'Er zijn wel neutrale landen, maar geen neutrale mensen'

Een vleugje ironie sluipt al snel mee naar binnen wanneer de geschiedenis zich herhaalt. Toen Trygve Lie in 1951 herkozen wilde worden als secretaris-generaal van de Verenigde Naties werd hem de weg versperd door een bikkelhard veto - dat van de Sovjet-Unie....

ROB VREEKEN

Van onze verslaggever

Rob Vreeken

AMSTERDAM

Andere kandidaten maakten in de Veiligheidsraad geen schijn van kans, ook al omdat de Amerikanen hun veto zouden uitspreken tegen iedereen die niet Trygve Lie heette. Ten slotte kwam de kwestie op de agenda van de Algemene Vergadering, die met 46 tegen vijf stemmen besloot Lie een tweede termijn van drie jaar te geven, Russisch veto of niet.

Kon dat dan zomaar? Ja, dat kon zomaar, stelde de Amerikaanse regering: het betrof immers geen nieuwe kandidaat, maar een herbenoeming van de zittende. Het recht van veto, meende Washington, is in dat geval niet aan de orde.

Boutros Boutros Ghali, kandidaat voor eenzelfde herbenoeming, kijkt 45 jaar later aan tegen eenzelfde veto. Maar dit keer komt het van de Amerikanen, en er is geen sprake van dat zij zullen buigen voor een meerderheid in de assemblée.

Of Washington in 1952 procedureel gelijk had is niet vast te stellen. Er is namelijk nauwelijks enige procedure bij het verkiezen van een secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Artikel 97, hoofdstuk XV van het VN-Handvest zegt: 'De Secretaris-Generaal wordt, op aanbeveling van de Veiligheidsraad, door de Algemene vergadering benoemd.'

Dat is alles. Terugbladerend in het Handvest vallen daar aan toe te voegen de stemprocedures in de Veiligheidsraad (negen van de vijftien leden vóór, waaronder de vijf permanente leden) en in de Algemene Vergadering (meerderheid van tweederde van de leden die hun stem uitbrengen).

Het voorbeeld van Trygve Lie leert overigens ook dat een sg maar beter niet kan worden benoemd tegen de zin van een grootmacht. De Sovjet-Unie weigerde namelijk elk contact met de ongewenste secretaris-generaal. Voor recepties op de Sovjet-ambassade werden Lie en zijn echtgenote niet uitgenodigd; soms werd met nadruk aan de pers gemeld dat het paar niét op de lijst genodigden stond.

Al snel werd duidelijk dat de situatie onwerkbaar was. In november 1952 hield Lie de eer aan zichzelf en nam ontslag.

Zes jaar eerder was de Noor zonder veel probleem gekozen. Hoewel de Koude Oorlog nog niet volop woedde, moest in 1946 al wel rekening worden gehouden met de Sovjet-Amerikaanse rivaliteit. Trygve Lie was als onbekende Scandinaviër een veilige compromisfiguur.

Toen de Amerikaanse ambassadeur Stettinius de kandidaat in de vergadering wilde aanprijzen, nam hij Urquhart terzijde en vroeg hem Lie even aan te wijzen - hij had geen flauw benul wie de man was. Vervolgens sprak Stettinius zijn naam abusievelijk uit als 'leugen', zo memoreert de Amerikaanse journalist Stanley Meisler in zijn boek United Nations - The First Fifty Years.

Het was opnieuw een Scandinaviër die in april 1953, volop Koude Oorlog, kon fungeren als betrekkelijk neutrale figuur.

Maar voordat de naam van de Zweed Dag Hammarskjöld uit de besloten, rokerige zaaltjes tevoorschijn kwam, was er al gestemd over diverse andere kandidaten: generaal Carlos Romulo uit de Filipijnen, de Canadese minister Lester Pearson, de Pool Skrzeszewski.

Pas één dag voor zijn benoeming hoorde de dichter/diplomaat Hammarskjöld tot zijn stomme verbazing dat hij was gekandideerd. Hij groeide uit tot de meest gerespecteerde secretaris-generaal die de VN ooit hebben gehad. Een herbenoeming was geen enkel probleem. Hammarskjöld kwam in september 1961, tijdens zijn tweede termijn, om het leven bij een vliegongeluk in Noord-Rhodesië, middenin de Kongo-crisis.

Zonder succes opperde Sovjet-leider Chroestsjov om Hammarskjöld te vervangen door een trojka van sg's (uit het Westen, uit het Oostblok en uit de Derde Wereld). 'Er bestaan wel neutrale landen', wordt Chroestsjov geciteerd door Meisler, 'maar er zijn geen neutrale mensen.'

Voor het eerst trad nu de Derde Wereld op als blok. Als kandidaat kwam daarom uiteindelijk de Birmees U Thant door de zeef. Franse diplomaten sputterden dat de kandidaat te klein was en gebrekkig Frans sprak, waarop Thant riposteerde: 'Ik ben groter dan Napoleon, en hij sprak geen woord Engels.'

Kurt Waldheim en de Fin Max Jakobson waren in 1971 de eersten die openlijk campagne voerden voor hun eigen kandidatuur. Na een serie zittingen van de Veiligheidsraad waarin tegen Waldheim, Jakobson en twee andere mannen steeds veto's werden uitgesproken, slaagde de Oostenrijker erin gekozen te worden. Hij hield het tien jaar vol, probeerde daarna op het genante af een derde termijn te krijgen, maar redde het niet.

Zijn opvolging door de zachtmoedige Perez de Cuellar - 'meer secretaris dan generaal' - was opnieuw het resultaat van een ondoorzichtig proces van geschuif met namen, veto's, wandelgangdiplomatie en handjeklap. Velen waren al afgeschoten toen Perez onderin het reageerbuisje achterbleef als 'iedereen laatste keus' - de enige die geen veto veroorzaakte.

De verkiezing van Boutros Ghali in november 1991 was een soort Amerikaans bedrijfsongeval. Hij was zeker niet de favoriet van Washington: te kleurloos, te weinig bevlogen. Hun kandidaat, de Canadese premier Mulroney, was onaanvaardbaar voor de Derde Wereld. De Amerikanen zochten door naar een geschikte figuur. In de Veiligheidsraad stemden ze, om Egypte niet voor het hoofd te stoten, vóór Boutros Ghali, met het stellige idee dat zijn kandidatuur niet serieus was.

Dat pakte anders uit, en Boutros Ghali ontwikkelde zich al snel tot de meest onafhankelijke en eigenwijze secretaris-generaal uit de geschiedenis van de VN. Zeer bevlogen en - tot ergernis van Washington - zeker niet kleurloos.

Meer over