ReportageCulturele genocide

Er waren 215 kindergraven nodig om de wereld wakker te schudden

Jongens bidden op hun slaapkamerzaal in de Bishop Horden Memorial School, een internaat vaar veel van de Cree gemeenschap heen werden gestuurd in Ontario, Canada. Foto dateert uit 1950.  Beeld Shingwauk Residential Schools Centre via REUTERS
Jongens bidden op hun slaapkamerzaal in de Bishop Horden Memorial School, een internaat vaar veel van de Cree gemeenschap heen werden gestuurd in Ontario, Canada. Foto dateert uit 1950.Beeld Shingwauk Residential Schools Centre via REUTERS

De gruwelijke ontdekking van honderden anonieme kindergraven bij Canadese internaten haalt voor veel van de First Nations trauma’s op en confronteert Canada met de culturele genocide die is aangericht. De verhalen getuigen niet alleen van systematisch misbruik, maar ook van kille onverschilligheid.

In de doucheruimte van het Lejac-internaat voor inheemse kinderen veranderde de gemeenste pestkop in een bang jongetje als de opzichter van de jongensslaapzaal binnenkwam. Dan koos de pedofiel zijn slachtoffer, vertelt Bruce Allan (60), die van 1967 tot 1974 leerling was op Lejac, in het westen van Canada. ‘Hij gooide emmers koud water over ons heen, terwijl hij ons bekeek. Een grote knul kroop bevend van angst weg in een hoekje. Kort daarna pleegde hij zelfmoord.’

De blik in de ogen van die jongen is Allan nooit vergeten. Net zoals de pijn wanneer een leraar keihard aan je bakkebaarden trok, of het geblaf van de valse waakhond die dagelijks op hem werd losgelaten.

De jeugdherinneringen leven weer op, omdat twee weken geleden 215 anonieme graven zijn gevonden bij een soortgelijk internaat als Lejac. Daarop volgden na bodemonderzoek met radarapparatuur meer gruwelijke ontdekkingen van ongemarkeerde graven: vorige week 751 in een prairie-gehucht en deze week 182 graven in de bossen van British Columbia.

Absurd hoge sterftecijfers

Terwijl het niet-inheemse deel van Canada zich geschokt afvraagt waarom kostscholen eigenlijk begraafplaatsen nodig hadden, is Allan vooral triest. ‘In 2007 stond ik bij de school van mijn vader, waar nu de 215 graven zijn gevonden. Toen al voelde ik de energie van de gestorven kinderen. Overlevenden wezen waar doden werden begraven. We hebben zo lang gewacht op bevestiging van wat we altijd al wisten. De vondst is vooral een klap voor diegenen die ons niet geloofden. Nu ze de graven met eigen ogen zien, kunnen ze er niet meer omheen.’

Toch, de ene ontdekking na de andere, de grote aantallen graven: dat slaat ook de inheemse gemeenschappen uit het lood, merkt Allan tijdens zijn vrijwilligerswerk bij een telefonische hulplijn. ‘Mensen die nooit hun verhaal hebben verteld, willen het nu kwijt. Die graven triggeren hun trauma.’ We spreken Allan via Facetime in zijn huiskamer inBritish Columbiaa. Het is een beer van een vent met pretoogjes, gehuld in een oranje shirt waarmee de naar schatting zesduizend op internaten gestorven kinderen worden herdacht. ‘Op dit moment zijn alle gemeenschappen in de rouw.’

Bruce Allan  Beeld nvt
Bruce AllanBeeld nvt

Allan hoort bij de Stellat’en, een van de zeshonderd Canadese First Nations. Het woord indianen vinden deze volkeren een beledigend etiket, wegens de koloniale bijsmaak. De First Nations zijn de grootste groep inheemse Canadezen - die samen met de Métis (voortgekomen uit gemengde Frans-First Nation-koppels) en de Inuit (ook eskimo is in Canada een beladen woord) uit 1,7 miljoen mensen bestaat, 4 procent van de bevolking. Al hebben prairie-provincies als Manitoba en Saskatchewan de grootste concentratie, First Nations wonen in het hele land.

Van 1883 tot 1996 werden kinderen van inheemse volkeren op 139 Indian Residential Schools (IRS) met harde hand gedwongen zich als witte mensen te gedragen. Ze werden bekeerd tot het christendom, leerden het alfabet en werden als onbetaalde werkkrachten uitgeleend aan boerenbedrijven. Hun eigen taal en cultuur moesten ze vergeten. Naar schatting 150 duizend kinderen werden daarvoor bij hun ouders weggehaald.

Het was al snel duidelijk dat op die scholen schrikbarend veel kinderen overleden. In 1903 sloeg een medicus van het Bureau Indiaanse Zaken alarm over de onhygiënische toestanden en besmettelijke ziekten, die voor absurd hoge sterftecijfers van soms 69 procent van de schoolkinderen zorgden. De klokkenluider werd ontslagen en de sterfte werd goedgepraat met het racistische argument dat scholen er nu eenmaal niets aan konden doen dat die ‘zwakke inheemsen’ zo snel aan tuberculose en andere infectieziektes bezweken.

Bezorgdheid en excuses gevolgd door onverschilligheid

In het interbellum stelde de overheid vast dat het spartaanse schoolregime van lijfstraffen en ondervoeding inderdaad bar en boos was, maar er veranderde niets. Ook niet na een golf van morele verontwaardiging tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen vooruitstrevende Canadezen inzagen dat hun ‘Indianenbeleid’ voortkwam uit hetzelfde gedachtegoed waarmee de Nazi’s in Duitsland de joden vernietigden. ‘Wij (...) kunnen niet toestaan dat onze eigen bestuurders zich onder onze neus als Hunnen tegen de indianen gedragen’, schreef dichter Wallace Robb in 1944 in de Canadese krant Globe and Mail.

De cyclus van schokkende incidenten, bezorgdheid en excuses gevolgd door onverschilligheid, ging door na sluiting van de laatste school in 1996. Toen kwamen overlevenden met verschrikkelijke getuigenissen over seksueel misbruik en mishandeling. Na een lawine aan publiciteit kwamen de argumenten om het ongemak weg te praten: niet alle inheemse kinderen zaten op internaten, waarschijnlijker was één op de zes, of één op de tien, dus al waren de scholen mensonterend, de schade was beperkt, was de redenering. Daarna sloeg de desinteresse weer toe. De Canadese regering kwam pas in 2008 met excuses. En al was de katholieke kerk verantwoordelijk voor bijna 75 procent van de internaten, de paus weigert tot dusver sorry te zeggen.

Kinderen na hun eerste communie in de Spanish Indian Residential School in Spanish, Ontario, Canada. De foto dateert circa 1960. Beeld Shingwauk Residential Schools Centre / Reuters
Kinderen na hun eerste communie in de Spanish Indian Residential School in Spanish, Ontario, Canada. De foto dateert circa 1960.Beeld Shingwauk Residential Schools Centre / Reuters

Het patroon deprimeert historicus Jim Miller, die sinds de jaren tachtig publiceert over IRS. ‘Historici vertellen Canadezen al dertig jaar over die scholen, maar ons werk beklijft niet. Op 78-jarige leeftijd maak ik me geen illusies de grote omslag in de mentaliteit over het koloniaal verleden nog mee te maken.’ Al voelt het deze keer anders dan voorheen, zegt Miller. ‘Door die graven wordt wegkijken wel erg lastig. Het aantal alleen al. Dat treft mensen. Iedereen kan zich voorstellen hoe het is als je kind niet thuiskomt uit school.’

Met de excuses van 2008 is de Nationale Commissie voor Waarheid en Verzoening (NCTR) ingesteld om oplossingen te formuleren voor de huidige problemen van inheemse volkeren. Hogere zelfmoordcijfers, lagere levensverwachting, alcoholisme, huiselijk geweld, een disproportioneel aantal First Nations in pleeggezinnen en gevangenissen, en achterstanden op alle fronten. De NCTR kwam in 2015 met een snoeiharde conclusie: Canada heeft zich ruim honderd jaar lang schuldig gemaakt aan culturele genocide, door kinderen van inheemse volkeren op internaten van hun eigen volk te vervreemden. Bij zijn aantreden in datzelfde jaar beloofde premier Justin Trudeau werk te maken van alle 94 aanbevelingen van de commissie, en hij trok 27 miljoen Canadese dollar uit voor onderzoek naar de begraafplaatsen.

Nu de bewijzen worden blootgelegd, wacht Canada een lange en ingrijpende confrontatie met het verleden. De vondsten van de afgelopen weken zijn pas het begin: op meer dan vijfhonderd plekken wordt nog gezocht. Scott Hamilton, archeoloog en hoofd van de faculteit antropologie van de Lakehead-Universiteit, verwacht daar nog veel meer vondsten. ‘Dat betekent om de paar maanden een nieuwe schok, waarbij de pers de wetenschap voorbij holt. Iedereen heeft de mond vol over 715 inheemse kinderlijkjes en denkt dat in één keer alles duidelijk is, terwijl specialistisch onderzoek nodig is om vast te stellen wat er is gevonden. Er kunnen priesters tussen liggen, soms werden twee scholieren in één graf geplaatst: we weten het niet.’

‘Eindoplossing voor het Indianenprobleem’

Het grote publiek is ongeduldig: dat heeft behoefte aan een oplossing voor dit ongemakkelijke probleem. Maar de inheemse gemeenschappen zijn daar nog niet aan toe. Dat uitgezocht moet worden wie waar ligt, en de graven netjes moeten worden gemarkeerd, daar zijn alle verschillende First Nations het over eens. Maar hoe dat moet gebeuren – opgravingen, dna-onderzoek of de stoffelijke overschotten juist onberoerd laten rusten – en waar het geld vandaan moet komen? Op dit moment is de ontreddering te groot voor dat soort ingrijpende beslissingen.

null Beeld

First Nations zijn geen homogene groep: elke stam heeft zijn eigen gebruiken. Maar op de IRS werden kinderen van verschillende First Nations door elkaar gehusseld en waarschijnlijk ook zo begraven. Of een First Nation gemeenschap onderling een besluit neemt, of met buitenstaanders tot overeenstemming komt, consensus is een belangrijke waarde in hun cultuur. Gemeenschappen nemen ruim de tijd om die te bereiken. Dat proces vereist geduld, rust en respect, terwijl de buitenwereld haast heeft. Historicus Miller noemt het verschil in tempo frustrerend voor alle betrokkenen. ‘Om het onderwerp op de agenda te houden moeten First Nation-leiders juist snel handelen. Dat vergt enorme inspanning, omdat er steeds nieuwe, grotere schandalen nodig zijn om aandacht van witte politici af te dwingen. Daar schuilt een andere gevaar: stel dat de publieke opinie zich tegen First Nations keert, omdat gedacht wordt dat ze overdrijven.’

De inheemse bevolking en de Franse en Britse kolonisten die aan het eind van de 15de eeuw in Canada aankwamen, stonden aanvankelijk niet vijandig tegenover elkaar. Ze vonden elkaar in de pelshandel. Toen de nieuwkomers zich vestigden, werd dat met de oorspronkelijke bewoners geregeld in verdragen. Pas toen First Nations en andere inheemse volkeren economische ontwikkeling in de weg zaten – de West-Europeanen hadden bossen en prairies nodig als landbouwgrond – werd besloten tot assimilatie als ‘eindoplossing voor het Indianenprobleem’.

De taak werd uitbesteed aan de protestante, katholieke en Anglicaanse kerken. Die deden dat heel goedkoop, omdat ze genoegen namen met de allerlaagste salarissen en kleine overheidsbijdragen voor de scholen. Zolang ze maar inheemse zieltjes konden winnen.

Jongens krijgen hun haar geknipt in de Shingwauk Indian Residential School in Sault Ste. Marie, Ontario. De foto dateert circa 1960.  Beeld Shingwauk Residential Schools Centre  / Reuters
Jongens krijgen hun haar geknipt in de Shingwauk Indian Residential School in Sault Ste. Marie, Ontario. De foto dateert circa 1960.Beeld Shingwauk Residential Schools Centre / Reuters

First Nations zagen onderwijs als een kans om meer te weten te komen over de economie van de nieuwkomers, die hun omgeving zo ingrijpend veranderde. Die belangstelling verdween zodra hun kinderen niet thuiskwamen van school. Zelfs de lijkjes kregen ouders niet terug. De scholen hadden geen geld om de studenten naar behoren te voeden, laat staan om ontzielde lichamen te vervoeren. Rond de school begraven was niet alleen goedkoper, een christelijke begrafenis zou de bekeerde jeugd doordringen van hun nieuwe godsdienst. Op onrust in inheemse gemeenschappen over dode kinderen zat Canada ook niet te wachten. Het land feliciteerde zichzelf juist met de barmhartige assimilatie-politiek, terwijl Amerikaanse kolonisten de inheemse bevolking domweg uitroeiden.

De mythe over de goedaardige kolonist, die met al zijn wijsheid simpele wilden een beter leven geeft, staat Canada volgens Miller nog steeds in de weg. De scholen worden gezien als ‘een zwarte bladzijde’ in de geschiedenis. Dat impliceert dat er met de rest van het geschiedenisboek niet zoveel mis was, terwijl het zo langzamerhand tijd wordt dat Canadezen beseffen dat hun welvaart ten koste van de inheemse bevolking is verkregen. Met dat inzicht zou onrecht en institutioneel racisme beter kunnen worden aangepakt, of het nu gaat om zelfbestuur, traumabehandeling voor IRS-overlevenden of eerherstel voor spirituele tradities.

Traumatiserend compensatiesysteem

De noodzaak van deze radicale revisie van de Canadese geschiedenis sneeuwde echter steeds onder. Voor beleidsmakers en politici was het gemakkelijker om inheemse volkeren gewoon met initiatieven voor het verzoeningsproces te laten komen en die te financieren. Vanaf eind jaren negentig kwamen daar projecten uit, vaak gerelateerd aan de internaten. Canada, dat zichzelf ziet als een kampioen mensenrechten, trok er gigantische bedragen voor uit om te laten zien dat het land begreep dat inheemse gemeenschappen meer nodig hadden dan excuses. Alles was bespreekbaar, behalve schadevergoedingen voor het verlies van inheemse taal en cultuur. In de praktijk werd die goede wil soms onhandig en dubbelhartig uitgevoerd.

Neem de strijd om smartengeld voor internaatskinderen, die speelde van 1998 tot 2005. Overheid en kerken benadrukten steeds het belang van ‘genezing’ van de nog verse wonden, maar stuurden overlevenden een bureaucratisch oerwoud in dat draaide om een puntensysteem om de hoogte van financiële compensatie te bepalen. Herhaaldelijke anale verkrachting leverde 45 tot 60 compensatiepunten op, terwijl gedwongen orale seks slechts 26 tot 35 punten scoorde. Elke afschuwelijke herinnering moest worden doorgevlooid om aan punten te komen.

Al kwam er later een minder traumatiserend compensatiesysteem, bij Allan overheerst een bittere nasmaak. ‘De overheid huurt altijd psychologen en advocaten in om onze getuigenissen in diskrediet te brengen.’ Ook Trudeau zei dat zijn regering zich niet als ‘tegenstander’ van de First Nations zou opstellen. Maar ondertussen besteedde zijn regering in het eerste jaar al meer geld dan zijn conservatieve voorganger aan uiteenlopende juridische gevechten tegen First Nations die hun recht probeerden te halen.

De eeuwige vraag van wit Canada naar cijfertjes zit Allan ook dwars. ‘Ze eisen altijd dat we die kindersterfte kwantificeren, maar dat is onmogelijk. Hoe tellen we de doden zonder graf? Want die zijn er ook.’ Hij vertelt een sinister verhaal, dat ook regelmatig opdook in getuigenissen van overlevenden voor de Waarheids- en Verzoeningscommissie.

‘Op mijn school was een speelplek, die kinderen de zwarte heuvels noemden. Daar vonden ze witte dingetjes. Het waren tandjes. Toen begrepen ze dat de zwarte heuvels uit as bestonden, as uit ovens, waar de priesters en nonnen zuigelingen verbranden, die ze bij elkaar en de leerlingen hadden verwekt. Ze vernietigden hun geheimen in de oven. Hoe moeten wij die crematies nou in aantallen weergeven, als de kerkelijke organisaties achter de scholen ons niet eens toegang tot hun archieven geven?’

Loodzware kennis

‘Ik kom net uit een vergadering en ze dragen deze week hun archieven over!’ Raymond Frogner, hoofd archieven van de NCTR, klinkt opgetogen aan de telefoon. Eindelijk komt de katholieke orde die 48 van de meest beruchte internaten bestierde, waaronder de scholen waar graven zijn ontdekt, over de brug. Jarenlang blokkeerden deze missionarissen zijn verzoeken om toegang, met een beroep op de privacy van het personeel van de scholen.

‘Vijfduizend getuigenissen van overlevenden hebben we in ons archief, maar nauwelijks materiaal over mensen die op de scholen werkten’, zegt Frogner. We hebben vijf miljoen stukken, die we doorzoeken naar informatie over verdwenen kinderen. Daar zijn de namen van 4.117 kinderen gevonden. Een archief is misschien niet zo spraakmakend als graven, maar ze horen bij elkaar. Archieven zijn van doorslaggevend belang om tot een nieuwe relatie tussen inheemse volkeren en andere Canadezen te komen. Bij recht op genezing en gerechtigheid hoort het recht op kennis van de geschiedenis.’

Een historische foto uit 1900 van drie kleine meisjes op hun eerste schooldag op de Little Pine Indian School in Little Pine, Northwest Territories, nu Saskatchewan, Canada.  Beeld Provincial Archives of Saskatchewan / EPA
Een historische foto uit 1900 van drie kleine meisjes op hun eerste schooldag op de Little Pine Indian School in Little Pine, Northwest Territories, nu Saskatchewan, Canada.Beeld Provincial Archives of Saskatchewan / EPA

De kennis kan loodzwaar zijn, ziet hij als overlevenden het archief bezoeken. ‘Als enige archief in Canada hebben we een eigen hulpdienst en spiritueel adviseurs. Mensen reageren heftig op archiefstukken over alledaagse dingen, zoals het afschuwelijke voedsel en het permanente hongergevoel.’

Of het nu gaat om bedorven pap als ontbijt, of de grijpgrage handen van een pedofiele onderwijzer, elk trauma wordt generaties lang doorgegeven. Voor Allan begon het bij zijn grootmoeder. Zij zat op Lejac. Zijn vader moest ook naar dat internaat, Allan ook. ‘Thuis werd er nooit over gepraat, maar wat op school gebeurde was altijd aanwezig. Het zat in mijn vaders gedrag. Hij dronk bij wijze van zelfmedicatie en hij sloeg mijn moeder bijna dood.’

Vlak voordat Allan naar Lejac ging, waarschuwde zijn vader de opzichter van de jongensslaapzaal dat hij van zijn zoon moest afblijven. Al bleef die ene gruwel Allan bespaard, er bleef genoeg pijn over om mee om te leren gaan, zegt hij. ‘Ik doorbrak de cyclus van intergenerationele traumatisering door van de drank af te blijven. Mijn genezingsproces kwam in 2003 op gang met een vierdaags ritueel met een medicijnman in een zweethut. Toen zag ik in visioenen dat ik met andere overlevenden aan het werk zou gaan. Het verleden blijft niet eeuwig in de doofpot zitten, maar er waren 215 graven voor nodig om de wereld wakker te schudden.’

Meer over