Er zaten alleen maar meisjes in de zaal

Daar gaat ze, op haar te kleine fiets, haar nieuwe leven tegemoet. Het blonde paardenstaartje zit een beetje strak; de hele R....

Aleid Truijens

Jarenlang speelde ze zustertje, in haar uniform met het rode kruis op het kapje. Ze drukte de roze stethoscoop ernstig tegen onze borst en gaf ons ferme injecties, waarbij we het uitkermden. Ze wilde ons beter maken, en ons niet alleen. Dus werd het doktertje.

Ingeloot! R’s vreugde was groot. Ze hoorde tot de uitverkorenen, het derde deel van de aanmeldingen dat werd toegelaten. Puur geluk was het niet. Eerder misschien ijver en doorzettingsvermogen, want wie de hoogste eindexamencijfers haalt, maakt de meeste kans. Chirurg worden, dat lijkt haar wel wat, of neuroloog. En moeder natuurlijk, in één moeite door.

Als we Christien Brinkgreve en Egbert te Velde mogen geloven, kan R. die dubbele toekomstdroom vergeten. Zodra ze de babywolk in haar armen houdt, zijn haar kaarten geschud. Haar ambitie zal wegsijpelen met de moedermelk. Dan wil ze hooguit een klein baantje, voor de gezelligheid. Het door de overheid nagestreefde ‘combinatiemodel’ is een illusie. Mannen willen niet stofzuigen, vrouwen geen carrière. Láát die vrouwen toch, vinden de twee hoogleraren.

Niet iedereen hoeft professor te worden, zei een leerkracht ooit smalend over R., daarmee het eigen ambitieloze gekeutel in haar klas rechtvaardigend. Op het eerste gezicht hebben Brinkgreve en Te Velde gelijk. Het moedeloze gelijk van de status quo. Er zit inderdaad weinig schot in de carrières van moeders. Nee, de overheid mag niet, omwille van onze economie, kinderen in instituties opbergen en hun moeders ongelukkig maken.

Toch word ik treurig van deze vaststelling, die elk kiertje hoop dichtmetselt. Gek, maar in mijn omgeving zie ik tientallen ‘taakcombineerders’, stofzuigende mannen en ambitieuze moeders; zij lijken noch door de overheid gedirigeerd, noch doodongelukkig. Leef ik in een sprookjeswereld? Ze rukken ook op in de cijferkolommen van het SCP, de hoogopgeleide vaders en moeders met een ‘zorgtaak’, zij het traag.

Daar is R. weer, moe maar stralend. Ze had een patiënt gezien voor de klas, een levende. Volgende week gaat ze in een lijk snijden. Eén ding was haar opgevallen: ‘Er zaten alléén maar meisjes in de zaal!’ Er moesten ook wat jongens zijn, maar die waren druk met hun dispuutsontgroening. ’s Ochtends vroeg een ‘omgekeerd diner’ naar binnen werken, te beginnen met cognac, dan de wijn en de boerenkool, en tot slot spugen. Lachen! Toch zijn die jongens de toekomstige chirurgen, neurologen en chefs de clinique, en de meisjes de huisartsen. De generatie die nu in het ziekenhuis de lakens uitdeelt, houdt bij de ‘harde’ specialismen de rijen angstvallig gesloten voor parttimers.

Maar die zaal vol aanstormende mensenredders met paardenstaartjes vormt straks een overmacht: een vracht aan beauty en brains, tact en communicatief vermogen - dé eigenschappen van de toekomst. Zeventig procent van de eerstejaars geneeskunde is nu vrouw. Twee jaar geleden werd de aanval geopend op die vlijtige meisjes met hun idioot hoge cijfers. Internist Jeen Haalboom stelde in zijn oratie voor om fifty/fifty man en vrouw als toelatingsnorm te hanteren. Artsen zouden verplicht enkele jaren fulltime moeten werken. Dat zou ze leren, die vrouwen. De internist die op haar 36ste eindelijk klaar is, wordt toch niet meer zwanger.

Alleen verandering dwingt verandering af. Die cultuuromslag in ziekenhuizen zal er komen. Vier parttimers brengen meer kennis en kunde in dan drie fulltimers. Als R. eenmaal chirurg is, zal geen patiënt meer vragen: ‘Mag ik nu de échte dokter spreken?’ Arme jongens. Voor hen zit er niets anders op dan beter hun best te doen. Dan maken ze straks, ‘bij gelijke geschiktheid’, nog een kansje.

Meer over