Er zijn Chinese miljonairs, maar hoeveel is geheim

HANS MOLEMAN

SHANGHAI - Hoe groot is de ongelijkheid in China? De vraag ligt politiek zeer gevoelig in Peking, en het Nationale Bureau voor de Statistiek blijft het antwoord schuldig. Er zijn te weinig gegevens over de hoogste inkomens om de kloof tussen arm en rijk te meten, aldus directeur Ma Jiantang.

Het is al het elfde jaar dat Peking zegt de kloof niet te kunnen meten, aldus het kritische weekblad Caijing. Het blad heeft, samen met vooraanstaande economen, de indruk dat het statistiekbureau gebrekkige data als excuus gebruikt om een ongemakkelijke werkelijkheid te verhullen: China is na twintig jaar van ongebreidelde groei een van de meest ongelijke landen ter wereld geworden.

Die constatering is niet populair bij de leiding van de communistische partij, die een lange traditie heeft van verdoezeling van onwelkome feiten. Zo werd enkele jaren geleden op last van Peking verboden bekend te maken hoeveel gevallen van sociale onrust er jaarlijks landelijk plaatsvinden.

China heeft vooral de laatste tien jaar een explosie van rijkdom gezien bij een beperkte groep mensen. Er is een economische elite gegroeid van miljonairs en miljardairs die alleen nog wordt overschaduwd door de rijke '1 procent' in de VS. Het in naam nog socialistische China telt naar schatting een miljoen mensen die zich miljonair (in euro's) mogen noemen.

Veel rijken hebben zeer goede banden met de communistische partij en het leger. De scheefgegroeide welvaart is overal te zien, door de aanwezigheid van steeds meer peperdure auto's en villawijken, soms pal naast afbraakwijken vol armoedige migranten. Voor luxemerken als Porsche, Bentley, Rolls Royce, Ferrari en Maserati is China in enkele jaren tijd de tweede of derde afzetmarkt ter wereld geworden.

Ook China's laagste inkomens zijn de afgelopen jaren gestaag gegroeid, maar veel minder dan de hoogste. De welvaartskloof wordt in economentaal uitgedrukt als de Gini-coëfficiënt. De stelregel is dat als de Gini hoger is dan 0,4, het niet goed is gesteld met de harmonieuze verdeling van de welvaart. De laatste keer dat Peking zelf met data kwam, in 2000, scoorde het 0,412.

Sindsdien is de kloof alleen maar groter geworden. De VN kwamen in 2001 op 0,447, de Chinese Academie van Wetenschappen taxeerde in 2005 een tussenstand van 0,47. Een econoom van de Centrale Partijschool waarschuwde in 2010 dat er een 'extreem ernstig' probleem was als de Gini tegen de 0,5 zou aankruipen. Het statistiekbureau van Peking wil nu slechts kwijt dat de ongelijkheid in 2011 'een klein beetje hoger' was dan in 2010.

undefined

Meer over