. Met dat zoute water in de diepe delen is ook de zuurstofloosheid aangepakt.'

En de forelvissers? Hans den Bakker, secretaris van de Federatie van Hengelsportverenigingen Zuidwest-Nederland - de vergunninghebbers voor 'schubvissen', zeg maar alles, behalve paling: 'We weten nog niet eens of de forellen wegtrekken of het loodje leggen. Dat moet nog blijken. Maar er kan een interessante sportvisserij voor in de plaats komen, op zeebaars en harder bijvoorbeeld. Helder water is ook wat waard.'

Meer over